889. O. Noordmans aan K.H. Miskotte
Lunteren, 12 januari 1951
Waarde Miskotte,
Hartelijk dank voor je brief bij Oud en Nieuw.1 Wederkerig wens ik je alle goeds voor 1951. Met blijdschap ben ik uit de verte getuige van de goede ontplooiing van je gezin. Wij hebben nog één zoon, die in Utrecht studeert.2 Onze dochter is getrouwd en woont in Zwolle, onder de herderlijke zorg, mede van je neef.3 Nu de kerkorde is aangenomen,4 zul je heel wat tijd hebben vrijgekregen. ’t Is een événement, dat de reorganisatiebeweging nu toch haar doel heeft bereikt. Mij hindert alleen maar soms de toon van Emmen,5 die het voorstelt, alsof er voor 1940 niets bestond en de kerk nu pas geschapen is. Natuurlijk heeft de oorlog een geweldige stoot gegeven. Maar wij hadden toch in 1938 al de overtuiging, dat 1816 stormrijp was.6 Wel is ’t merkwaardig, dat de vrijzinnigen zijn meegegaan. Maar even merkwaardig is, dat de tuchtvraag nog niet opgelost is.7 Dat is de vraag, die ons in 18868 werd opgegeven. De richting, die de historie der Hervormde kerk zal nemen, hangt er van af. Zullen wij, zoals de Anglikaanse kerk, praktisch leervrijheid krijgen? Ik meen dat de Hervormde kerk deze vraag scherper moet stellen dan de Anglikaanse kerk. Maar het is na 1886 een gebeurtenis, dat wij hiertoe gekomen zijn, al hebben wij de noten, die Kuyper9 liet liggen, nog niet alle gekraakt. Met dankbaarheid heb ik in je brief gelezen, wat je schrijft over een kring van belangstellenden. Nu ik niet meer preek, voldoet het aan een behoefte mijnerzijds, dat ik gelegenheid heb, enigszins geregeld uit de Schrift te schrijven. Een van de dingen, die onze kerk te doen heeft, is ook, een juiste beschouwing van het ambt te vormen. Kan men iemand een geestelijk ambt afnemen?10 De nieuwe kerkorde is in dat opzicht niet duidelijk en zij kan dat ook niet zijn, omdat onze theologie op dat punt niet klaar is. Daardoor kreeg b.v. Wagenaar,11 de secretaris, gelegenheid om een zeker anticlerikalisme uit te spelen. In ’t algemeen is de verhouding van jongen en ouden niet kerkelijk bepaald geworden. Op dat punt loopt men de ambtenarij achterna. De verschuivingen op sociaal en politiek gebied vinden aan de grenzen der kerk weinig hindernis. In het algemeen is het een zwak punt in de beweging van 1940.12 dat men in de kerk te weinig anders te werk ging, dan in de politiek. Bij Kraemer leek de eenheidsdrang in de kerk te veel op die in de politiek en zo ook op het stuk van de arbeid. Kraemer creëerde in de kerk ook een partij van de arbeid.13 Maar ik moet eindigen, met hartelijke groet,
O. Noordmans.
(AN)