952. J. Lindeboom1 aan O. Noordmans
Groningen, 28 september 1954
Hooggeachte dr. Noordmans,
Tengevolge van afwezigheid buitenslands kwam uw schrijven van 12 september2 eerst 14 dagen daarna in mijn bezit. Gelukkig is er geen haast bij de zaak, maar ik heb mij toch spoedig gezet om op uw vraag in te gaan. ’k Ben het niet met u eens, en pleit voor de letterlijke opvatting: pantachothen,3 dat m.i. in verband met de context gelezen een hoogst aanvaardbare lezing is, die zeker niet de curialisten4 in het gevlei komt. ’k Ben tot deze mening al jaren geleden gekomen, en wel - ik beken het gaarne! - onder de invloed van mijn leermeester Bolland,5 die over deze kwestie in zijn befaamde Petrus en Rome (Leiden 1899), blz. 72-79, een naar mijn oordeel duidelijk en hoogst aannemelijk betoog heeft geleverd. Mag ik u daarnaar verwijzen? Het is te groot om in zijn geheel te worden aangehaald en de redenering kan eigenlijk niet verkort worden weergegeven. U is nog ‘still going strong’? Welk een voorrecht! Ik ben er, wat mij betreft, elke dag dankbaar voor. Hoogachtend en met vriendelijke groet, de uwe,
J. Lindeboom.
(AN)