936. O. Noordmans aan K.H. Miskotte
Lunteren, 31 januari 1954
Waarde Miskotte,
De toestand van mijn gezondheid is anders dan je op grond van de geruchten vermoedde. Er is geen opvallend levensgevaar, althans niet meer dan anders. Wel ben ik sedert augustus j.l. meer aan bed gebonden geweest en in verband daarmee staakte ik het schrijven van mijn meditatiën. Die op 18 september,1 precies de 150ste naar het getal van Davids gebeden, werd de laatste. Ik schreef ze, op jouw verzoek en dat van de redactie2 van Kerstmis 1947 tot gemelde datum 1953. Je was toen bezig met dingen, die iemand geheel in beslag nemen.3 Anders had je er misschien nog even aandacht aan gewijd in een episteltje. Ook het gewone nieuwsjaarsbriefje viel dit jaar uit, omdat ik toen die lofzangen niet meer schreef. Zodat ik blij was nu dit bewijs van belangstelling van je te krijgen. Je bent nu weer tot gevestigde staat gekomen.4 Ge zult de wereld weer als nieuw aanzien. Het is een merkwaardige reis, die we daarin maken. Er gingen onlangs op verschillende tijden enkele mensen per trein van Rotterdam naar Amsterdam. Toen de eerste dicht bij Amsterdam kwam, bevonden anderen zich te Leiden, Toen ze per radio vernamen dat die eerste de hoofdstad naderde, spraken ze hun bezorgdheid uit over dit einde. Men vroeg hen of ze, ook op weg daarheen, niet naar de Maasstad zouden terugkeren of waarheen ze anders wilden gaan? Zonder mankeren kwam het antwoord: naar Amsterdam. Er is eigenlijk slechts één manier van leven: anderen volgende in de dood. Alle andere zijn onbarmhartig. Men kan het einde niet van het leven afbreken en iemand nawerpen. Rotterdam, Leiden of Amsterdam, wij staan allen, ook op het einde, in een onomkeerbare vaart. Met hartelijke groeten,
O. Noordmans.
(AKHM)