869. O. Noordmans aan J.J. Buskes1
Lunteren 1 maart 1950
Waarde Buskes,
Laat mij u nog even, een beetje laat, een welkom mogen toeroepen bij de terugkeer uit India. Ik wist, eerlijk gezegd, niet, dat dit de reden was van uw absentie in de redactie. Ik dacht aan gezondheidsredenen. Dat zal een evenement in uw leven geweest zijn. U hebt de planeet nu ook aan de andere zijde gezien in menig opzicht. Hier gaat alles zijn geregelde gang, zo lang als het duurt. Ik doe u, als vanouds, een meditatie toekomen. Gaarne zal ik, zodra ik daartoe tijd beschikbaar heb, de gevraagde artikelen over de kerkorde u zenden. Uw stuk over Snethlage2 kan ik niet helemaal zetten. Ik heb iets van hem gelezen en hem een enkele maal ontmoet. Zijn Herinneringen en Perspectieven heb ik niet onder ogen gehad, behalve dan de citaten, die gij geeft. Ik waardeer uw toelichting, maar zie ook een andere kant aan de zaak. Er is iets ontzettends in zo’n godsbegrip, dat geheel formeel wordt. De meditatie, die ik u hierbij zend, laat als ’t ware het tegendeel zien.3 Maar ik kan mij niet helemaal onttrekken aan een gevoel van ontzag en beklemming als ik denk aan zulk een eenzame figuur, wiens hand is tegen allen en de hand van allen tegen hem. Met hartelijke groet,
O.Noordmans.
(ABuskes)