904. O. Noordmans aan J.J. Buskes1
Lunteren, 11 september 1951
Waarde Buskes,
Doordat ik de bij mijn 80-ste verjaardag ontvangen gelukwensen2 persoonlijk beantwoorden wilde, ben ik daarmee wat laat geworden. De belangrijkste brieven bleven het langst liggen. Ik dank u zeer voor de goede wensen. Het trof mij ook, dat wij volgens uw schrijven al zo lang contact hebben gehad. Die lezing te Nunspeet3 moet ik voor 1921 hebben gehouden. Onze ontmoetingen waren sporadisch, maar ik heb ook van mijn kant uw evoluties en publicaties steeds met veel belangstelling gevolgd, zoals ik nooit een van uw ‘Terzijde’s’4 oversla. Gij ziet er tegen op om oud te worden. Ik weet niet of ge mij thans oud vindt. Uit uw brief meen ik te moeten opmaken, dat dit het geval is. Gij zoudt dus liever vroeger willen heengaan. Daartegen zal wel geen bezwaar zijn, als gij kenbaar maakt welke leeftijd gij dan wenst te bereiken. Wanneer gij het mij in vertrouwen meedeelt, ben ik wel bereid er enige ruchtbaarheid aan te geven, zodat Onze Lieve Heer het ook komt te weten. Hij zal zich dan wel aan de door u gestelde datum willen houden. Beter zou ik het echter vinden, als gij er toe zoudt kunnen besluiten om, als het u op deze wereld niet meer bevalt, op Texel te gaan voortbestaan, om van daar ‘Terzijde’s’ te schrijven. Zou dat misschien iets voor u kunnen zijn? Alle partijen waren dan bevredigd. Ik voor mij moet zeggen, dat ik het niet erg vind tot de “zeer sterken” te behoren. Ik ben nu eenmaal in 1871 geboren en had toen moeten protesteren en mij laten inschrijven voor een geboorte bijv. in 1921. Dan was ik nu precies dertig geweest. Maar dan waart gij weer gedupeerd geweest. Want dan had ik die lezing voor 1921 niet kunnen houden. Waarde Buskes, op die manier gaat het ook niet. Laten wij ’t overlaten. Met hartelijke groet,
O. Noordmans.
(ABuskes)