851. K.H. Miskotte aan O. Noordmans
Leiden, 9 mei 1949
Hoogvereerde Noordmans,
Ik dank u voor uw antwoord op mijn bezwaar. De lezing van Smits1 heb ik niet gehoord, ik kwam binnen onder de discussie. Dat er méér is in Jezus Christus dan de vernedering, is nogal wiedes; hoe men dáárdoor contacten kan leggen tussen het Evangelie! en de moderne mens is mij niet duidelijk. Het was u blijkbaar wel duidelijk want terwille dáárvan hebt u dat omineuze zinnetje2 losgelaten. En nu de zaak zelf: het is mij een bittere teleurstelling u met al uw genialiteit te zien vastlopen in een denkwijze van weliswaar zeer bijzonder gehalte en glans, toch - ik durf het haast niet te zeggen - een spreekvorm, die méér dan billijk met uw persoonlijke gesteltenis verbonden is. Het is het duister en de duizeling, het is dat alles wat in uw prachtig opstel over ‘het Geweten’3 wordt aangeduid en dat ik nooit heb kunnen erkennen als bijbels, een rest op onopgeklaarde kosmische huiver. Niet dat ik zelf niet met deze dingen, op mijn geringere wijze en simpeler trant te dóén zou hebben, maar het bijbels A.B.C. om zo te zeggen heeft er geen plaats voor; en in een dogmatisch stelsel (ook al neemt men stelsel nog zo òn-technisch) zal het zich moeten voegen in de klaarheid van het Woord. We kunnen niet om zo te zeggen alle loci met een latente demonologie verontrusten; we kunnen niet via de via negationis tot de kennis van de schepping naderen. Wanneer u nu in uw antwoord spreekt van Barth’s Scheppingsleer als ‘monistisch’, dan is dat geen kerkelijke, geen schriftuurlijke, ook geen immanente kritiek, maar een verweer vanuit een particulier, zij het pastoraal ondersteund inzicht. Wanneer u spreekt van ‘scholastisch’ dan begrijp ik dat zéér goed, maar alleen wanneer het tegen de gehéle Kirchliche Dogmatik geldt en volstrekt niet, meer of min speciaal, van de z.g. scheppingsleer. Maar deze termen kan ik nog vòlgen. Wanneer u echter zegt: een theologie, die zo sterk van het begin uit denkt en spreekt, kan ik moeilijk meemaken - dat vind ik ontstellend! Is dáárvoor de aversie tegen de christologische aanvat van de leer van de Schepper (niet: de ‘schepping’) zo geducht losgekomen - opdat wij, die in dezen zoveel van Barth hebben geleerd, het omgekeerde geluid zouden gaan aanheffen? alsof de wagen der leer hier naar de schepping terugrolt! dat is een tastbaar misverstand. De Prolegomena. zijn reeds naar de maat van het kerugma gesneden. In de Prolegomena is de Leer van het Woord Gods, is de Triniteit opgenomen in alle gegeven dimensies. Volgt de christologie en de pneumatologie principieel in totaal structuur; in de Prolegomena! Volgt de leer der kennisse Gods, de leer der eigenschappen, de christologisch verstane Predestinatie, de Ethiek - en dàn en van daaruit en op grond daarvan gaan we horen, wat het Credo bedoelt met de belijdenis van de Schepper. Voor mij is het belangrijke, dat voor het éérst in theologische akribie de schepping niet van het begin uit wordt behandeld maar van het midden uit; dat voor het eerst de schepping als Auftakt der heilsgeschiedenis wordt gezien (precies in overeenstemming met de staat-van-zaken in het Oude Testament, welke evenwel nooit is gehonoreerd door de scholastiek, die de schepping in de ontologische speculatie betrok); dat de bijbelse Bejahung van het gegeven leven voor het eerst voluit in Christus’ officium wordt gefundeerd, dat er voor het eerst geen achtergronden meer overgelaten worden àchter de openbaring, waarin het onbekende, het lege, het gericht, de verwerping huist, waartegen dàn tevergeefs de Heilige Geest wordt ingezet. Ik heb geen tijd, op ’t ogenblik, op één en ander in te gaan. Het spijt me meer dan ik nu uitdrukken kan, dat ik van u, hoogvereerde leraar, plotseling zo ver verwijderd blijk te zijn. Het is een heel stuk vereenzaming; want het is niet moeilijk technisch-theologisch of zelfs dogmatisch te verschillen, maar hier gaat het werkelijk om de prediking, het kerugma dat de Scheppersdaad wèldaad is en dat de gemeente in het geloof mede, jubelend, antwoordt op het Ja van de Schepper. Niets is hier in zichzelf evident. Alles wordt ons toegebracht door de Heilige Geest in het Evangelie. Dit belijden geschiedt ‘in eìnem Zug mit dem Bekenntnis zu Jesus Christus dem Sohne Gottes unserem Herrn...und wieder in einem Zug mit ihrem Bekenntnis zum Heiligen Geist...so also dass mit jenem Bekenntnis auch dieses unwahr, ohnmächtig und unmöglich würde.’ (S. 23).4 Wanneer u zegt, dat te Arnhem de predikanten blijven komen ondanks uw kritische instelling, dan bewijst dat niet, dat ze om Bàrth komen - en dan ligt dit, gesteld dat ze om Barth en niet om Noordmans komen, in een andere pedagogische Bezirk dan de 700-koppige menigte en haar ‘ingeschapen’ of verworven hebbelijkheden, openbaar o.a. in een daverende hilariteit. Neen, het was niet goed, wat u zich daar liet ontvallen; het bevatte geen spoorslag zich in deze dingen opnieuw te verdiepen. Integendeel, men hunkert, omdat men nog niet begònnen is, naar uitingen, die verlof geven er nooit mee te beginnen en daarin gerechtvaardigd te zijn tot in lengte van dagen, d.i. totdat er weer wat anders aan de orde is, dat men óók niet van plan is ernstig te nemen. U nogmaals dankend voor uw snel en voor een enigszins goed verstaander instruerend antwoord, met vriendelijke groet, uw dw.,
K.H. Miskotte.
(AN)