871. R. Dijkstra1 aan O. Noordmans
Putten, 18 maart 1950
Amice frater,
Zo juist hoor ik van Ton en Dientje,2 dat je te Arnhem in ’t diakonessenhuis bent opgenomen. En nu heb ik behoefte een kort woord te schrijven. Gisteren las ik je artikel in Kerkelijke Klassieken over de ‘Festpredigten van Kohlbrugge’3 met veel interesse en instemming. Kohlbrugge heeft mij de laatste 20 jaar geboeid, al kan ik hem niet in alles volgen, hij heeft mij evenals ’t bij jou het geval is, meen ik, veel opgehelderd van de paradox des geloofs justus et peccator,4 waar je je hele leven mee worstelt. Nu wens ik je van ganser harte in ’t diakonessenhuis genezing en wederoprichting toe, want we willen je hier nog zo graag een poosje houden, al hoef je niet elk jaar vier boeken uit te geven als in ’49, met één zijn we ook nog tevreden. Maar bovenal is mijn bede dat de gewenste zielevrede er is in alle omstandigheden. Ik herhaal met Kohlbrugge: ‘Hoe komt gij in de stad, die zo hoog ligt? Antwoord: op engelenwagens. Hij zelf zet mij daarop, en dan geen tranen meer’.5 Tranen, die zo bitter waren in de mond, maar zoet worden voor de ziel. Met veel hartelijke groeten, Gode en de Heiland bevolen,6 je toegenegen
R. Dijkstra.
(AN)