4. Jacob Noordmans aan zijn broer Oepke
Scharnegoutum, 3 september 1885
Lieve broeder!
Gij hebt mij gevraagd hoe of het met onze konijnen, uw duiven, enz. is. Daarop zal ik u nu antwoorden en Pier heeft mij verzocht of ik het ook voor hem wou doen. Mijn oud konijn is zaterdag gestorven, diezelfde morgen heb ik hem begraven. Met mijn twee jonge konijnen gaat het goed, ik moest u het kompliment van hen doen. Ook van Pier zijn kleine Juus, die ook nog gezond is. Maar... uw oud konijn. Dat is nog goed gezond en verlangt zeer naar u. Pier zijn zwarte moor1 is ook goed gezond. De oude duiven zitten (geloof ik) nog te broeden, hoewel de eieren gauw uit zullen komen. Van de blauwe duif hebben wij geen last meer, maar nu is de muiskleurige duif hier. Wij laten hem hier maar stil blijven. Nu nog iets van de kippen: Onze haan is ongesteld geweest, maar wordt nu weer wat beter. Vannacht is er een kip gestorven. Die ik vanavond heb begraven. ⚑Gepke heeft vandaag visite gehad,2 o neen! dat moest zij zelf schrijven. Ik heb de schapen vanavond weer gemolken. Wees eindelijk gegroet van uw u liefhebbende broeders
Jacob en Pier Noordmans.
P.S. Een taalfout: gij hebt geschreven: de konijn, moet wezen: het konijn.
(AN)