750. R. Dijkstra1 aan O. Noordmans
Amsterdam, 1 november 1945
Beste collega Noordmans,
Het deed ons veel genoegen Uw brief van 4 dezer te ontvangen. Hartelijk gelukgewenst dat uit de débâcle weer orde en regel gekomen is, ons innerlijk en uiterlijk leven zijn zo intens verweven dat het één zonder het ander niet kan gedijen. Ik hoop dat ameliorisatie van het exterieur ons nog weer proeven geeft van je innerlijke bewegingen des harten. Wij zijn na de bitteren winter tamelijk weer met de oude activiteit bezig, maar toch wel zo innerlijk gekneusd, dat alle geval van ‘zelfbehagen’ teruggedrongen is. Heb je de ‘radio-uitzending’ van de bidstond in de Nieuwe Kerk2 ook kunnen beluisteren? Het was een machtig en aangrijpend uur, waarbij mijn hart van vreugde en verwachting trilde, een reformatorisch begin, dat hoopvol stemt op het keerpunt onzer kerk. De synode was zichtbaar onder de indruk met heel de schare van 3000 mensen zowel bij het liturgisch gedeelte, geheel uit onze symbolen en liturgische geschriften genomen als bij het voorzichtig en toch positief woord van Miskotte, die de kerk als Maria bracht aan de voeten van Jezus; hij legde m.i. het juiste verband tussen meditatie en activiteit des geloofs. Nu is het wachten op het waaien van de Geest des Heren over de doodsbeenderen van dit aardse dal. Wij kunnen niet anders dan eschatologisch gericht zijn in de nood, waarin de wereld nog steeds verkeert, de enige drijfkracht van ons kerkelijk doen is Christus triumfans. Zolang Hij niet gekomen is zullen de krachten van ons arme hart als moede kinderen zijn op de schoolbanken. Hebt het samen goed in Lunteren, onze hartelijke groeten aan U beiden, tt.,
R. Dijkstra.
(AN)