767. A.M. Brouwer aan O. Noordmans
Zeist, 31 october 1946
Waarde vriend Noordmans,
nog altijd ligt je brief van 5 october op antwoord te wachten. Het is zóó gesteld: nu ik “rustende” ben, kom ik tijd tekort om alles af te doen wat ik mij voorgenomen had en dat ook wel afgewerkt moet worden. En dan komt de correspondentie daarbij te kort. Allereerst dan mijn hartelijke dank voor je schrijven. Het deed mij goed, van allerlei van jullie te hooren, al was het medegedeelde zelf een naklank van veel leed. Er kunnen in het leven slagen worden toegebracht, die altijd pijnlijke litteekens achterlaten. Ik denk tegenwoordig vaak, dat dit wel bedoeld zal zijn, om het heengaan makkelijker te maken. De bezettingstijd brachten voor woning en verblijf geen verandering. Maar dat Meindert,1 dokter in Bilthoven, twee jaren gevangen zat en tot driemalen doodstraf was veroordeeld, was heel pijnlijk. Hij had kort tevoren zijn vrouw verloren en drie kleine kinderen waren nu verweesd. Dat gaf ook veel zorg. Het was een wonder, dat hij levend, en nog wel gezond naar lichaam en geest, terug is gekeerd. Een dubbel wonder als men hoort wat hij alles heeft doorgemaakt. Zelf was ik intussen vrij ernstig ziek, waaruit ik een erge gewrichtsrheumatiek overhield. Een paar maanden heb ik stijf op bed gelegen. Nu ben ik nog altijd bezig daarvan beter te worden. Het gaat gelukkig, al is ’t dan ook heel langzaam, geregeld vooruit, zoodat ik mij weer behoorlijk bewegen kan en de laatsten maand weer van de tram gebruik maak. We zijn, wat ons gezin, ons naaste familie betreft, tenslotte allen de bezettingstijd goed doorgekomen. Nu is Anton,2 de oudste, als reserve veldprediker op weg naar Indië. Veertien dagen geleden namen wij afscheid. Al is het dan “maar” voor twee jaar, ik vermoed toch, dat ik hem niet weer zal zien. Ik heb zoo’n idee, dat hij in Indië een plaats zal zoeken en dan vrouw en kinderen over laat komen. Deze laatsten zijn voorloopig nog in de pastorie te Vledder, maar zoeken een woning elders, wat geen geringe puzzle is. Laat ik ook nog mogen danken voor je oordeel over mijn boek over de gelijkenissen.3 Dat dit voorloopig zoo gunstig was, deed mij genoegen. Recensies heb ik er nog niet van gezien. Ik had nog meer voor de pers gereed, maar tot nu toe lukte het niet, dat uitgegeven te krijgen. Zei Horatius niet: ‘nonumque prematur in anno?’4 Al was ’t Horatius niet, dan zou men het nu die wijze na kunnen zeggen. Met hartelijke groeten, ook aan je vrouw,
tt.
A.M. Brouwer.
(AN)