Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Jaren Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 9B, Laren Gld.

Weergave
Passages naar Readwise sturen

587. N. Westendorp Boerma1 aan O. Noordmans

Castricum, 4 oktober 1937

Waarde collega,

Uw stuk over het geweten2 was mij een verrassing. Ik heb het met grote belangstelling gelezen, en zoals gij begrijpen zult menigmaal met instemming; soms vond ik zeer frappant wat ge zegt. - ‘Deze x is te raadselachtig om zich in onze logische bewerkingen te laten vangen.’3 ‘Het oorspronkelijke geweten werkt slechts terug op het boze’;4 allemaal gezegden, die ik graag onderschrijf. Gij drukt grote waarheden goed en fijn uit. Ik zal allerlei nog eens in mij laten omgaan. Maar, kan het anders? Bedenkingen zijn ook telkens bij mij opgekomen. Gij zegt: blz. 73: Daarvoor is de sprake van het geweten te duidelijk. Want het is klaar, dat we hier weer met een zuiver gewetens-oordeel te doen hebben. Het stempelt een stuk leven als boos, zonder te zeggen waarom.5 - Daar struikel ik over. ‘Geweten’ is zo nauw verwant met bewustzijn, dat ik mij afvraag, of gij hier van ‘geweten’ moogt spreken. Dat is geen woordenkwestie zonder betekenis. Want beneden op dezelfde bladzijde neemt gij er een ‘oordeel’ in op, een gewetens-oordeel: ...ons geweten stempelt (de oorlog) zonder meer als boos.6 - Daarbij vraag ik: ons geweten? Ieders geweten? Het geweten? Ook het geweten van Hitler,7 Mussolini,8 en van zovelen vóór hen? Dat zoudt gij waar moeten maken, en ik geloof niet dat het u gelukt. Het is een getuigenis van u; gij hebt het over een geweten zoals het volgens u behoort te zijn, zoals gij u bewust zijt, dat uw geweten spreekt. Ik geloof niet, dat mensen ten allen tijde met een slecht geweten in de oorlog gegaan zijn. Bij Puschkin Der Gefangene im Kaukasus,9 las ik deze regels: ‘Und plaudern viel von Überfällen, von edlen Rossen, kühne Rittern...von schaurig schönem Kampfgenuss’; zij deden het met een ‘goed geweten’. Wat ge over Paulus zegt vind ik niet duidelijk. Bedoelt ge op blz. 70, Rom. 2:15?10 Maar dat is toch niet: een bewustzijn, dat aan godsdienst en zedelijkheid voorafgaat; een meer direkte verhouding tot God door middel van schepping en natuur. - Suneidèsis11 lijkt hier m.i. veel op ‘zedelijk bewustzijn’, overgenomen uit de Helleense wereld. - Ik meen ook, dat we bij Kant’s gerechtshof-theorie wel vrij ver van Shakespeare12 af zijn. Kant vervolgt de boosdoener, hij mag zijn straf niet ontgaan; Shakespeare plaatst zich niet boven Macbeth, hij ziet in hem de tragische mens.13 Maar laat mij nog eens zeggen, dat ’k vaak door uw woorden getroffen ben. ‘God is meerder dan ons hart’, en dan ons geweten.14 ‘De schepping als zodanig valt niet onder een zedelijk oordeel, maar in haar openbaringen wel onder gewetens-oordelen, waarvan schaamte een der meest primitieve is’ en wat daar verder volgt.15 Met vriendelijke groet, tt.

N. Westendorp Boerma.

(AN)

Noten

  1. 1

    N. Westendorp Boerma (1872-1951), zie brief nr. 331 (24.9.1921), n. 4.↩

  2. 2

    ‘Het geweten’, VW 6, 466-476.↩

  3. 3

    VW 6, 466.↩

  4. 4

    VW 6, 466.↩

  5. 5

    VW 6, 469.↩

  6. 6

    VW 6, 470: ‘De oorlog bijv. kunnen we in onze beredeneerde ethiek niet onderbrengen. Hij verwaardigt zich niet een antwoord te geven op de vraag, of hij goed of slecht is. Hij is er en ons geweten stempelt hem zonder meer als boos.’↩

  7. 7

    Adolf Hitler (1889-1945), kwam in 1933 als leider van de nationaal-socialisten (Nazi’s) aan de macht. Zijn beruchte boek Mein Kampf (1925) diende als ideologische basis voor een ongebreideld streven naar een groot rijk onder heerschappij van ‘edelgermanen’, waarin voor ‘Untermenschen’, zoals joden, zigeuners, homofielen enz., geen plaats zou zijn. Tijdens de Tweede Wereldoorlog streefde Hitler naar totale vernietiging van het jodendom.↩

  8. 8

    Benito Mussolini (1883-1945), stichter van de fascistische beweging, vanaf 1922 duce, streefde in de jaren ’30 naar gebiedsuitbreiding in het Middellandse zeegebied, raakte geheel in het kielzog van Hitler.↩

  9. 9

    A.S. Poesjkin (1799-1837), Russisch dichter en proza-schrijver wiens werk grote invloed heeft uitgeoefend op de ontwikkeling van het moderne Russisch. De gevangene in de Kaukasus verscheen in 1822. Ander werk van Poeskin: o.a. het episch gedicht Roeslan en Ljoedmila (1820) en het magnum opus Jevgeni Onegin (1830).↩

  10. 10

    VW 6. 467.↩

  11. 11

    VW 6, 467, 475.↩

  12. 12

    VW 6, 472, 474, 476.↩

  13. 13

    Voorafgaand aan de beschouwing over de opvatting van Kant wijdt ON enkele regels aan Macbeth van Shakespeare, VW 6, 471v.↩

  14. 14

    VW 6, 475.↩

  15. 15

    VW 6, 468.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit het zetbestand van het boek; de noten zijn aan hun verwijzing gekoppeld. Dat bestand heeft geen paginanummers: een brief wordt aangehaald met zijn nummer. Zet onder Weergave de correcties aan om de herstelde en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 586. P. Scholten aan O. NoordmansLaren Gld.588. J.F. Beerens aan O. Noordmans →