220. P. Heijmens Visser1 aan O. Noordmans
Velp, 25 september 1908
Amice frater,
Uw brief ontving ik op mijn vacantieuitstapje. Nu ik weer enige dagen in Velp ben, ook nog met vacantie, moet de in de war geraakte correspondentie maar eens afgedaan, wat altijd nog gemakkelijker gaat dan het in orde brengen van dito finantiën, zoals ‘De Philanthroop’2 de mens pleegt te leren. Het is een ware verheuging, dat de ijver voor de goede zaak bij alle bestuursleden nog altijd onverflauwd voorzit op de vergaderingen en dat er in de inrichting Groningerstraatweg nr. 33 nu althans twee mensen meer dan Dekema4 en echtgenote verpleegd worden. Van de laatste moet ik dit echter met zeker voorbehoud zeggen, want ’t is nog dubieus, of zij wel in hun hotel over de goede bediening te roemen hebben, nu nog steeds geen salaris aan de directeur wordt uitbetaald. Naar de beste goede Van de Wal heb ik steeds met een gemengde gewaarwording geluisterd: zekere vrees en zekere opkomende vrolijkheid streden altijd, als hij aan ’t woord was. Ik zou moeilijk kunnen zeggen, waarvoor ik vreesde of waarover ik vrolijk werd, maar feiten zijn feiten. Evenwel, laat ons ons verblijden, dat de man geen “vloeker” geworden is. Stel eens even dat ’t die kant uitgegaan was! Horribel, om aan de menigte krachtwoorden zelfs maar te denken. Steeds heb ik ook de goede opvoeding en kuisheid der dames op dit punt bewonderd. Maar, geloof me, vrouwen zijn wel beter dan uw ongehuwde staat zou doen denken! Het is verblijdend, hoezeer uw omgang in ’t Bestuur van de Philanthroop uw meningen omtrent de vrouw in de goede richting begint te leiden. Kom, als ik je nu één ding verzoeken mag, nu niet te veel in de Groningerstraatweg nr. 3, en als ge daar moet zijn, bepaald dringend nodig, vestig dan uw attentie niet absoluut niet op mevrouw Dekema, want dan raakt ge van de wijs.
(AN)