931. Chr. Mohrmann1 aan O. Noordmans
Nijmegen, 23 oktober 1953
Hooggeachte Dr. Noordmans,
Ik heb een paar dagen lopen peinzen over uw hypothese, die mij op het eerste gezicht wel aantrekkelijk scheen, maar waarbij ik toch dadelijk het gevoel had, dat er iets niet klopt. Bij nadere overweging zie ik het volgende bezwaar: katholikos heeft de betekenis van ‘universeel, algemeen’, d.w.z. een ‘algemeenheid, een universaliteit’ tegenover een ‘pluraliteit’. Zodoende kan men het woord moeilijk bij gè gebruiken, dat als adiectivum ólos zou verkiezen en ook wel heeft. Het geheel, het heelal heet ook to òlon. Men zou dan krijgen: kat òles g[è].2 Iets anders is, dat ik p. 100, 173 wel zou durven denken aan het adverbium katholikoos als gr[iekse] tekst van undique, maar daarmee zijn we niet geholpen voor de andere teksten. Ik geef u toe, dat deze drie plaatsen met undique merkwaardig zijn, als men ze zo achtereenvolgens leest, maar om de genoemde taalkundige reden aarzel ik toch wel erg, uw hypothese te aanvaarden. Met de meeste hoogachting, steeds gaarne uw dw.,
Chr. Mohrmann
(AN)