973. K.H. Miskotte aan Mw. Noordmans-Oosterhuis
Leiden, 5 october 1956
Hooggeachte Mevrouw,
Mag ik u twee dingen vragen? Het eerste eigenlijk ten overvloede, n.l. is het werkelijk met uw volle goedkeuring, dat “Herschepping” wordt herdrukt met een inleidend woord van mijn hand. Ik wil het graag doen, maar het lijkt mij enigszins overbodig, zo niet mispláátst. De bedoeling zal zijn kort aan te geven, waarom dit breed tractaat over de onderwijzing, indertijd voor de NCSV geschreven, het gewicht heeft van een dogmatiek; toch aarzel ik zelfs bij deze beperkte pretentie. Het tweede, dat ik u zou willen vragen, is dit: zou het mogelijk zijn, dat ik een portret kreeg van mijn vereerde en beminde meester? Het is met schroom, dat ik er over te spreken kom, maar de wensch ligt al zo lang in mijn hart; alleen durfde ik u de eerste maanden na het verscheiden niet lastig te vallen. Een afwijzing zal ik heel goed kunnen begrijpen; misschien zelfs kunnen zien als in stijl met het leven, zoo verborgen en ingekeerd, van deze groote stille in den lande. Met hartelijke groet,
Uw dw.
K.H. Miskotte.
(AN)