B. Protestantse katholiciteit1
1
Wanneer men de woorden 'protestant' en 'katholiek'samenvoegt, schijnt men wel zichzelf tegen te spreken. Voor het gehoor van 'de man in de straat', zoals de Engelsen het publiek in doorsnee noemen, is dat tenminste zo geworden. Wij hebben de naam 'katholiek' wel niet officieel prijsgegeven, maar die schone naam is toch vrijwel op de achtergrond geraakt. Wanneer we die gebruiken, zover is 't gekomen, moet de uitlegging erbij; anders kweekt men misverstand.
Op zichzelf kan het verlies van een naam ons niet deren. Wanneer de zaak maar blijft. Het verlies van zulk een naam is echter niet geheel onschuldig. Wanneer schone, historische namen als 'katholiek' en 'gereformeerd' ons achtereenvolgens ontroofd worden dan hebben we daarin toch meer te zien dan een kwestie van woorden. Namen werken suggestief. Er gaat een zelfstandige werking van uit, buiten alle verklaring om. Een koningshuis dat David als zijn voorvader kan noemen staat steviger en is minder in gevaar voor revolutie dan een huis dat Jerobeam of Omri tot vader heeft.
Er komt echter nog iets bij. En dat is erger. Wij protestanten lopen gevaar te vergeten dat we belijden te geloven: een katholieke kerk. Het had er in de negentiende eeuw alle schijn van alsof 'protestant' wilde zeggen dat een iegelijk moet protesteren tegen z'n naaste. Het sektewezen is hand over hand gaan toenemen. In enigszins groter verband, waarin men niet altijd voetstoots z'n zin kan krijgen, voelen velen zich niet meer thuis. De zelfverloochening die er voor nodig is om een geheel leven lang borg te staan voor een vruchtbare idee, voor een zijde van de waarheid die vergeten wordt, schijnt menigeen te zwaar. Men wenst succes. En wanneer het niet anders kan, zal men dit trachten te bereiken door in kleine kring te doen zegevieren, wat in groter verband z'n tijd wil hebben.
Zó echter derft men de zegen. In iedere te kleine kring moet dit gevoeld worden. Het terrein waarop Christus ons geplaatst heeft, heeft niets benauwds. Wel echter wordt de atmosfeer benauwd overal waar men eigenmachtig de kring beperkt, 'waarin iemand werken moet'.a Daar wordt straks de stemming geprikkeld; de strijd gaat om bijzaken en beuzelingen. Ik betwijfel zeer of we er goed aan zouden doen de Twaalf artikelen in die zin te herzien dat we in plaats van een heilige, algemene christelijke kerk gingen belijden een heilige, pluriforme, christelijke kerk. ⚑Het is wel merkwaardig dat in deze maand juist uit het land der 'pluriformiteit', Amerika, een man tot ons komt die de wereld wil overtuigen van de protestantse katholiciteit. We bedoelen John Mott. John Mott komt in ons land lezingen houden voor studenten te Leiden, Amsterdam en Delft.
In de Nederlandsche Kerkbode2 van 27 januari jongstleden worden enkele aanhalingen uit een Frans tijdschrift gedaan, waarin de persoon van Mott op schone wijze wordt gekarakteriseerd. Wij willen er enkele zinsneden uit overnemen.
"John Mott", zo lezen wij, "sleept niet mede en maakt niet enthousiast. Hij is geen redenaar. Hij weet niet van het pathetische. Zijn gebaar is sober, zijn woord afgemeten, rustig; nooit een uitbarsting, een retorische zin. Geen losheid. Niets dan nauwkeurige, dwingende verzekeringen. Men zou zeggen een aanvoerder van het leger van Christus, achter het front van de strijd, die zijn orders geeft. Hij schept rondom zich verzekerdheid en stoutmoedigheid. Men voelt zijn onbuigzaamheid. Een bevelende plooi is in zijn voorhoofd gegroefd."
"John Mott", lezen we verder, "is geen redenaar; maar een karakter, een sterk en klaar karakter, bedwongen door God." De schrijver noemt John Mott 'de man van de dag van de protestantse katholiciteit'(wij cursiveren).
Men zou misschien kunnen menen dat dit in verband staat met Motts persoonlijkheid. Na wat we boven omtrent Mott hoorden, zou dit niet behoeven te verwonderen. Wie door God bedwongen zich Hem geheel ten dienste stelt en z'n talenten niet begraaft, krijgt macht over vele steden (Luk. 19 : 11-27). Onze schrijver meent echter dat het geheiligd karakter van Mott hier nog niet alles verklaart. Noch de kracht zijner overtuiging. Hij gelooft dat het de inhoud van zijn overtuiging is. Mott gelooft de 'evangelische eenheid, de evangelische katholiciteit. Hem is het ernst met de belijdenis van een heilige, algemene christelijke kerk.
Mott is van deze waarheid geheel doordrongen. Ze is in hem vlees en bloed geworden. Zijn invloed werkt op elk terrein verenigend. Is het niet een wonder dat de gehele christelijke studerende jongelingschap over de gehele wereld verbonden is? Dat alle zendingscorporaties beginnen zich met elkander in verbinding te stellen?
In het optreden van een man als Mott begroeten we een van de meest hoopvolle verschijnselen van onze tijd. Tegenover de Roomse Kerk heeft de wereld nodig een katholieke kerk. Niet een flauwe navolging van de ijzeren organisatie van Rome, maar een meer levende, spontane eenheid, die gewekt wordt door een bezielende werkzaamheid.
2
John Mott, die thans in ons land vertoeft, werd genoemd de man van de protestantse katholiciteit. Toen we ons vorig artikeltje schreven, werd hij nog verwacht. Thans is hij in ons land. Te Rotterdam heeft hij dinsdagavond 13 februari een rede over de zending gehouden.b
"Kloek en fors bouwde hij zijn zinnen, kalm en zakelijk, met nu en dan een climax, waarin met verheffing van stem en krachtig gebaar de hoorders wat hij op 't hart had met gezag werd opgedrongen, en men gevoelde, dat a profound passion'c voor het zendingswerk hem bezielde."
Mott heeft op z'n reizen 2000 zendelingen leren kennen. Bij geen ambt heeft hij zoveel voortreffelijke mensen gevonden als bij de zending. Zendelingen en de nood der niet-christelijke volkeren roepen om hulp. Mott wijst erop dat de strijd der niet-christelijke volkeren zwaarder is dan de onze. Want wij hebben onze christelijke opvoeding en omgeving en bovendien hebben zij te worstelen met allerlei andere kwaden, die wij niet kennen. Mott wijst erop dat in China 30 procent van de bevolking aan opium verslaafd is.
Mott zegt dat de niet-christelijke volkeren zonder hoop in de wereld leven. Hij zegt dat niet als uit de verte, vanuit de studeerkamer, maar hij heeft het gezien, over de gehele aarde. Dat geeft aan zulk een uitspraak nieuwe kracht en betekenis.
Dat de revolutie in China thans zoveel minder bloedig te werk gaat dan indertijd de Bokseropstand, schrijft Mott aan 't christendom toe. De leiders van de revolutie hebben in Japan gestudeerd en daar de invloed van 't christendom ondergaan. Dr. Soen Jat-sen, de leider der opstandelingen, is een christen-leerling en Juan Sje-k'ai laat twee van zijn zoons opvoeden door een zendeling.3
Merkwaardig is, wat Mott verder zei van de noodzakelijkheid der zending voor ons zelf. Zending is zelfs nodig uit zelfbehoud, al mag dit natuurlijk niet het motief zijn. Mott meent dat anders 't christendom zelf gevaar gaat lopen. De wereld is één lichaam geworden.
Deze dingen zijn niet nieuw. Men kan ze wel hier en daar in de boeken vinden. Hun werkelijke betekenis krijgen ze echter wanneer ze gezegd worden door iemand in wiens mond ze geen frase zijn, geen retoriek. Die ze in alle eenvoud, uit eigen ervaring, onder z'n gehoor neerlegt. Mott kent natuurlijk dr. Soen Jat-sen heel goed. Het zal een persoonlijke kennis van hem zijn. We achten dat althans waarschijnlijk. Hij spreekt over Peking en Yokohama zoals wij over Amsterdam en Rotterdam. Hij heeft er vrienden wonen. China en Japan, voor korte' tijd nog bijna fabelachtige rijken, beginnen thans een geestelijke gemeenschap te vormen met de christelijke cultuurlanden. De meest op de voorgrond tredende mannen kennen elkander, oefenen invloed op elkaar.
Hier beginnen nu sommige vruchten te rijpen op geestelijk terrein, ten gevolge van de grote stoffelijke ontwikkeling der negentiende eeuw. Die reusachtige stoffelijke ontwikkeling heeft moeilijke vragen in 't leven geroepen. Welk een onderscheid op een grote stomer tussen de luxe die de eerste klasse passagier ten dienste staat en de behuizing van menig werkman op hetzelfde drijvende kasteel. Maar ook brengt datzelfde schip dr. Mott en dr. Soen Jat-sen gemakkelijk tot elkander. De invloed van dat laatste is merkbaar in de geschiedenis onzer dagen. China is verlost uit z'n isolement. Maar daarmee, al moge onze ijdelheid zich tegen die gedachte verzetten, daarmee ook onze westerse cultuurlanden. Het zou zeer goed kunnen zijn dat het grote rijk, dat in onze dagen bezig is zich uit eeuwenoude windselen los te maken, niet alleen een geel gevaar, maar ook een gele zegen kan betekenen voor het westen. Allerlei vragen die in kleine kring als hoogst gewichtig zich voordoen, zullen, als ze op 't wereldtoneel ter sprake komen, als onbetekenend wegvallen. In Peking of Yokohama zal men zich wel nooit laten wijs maken dat het verkeerd is in een bijeenkomst der christelijke gemeente een kerklied of gezang aan te heffen. Comrie en Appelius4 zullen er wel nooit een herdruk beleven. Calvijn en Luther zullen echter niet vergeten worden, maar meer nog en met nieuwe gloed zal de Heilige Schrift er zijn werk weer beginnen en het Evangelie van Jezus Christus een kracht Gods tot zaligheid blijken te zijn.
Dit alles klinkt wat fantastisch. Ik stel mij echter voor en daarom spijt het mij dat wij niet in de gelegenheid zijn Mott te horen, dat men Mott horende spreken er een levendige indruk van krijgt.
Voor ieder huisgezin, voor iedere kring, voor iedere kerk, voor ieder land is nodig een open deur naar buiten. Contact met de wijde wijde wereld. In iedere gesloten kring ontstaat prikkelbaarheid. Toen Nansen5 'in nacht en ijs' de winter doorbracht in de poolstreken, werden hij en de zijnen tenslotte zo prikkelbaar door het geslotene van hun kring dat ze hun wandelingen liefst alleen maakten, elk een kant uit. De kerkgeschiedenis laat ons op menige bladzijde iets dergelijks zien. Het is zeer goed mogelijk dat menige moeilijke kwestie, waarop wij thans onze tanden stukbijten, zeer gemakkelijk zal worden opgelost wanneer het terrein waarop die vragen gesteld worden wat groter wordt. In elk geval zal dat kunnen bijdragen tot verruiming van hart en verstand.