533. D.C. Goedhart1 aan O. Noordmans
Hummelo, 14 oktober 1935
Zeer geachte praeses en broeder,
Niemand onzer kon op de laatste Regenboog-vergadering te Zelhem vermoeden, dat u binnen enkele dagen deze grote eer te beurt zou vallen. Maar we zijn er allen blij mee verrast en uw geluk mag ook ’n stukje van ons geluk wezen. Mag ik u ook hartelijk gelukwensen, en u a .s. woensdag een mooie, rijke dag wensen. Onwillekeurig denk ik aan de regels uit Ps. 84: ‘Hij zal genaad’ en ere geven.’2 Ieder van ons weet dat u deze eer als genade aanvaarden zult, en zó is de eer gefundeerd en beveiligd. Graag zouden we allemaal bij de plechtigheid in Groningen tegenwoordig zijn, Semmelink3 stelde dit voor, ik gaf als nieuw benoemd secretaris zijn plan door, maar ik vermoed dat het bij één afgevaardigde zal blijven. Persoonlijk zou ik heel graag gaan. Groningen is mijn academie, maar donderdag moet ik de hele dag naar Rotterdam en woensdag heb ik catechisaties. Ja, Semmelink heeft u al medegedeeld dat Gregory4 beslist van ’t secretariaat af wilde wezen. Toen heeft men mij, op een holletje, ná de lunch, aangewezen. Ik wil echter deze zaak tot de volgende vergadering aanhouden (2e vrijdag van november in Warnsveld).5 Zelf vind ik Mondt6 de aangewezen opvolger van Gregory en ’n ander zou dan ’t penningmeesterschap kunnen overnemen. In elk geval wil ik uw mening in dezen horen, alvorens definitief aan te nemen. Ik hoop er dus zeer op dat u op de november-vergadering kunt komen. Gerritsen7 zal daar de door mij in Zelhem ingezette bespreking over ’t 3e geloofsartikel voortzetten (dogmenhistorisch), Semmelink zal Matth. 1:18-25, het geboorteverhaal volgens Mattheüs, behandelen. U nogmaals ’n gewijde dag toewensend, met hartelijke Boog-groet, Uw
D.C. Goedhart.
(AN)