684. H. Bartels1 aan O. Noordmans
Zevenaar, 5 januari 1942
Zeer geachte ds. Noordmans,
Als het u mogelijk is, mij advies te geven bij het volgende zou ik dat zeer op prijs stellen. Na enig zoeken naar een onderwerp voor een dissertatie ben ik begonnen met een onderzoek naar het ontstaan van het reglement 1816. Nu is echter plotseling gebleken, dat een doctorandus van de VU bezig is met hetzelfde onderwerp2 en ik moet dus wat anders zoeken. De Vrijer,3 die mijn promotor zou zijn, ried mij aan Het beheer in de 19e eeuw. Omdat mijn scriptie z.i. dogmatisch zwak was, wil hij mij steeds - waar ik in ieder geval op kerkrechtelijk gebied wil blijven - van de dogmatische zijde van het kerkrecht weghebben. De moeilijkheid is, dat het belang van het kerkrecht - voor zover ik het kan overzien - juist in zijn dogmatische inslag ligt en mijn kerkrechtelijke belangstelling zich dus juist steeds bewust op de dogmatische zijde richt. Daarbij komt, dat ik mij voor een onderwerp als door hem genoemd te weinig jurist en te veel theoloog voel. Het onderwerp is zeker belangrijk en heeft mijn belangstelling ook wel, maar juist weer naar zijn dogmatische zijde: wat is de plaats van de kerkvoogd in de ambten der kerk, enz. Mijn vader4 - meer jurist dan theoloog als hij is - verbeterde De Vrijers onderwerp direct tot Vermogens en rechten in de Ned. Hervormde Kerk in de 19e eeuw. En hoe belangrijk dit ongetwijfeld is, mijn belangstelling ligt toch even anders. - Wel ben ik mij bewust, dat ik met een proefschrift sterk op historisch terrein moet blijven, want anders raak ik teveel op het kerkelijk strijdtoneel en dat is voor een proefschrift toch niet goed. Aan de andere kant voel ik niet voor een soort liefhebberij-dissertatie over een of ander historisch onderwerp: ik zoek naar een onderwerp, dat voor de kerk van heden zijn belang heeft en dat dus enig verband en nut heeft voor de huidige constellatie. Ik weet wel, dat ik op moet passen, dat ik niet te zeer in beslag genomen wordt door het gevoel, dat wij nu geen tijd hebben voor wetenschappelijk-werk-afgezonderd-van-de-wereld, maar een geheel “onpraktisch” proefschrift te maken is mij toch ook niet mogelijk. Ik dacht nog aan heel iets anders: de geschiedenis van de zinssnede de handhaving harer leer uit art. 11 Alg. Reglement van 1816 tot heden.5 Maar De Vrijer zal me dit wel weer sterk afraden vanwege de dogmatische inslag, hoewel misschien een kerkrechtelijk-historische beschrijving van deze zinssnede niet zo dogmatisch behoeft te zijn. Ziet u hier wat in? Ik ben nu bezig, de 19e eeuw uit Reitsma6 weer eens grondig door te lezen in de hoop, iets te vinden. Zou er in de tijd Hoedemaker / Gunning niet iets geschikts zijn? Ik hoop, dat u hieruit ongeveer kunt opmaken, hoe mijn ligging is, en in welke richting ik zoek en ik zou het erg prettig vinden als u mij iets wilde schrijven. Op mijn examen schijnt prof. Rengers Hora Siccama7 sterke nadruk gelegd te hebben op de juridische inslag, die ik z.i. heb. Dit, gevoegd bij de dogmatische zwakte, die mijn scriptie naar de mening van de heren kenmerkte, maakt, dat De Vrijer steeds in deze richting adviseert. Ik voel ook het belang van dit advies, maar kan toch mijn dogmatische interesse niet te veel achteruitzetten, vooral ook, omdat ik van overtuiging ben, dat dat in een theologisch proefschrift ook niet mag, en op kerkrechtelijke gebied zeker niet. Met beleefde groet, ook aan mevrouw en de jongens, Uw,
H. Bartels.
Als u dat beter lijkt, kom ik graag eens in Laren hierover praten.
(AN)