848. K.H. Miskotte aan O. Noordmans
Leiden, 28 april 1949
Zeer vereerde Noordmans,
Van de vele verwarrende indrukken op de Predikantenvergadering1 opgedaan, werkt bij mij misschien het meeste na, wat u, zo bij uw neus weg, hebt gezegd over Barth’s Scheppingsleer. Van heel zijn werk heeft deze locus mij de rijkste bevrijding geschonken en - kort gezegd - het Evangelie betuigd op een punt, waar voor mij de grootste moeilijkheden lagen. U kunt zich indenken, hoe het mij geschokt heeft, juist u, een vereerde episcopos, zo met minachting naar de inhoud - maar ook formeel met zo ònpedagogische onachtzaamheid te horen spreken. Dit zinnetje van u volstaat, om de moede, overladen, niet-graag-gestoorde predikanten te ontslaan van een werkelijke kennismaking. Ik betreur dit zeer, omdat mij bij napraten gebleken is, dat men òf helemaal niet begrijpt waarop uw boutade slaan kòn (bijv. op uw, door mij te raden, afkeer van een analogia relationis2 inzake het beeld Gods) òf het méént te begrijpen en dan een verwarring aan de dag brengt - van scheppingsordinantiën die bedreigd zouden zijn (iets dat u zo ver mogelijk staat) tot aan een leus: schepping als crisis (iets, waarbij u, naar mijn overtuiging, niet zult willen hàlthouden) - een verwarring waar we zacht en beslist juist uit weggeleid kunnen worden door de gewraakte en voor tallozen (vooral ook onder de lutheranen) als de meest schriftuurlijke erkende leer aangaande de Schepper. Het zal mij wel iets, ja veel waard zijn, aanduidenderwijs van u te mogen vernemen, waar het schort. Dat het een doorwrocht werk is en in geen geval verdient een judicium als: ‘hij heeft er maar wat van gemaakt’ staat voor mij vast. U zult wel begrijpen, dat ik niet de enige ben, die met verbazing, pijnlijke verbazing, heb gereageerd, al is het een kleine schare vergeleken met het gehele corps. Met vriendelijke groet, uw dw.,
K.H. Miskotte.
Aantekening van ON onder aan de brief: ‘beantw. 6 mei ’49’.
(AN)