318. O. Noordmans aan Kerkvoogdij te Suameer
Suameer, 6 september 1920
Aan de Kerkvoogden der Ned. Hervormde Gemeente te Suameer,
Van uw schrijven van 31 augustus j.l. nam ik kennis. Derhalve zal er voorlopig geen afschutting meer bestaan tussen de publieke weg en de pastorietuin en zal de pastorie aan inwatering worden prijsgegeven. Behalve deze ongehoorde verwaarlozing verbaasden mij in uw schrijven drie dingen: 1°. dat uw college een nadelig saldo van f 260,- een zware last durft noemen voor een gemeente, waarin voor 1920 een 15-tal personen staan aangeslagen voor een belastbaar inkomen van ca f 120.000,- tesamen en daarna nog een 14-tal samen voor ca f 47.000,-. En dat tegenover een predikant, die elk jaar geheel alleen, voor meer dan f 1000,- de kerkekas ontlast, door te lage stand van het traktement. 2°. dat uw college, dat blijkbaar geen plan heeft iets te doen, de predikant durft vragen nu ook nog te zorgen, dat er gelden komen voor het tekort van f 260,- en voor het onderhoud der pastorie. 3°. dat uw college z’n weigering durft motiveren met de uitspraak ‘dat het onbetamelijk zou zijn over andermans geld te beschikken.’ Immers de kerkvoogdij te Suameer trachtte dit juist meermalen te doen. Op vroegere rekeningen komen belangrijke posten niet voor omdat ze uit de diakoniekas betaald werden. Enkele jaren geleden moest het Avondmaal lange tijd op schuld gehouden worden, omdat de kerkvoogdij de kosten daarvoor voor rekening der armenkas wilde laten. In het bekende dure jaar 1917 trachtte de kerkvoogdij de hand te leggen op belangrijke, de predikant toekomende bedragen. Aan het einde van de rekening over 1918 werd tegen de gewoonte, een dankbetuiging geplaatst aan de inmiddels afgetreden kerkvoogden, die dit hadden bestaan.2 Een der thans zittende kerkvoogden, S. van der Vegt, houdt gelden onder zich, die bij vonnis van het kantongerecht te Bergum de predikant werden toegewezen. Het enige middel om een einde te maken aan het loeren op andermans geld, het invoeren van een hoofdelijke omslag, waardoor men over eigen geld zou komen te beschikken, wordt tot nog toe door de kerkvoogdij niet gewild. Redenen genoeg, waarom mij die uitspraak over ‘andermans geld’ in de mond van dit college in hoge mate huichelachtig voorkomt. De predikant te Suameer,
O. Noordmans.
P.S. Afschrift van dit schrijven zal worden gezonden aan de kerkeraad, het Classicaal Bestuur, het Provinciaal Kerkbestuur en de Bond van Predikanten.3
(ABNP)