809. O. Noordmans aan het hoofdbestuur van de Bond van Nederlandse predikanten
Lunteren, 24 januari 1948
Met bijzondere belangstelling heb ik het n°. 1 van 19481 gelezen. Dit geldt in de eerste plaats de slotalinea’s van uw eerste artikel: Wanneer we ons tenslotte enz.2 In het ontwerp-kerkorde, waaronder ik ook mijn handtekening heb geplaatst, komt inderdaad de ‘pastor’ min of meer in het gedrang. Hem dreigt isolement in de kerkeraad en daarbuiten. Dit is de keerzijde van het radenstelsel en van de reeds lang in gang zijnde afzonderlijke organisatie van diakenen en kerkvoogden en nu ook enigszins van de ouderlingen. In de commissie voor de kerkorde ben ik daartegen zoveel mogelijk in het geweer geweest, en ik heb nog mijn bezwaren op sommige punten, nu het ontwerp er ligt. In ieder geval moet het niet zo worden, dat men naar de Bond moet vluchten om z’n vrijheid en aansluiting te redden. Dat perspectief lijkt mij wat triest. De kerkorde moet daartegen garanties bieden. Natuurlijk las ik ook uw tweede artikel met sympathie.3 Weer is een ergerlijke achterstand in te halen. Praeterea censeo organiculum esse delendam.4 Ik lach er niet meer om, maar erger mij. Ik voel het als beneden de waardigheid van de Bond. Met collegiale groet,
O. Noordmans.
(ABNP)