570. H. Boschma1 aan O. Noordmans
Ruurlo, 3 augustus 1936
Zeer geachte dr. Noordmans,
Het speet me zeer te vernemen, dat u vergeefs gepoogd hebt ons een bezoek te brengen. We waren net voor een paar dagen uit. En dat dit nu juist zo treffen moest! Mocht uw weg u eens weer in Ruurlo voeren, dan houden we ons zeer aanbevolen. Wat de Gelderse Tentzending betreft, - ja, dat is, eerlijk gezegd een zaak die me wel bezwaart. Ik vind ook dit al weer een van die krampachtige pogingen om het verlamde protestantisme te mesmeriseren2 of te electriseren; de patient trilt en rilt even, op zijn best, maar blijft er meestal dezelfde bij. Het lijkt me ook vaak toe, dat men de dingen niet ernstig genoeg drijft. Onlangs was ik ergens, waar een jongmens de gelijkenis van de ‘Verloren zoon’3 uitrekte net als de kinderen een stuk kauwgum doen, waarvan je zegt: schei uit, vieze jongen! Ik dacht: moet dat nu het middel zijn, om een revival te wekken onder onze plattelandsbevolking? Me dunkt: als men zoiets deed, dan moest men het om zo te zeggen doen op leven en dood, en de beste sprekers, die we hadden, moesten we daartoe requireren. En ik weet heel wel, dat ik daar zeer zeker niet toe behoor. Ben bovendien voor zoiets niet genoeg methodist. Zit tegenwoordig ook in een toestand, waarin ik voor zulk werk wel allerminst deug, daar ik zelf te zeer met problemen bezwaard ben, om anderen met één enkele, frisse handgreep daarbovenuit te heffen. Maar genoeg van mijn bezwaren. Er is dan ook nog leiding en een heilig moeten. U hebt me een keer gevraagd, en dus zal de oude ezel zijn schouders ook wel weer onder deze last zetten, maar ik kan niet nalaten even te zeggen, dat ik het al zuchtende doe, en u eigenlijk liever naar de Mookerhei had gewenst! Met deze, niet zeer vriendelijke, groet blijf ik toch gaarne, hoogachtend, uw dw.,
Boschma.
(AN)