78. D. Eringa1 aan Oepke Noordmans
Leiden, 7 januari 1892
Waarde neef,
In de vacantie had ik er wel eens over gedacht om je een brief te schrijven, maar ik had het zo verbazend druk met allerlei dingen, dat ik er niet toe gekomen ben. Nu jij evenwel een brief gezonden hebt, wil ik niet nalaten ook een te schrijven. Toen je vertrokken waart ben ik in diezelfde week des vrijdags uit Waddinxveen teruggekomen. De daaropvolgende week heb ik besteed met mijn preek te maken. Juist des zaterdagsavonds was ik er mee klaar. Alleen moest ik haar nog netjes overschrijven. Prof. Offerhaus2 heeft haar toen een poosje gehad en zoals je weet, is de plechtigheid dinsdag 29 december geweest. Doordat ik nogal verscheidene kaarten rondgestuurd had hier in de stad aan mensen, die ik enigszins kende, waaronder vooral de familie Los, had ik nogal enige hoorders. Mijn paranimfen zijn geweest Tjalma3 en Voors.4 Met allerlei dingen had ik het druk, adressen der kaarten schrijven, de Doopsgezinde kerk aanvragen, enz.; terwijl niemand mij kon helpen; want Tjalma zat in Assen en Voors juist een dag of drie in Amsterdam. Tjalma had mij geschreven, dat hij dinsdagmorgen met de trein terug zou komen. Ik had hem het klad van mijn preek gestuurd. Voors en ik waren toen met het rijtuig aan ’t station, vandaar reden we dadelijk naar Offerhaus om die af te halen en daarna ging het naar de kerk. Hoewel ik er wel tegenop gezien had, was ik echter op de preekstoel zeer kalm. Mijn meisje was des morgens met de boot gekomen en ’s avonds ben ik met haar per spoor naar Waddinxveen teruggekeerd. Gisteren ben ik weer in Leiden teruggekomen en vond je brief liggen. De tekst 1 Joh. 2:17 heb ik gehouden. Mijn eerste punt was de eerste helft en mijn tweede, de tweede helft. Het geheel heb ik behandeld op de wijze, als wij reeds besproken hadden. Het gedeelte over Christus is echter betrekkelijk wel wat groot geworden. Zondagavond heb ik dezelfde preek te Waddinxveen gehouden. Ik zag daar ook wel tegenop, maar alles is goed gegaan. De kerk is daar tamelijk groot, maar men had mij toch in alle hoeken der kerk goed kunnen verstaan. Er kwam nog bij dat ik erg verkouden was. Nu maak ik vandaag voorbereidselen voor mijn reis naar Friesland. Als het geen stormweer is, ga ik over zee en stoom dan morgennamiddag ongeveer half twee jullie voorbij. Ik ga naar Oostrum en zal daar zondag preken. De daaropvolgende zondag te Engwierum of Oostermeer. Waarschijnlijk kan ik dan op de terugreis wel een of twee dagen bij jullie komen, wat ik gaarne doe. Maar ben je dan nog thuis? Ik kom dan des maandags of dinsdags (18 of 19 januari) waarschijnlijk. Toch zal ik vooraf nog wel nader een briefkaart schrijven. Voorlopig ben ik te Oostrum; indien je mijn adres wilt weten. Overal heerst de influenza; ook te Waddinxveen en hier te Leiden. De dochter van mijn hospita en De Hullu5 lijden op ’t ogenblik beide er aan. Ook Voors ligt te bed aan influenza. Het is te hopen, dat uw vader spoedig weer geheel hersteld mag zijn. Het schijnt dat mensen op leeftijd er het meest onder lijden. Dat Van Dijk en Anna een jonge zoon gekregen hebben, las ik te Waddinxveen in De Standaard.6 Smit7 heb ik gisternamiddag even gesproken. Hij is al weer terug en zou dadelijk na de vacantie (volgende week) examen doen; maar omdat hij in de vacantie de influenza gehad had, stelde hij het nu nog een dag of wat uit. Van Spoelstra8 weet ik niets. Het is hier verschrikkelijk doods, nu alle studenten zowat weg zijn. Ik snij er morgen maar gauw weer uit. Met Jan9 is alles nu vastgesteld, zodat ik 1 februari naar Engwierum verhuis. In ’t laatst van januari ben ik weer in Leiden; dan zie ik mijn testimonia te krijgen en geef mij 1 februari in den Haag aan voor ’t proponentsexamen. Ook maak ik dan alles gereed voor de verhuizing. Jan en Jacob10 hebben ook beiden de influenza gehad in de kerstdagen, zodat ze niet konden preken, maar ze zijn gelukkig weer hersteld. Gaarna hadden ze mijn hulp in die dagen gehad, maar ik kon het voorstel niet eerder doen. Wil oom en tante en verdere familie vooral van mij groeten. God zij u allen nabij ook in 1892. Na hartelijke groeten aan jou, uw toegenegen neef,
Dirk Eringa.
(AN)