807. W.A. Zeydner1 aan O. Noordmans
Rotterdam, 5 januari 1948
Waarde Noordmans,
Hartelijk dank voor je brief.2 Het was mij altijd zo’n vreugde, wanneer ik naar de commissie voor de Kerkorde ging, over Lunteren te rijden. Ik heb je wel eens eerder gezegd, dat je vanaf de laatste jaren van mijn studententijd tot heden telkens lichtjes ontstoken hebt. Ik herinner me zeer duidelijk, dat ik als hulpprediker in Uithuizen een artikel las over het verband van de voormannen der ethische richting met Charles Dickens.3 Hoe dikwijls heb ik niet de Geestelijke Perspectieven gelezen. Bij het sterven van Obbink4 verrijst de Kerkopbouwtijd voor mijn oog. Voor mij werd die tijd niet beheerst door Obbink maar door Brouwer en Noordmans. Het heeft mij veel leed gedaan, dat Brouwer tenslotte achterbleef. Ik misken niet zijn grote verdienste in de reorganisatie-tijd maar hij heeft iets, dat hem te sterk remt om in een nieuwe periode opnieuw te beginnen. Het is voor mij een van mijn meest blijde dagen geweest toen je voor het eerst verscheen in de commissie voor de Kerkorde. Je hebt ons grote diensten bewezen, door ons tot grotere diepgang te dwingen. Wanneer ik denk aan alles wat je deze dertig jaren voor mij betekend hebt dan voel ik me klein, wanneer ik uit je brief lees, dat ook ik wat voor je geweest ben. Wat mijn praesidiaat van de Generale Synode betreft: ik heb steeds duidelijker leren inzien, dat niet de episcopale bestuursvorm maar de presbyteriale synodale de meest aristocratische is. Het ambt in vergadering bijeen oefent het van God gewilde gezag uit. Wanneer de ambtsgedachte gaat verflauwen neemt men in armoede zijn toevlucht tot een bisschop. Zo werd mijn houding niet alleen bepaald door mijn inzicht maar ook door mijn hart. Met hartelijke groet, t.t.
W.A. Zeydner.
(AN)