C. De brochure-Hulsman1
1
Het is reeds geruime tijd geleden dat de bekende brochure van ds. Hulsman over het ethisch beginsel het licht zag. Thans is daarvan een tweede druk verschenen tegelijk met een beantwoording dergenen die hun gedachten over ds. Hulsmans arbeid hadden publiek gemaakt. Ds. Hulsman betitelt dit verweer: In de distelen en de doornen.2 Laatstgenoemde titel wijst op scherpe punten die de schrijver hebben gewond. Het is dan ook niet te ontkennen dat er in de bespreking van het geschrift een zekere animositeit heeft geheerst. Persoonlijke incidenten kwamen erbij voor die de zaak minder verkwikkelijk maakten dan bepaald nodig was. Een geestig, maar ietwat uit de hoogte geschreven artikel van dr. De Sopper in de Nederlandsche Kerkbode van 9 december nam bijna een loopje met de brochure en schreef als diagnose: 'Fenomenale naïviteit'.a
We kunnen ons wel indenken dat ds. Hulsman over sommige zijner beoordelaars minder gesticht is. Toch heeft hij, naar het ons voorkomt, geen reden er al te geraakt over te zijn. Wie op zulk een, wij zouden willen zeggen hyper-joviale wijze, al is het dan ook met de beste bedoelingen, maar dan toch klappen uitdeelt, heeft niet het recht een al te verwonderd gezicht te zetten wanneer een enkele de vriendelijke bedoelingen niet direct inziet.
Intussen gaat het hier niet om persoonlijke gevoeligheden, maar om een vraag die bij uitstek actueel is. Dr. Aalders3 wijst erop in een voortreffelijk artikel in de Nederlandsche Kerkbode van 2 maart, dat de vraag of de nieuwere bijbelbeschouwingen verenigbaar zijn met het geloof der gemeente een aantal andere vragen insluit als bijv. 'Welke is de waarde van het gezag op religieus terrein?', 'Is het geloof aan zekere historische feiten en personen gebonden?', 'Zijn waarheid en leven tegenstellingen, of onderstellen zij elkander?'.
Over dergelijke vragen is zeer goed een principiële bespreking mogelijk zonder dat zulks voor iemand ter wereld onaangenaam behoeft te zijn. Want zo gemakkelijk als ds. Hulsman de oplossing verkrijgt, geloof ik niet dat ze te hebben is. Onze Geloofsbelijdenis spreekt van drie wortelen, waaruit de gemeente voor haar geloofsleven haar voedsel trekt: bijbel, belijdenis en persoonlijke ervaring. Ds. Hulsman ziet dat er in onze dagen bij menigeen, wat de voeding uit bijbel en belijdenis betreft, moeilijkheden bestaan. Welnu, zo luidt zijn wel wat radicale raad, doe zoals ik en snijd bijbel en belijdenis weg: "Een ethische, die de kritiek aanvaardt, kan slechts leven uit de waarheid, die God openbaart in zijn binnenste."b
Nooit zal echter deze raad zonder grote schade door iemand kunnen worden opgevolgd. Toont ook ds. Hulsman niet dat hij behoefte heeft aan een zekere consensus door voor zijn brochure een zo talrijke lijst van namen af te drukken?2 'Eines Mannes Rede ist keines Mannes Rede.'c
De belijdenis der kerk geeft steun aan de zwakke belijdenis van de enkele. De openbaring Gods in bijbel en kerk gaat aan zijn openbaring in de gelovige vooraf en wekt met een zeker gezag middellijk weerklanken in het hart van de enkele. Nu kan over de aard van dit gezag verschil bestaan. Zo slechts dit gezag blijft bestaan. Een zo natuurlijke en voor zichzelf sprekende trilogie als die van bijbel, belijdenis en ervaring kan wel innerlijke wijziging ondergaan, maar niet verdwijnen. A priori moet ieder gevoelen dat wanneer de gemeente alleen op innerlijke ervaring is aangewezen ze haar geloofsinhoud zal zien slinken.
Een brochure als die van ds. Hulsman is altijd koren op de molen van mensen die gaarne zeggen: of - of. 't Een of 't ander. In zulk een geval doet men 't best met te zeggen: geen van beide. Er is geen terrein waarop een zo goedkope logica gebruikt wordt als juist op 't hoogste levensgebied, op 't gebied van 't geloofsleven.
Bij de bespreking van maatschappelijke vraagstukken is het ook niet altijd even gemakkelijk de toepassing van de Schrift te vinden. Zeer moeilijk is de vraag, welke betekenis het Oude Testament heeft voor het sociale leven van de nieuwe tijd. Allerlei overwegingen komen erbij te pas wanneer we Jezus' woorden in de bergrede als richtsnoer willen nemen voor het onderling verkeer onder de mensen. Zou iemand daarom nu echter de raad geven het Oude en Nieuwe Testament geheel ter zijde te stellen?
Een belangrijke vraag is of de sanctie die de christelijke kerk altijd heeft gegeven aan het privaatbezit dit laatste stempelt tot een kerkelijk-maatschappelijk dogma, zoals de Roomse Kerk heeft gedaan. Ons protestanten gaat zo iets nooit zo grif af. Maar betekent daarom voor ons de christelijke praktijk niets meer en zijn we nu geheel op ons goeddunken aangewezen? Op welke wijze de christelijke waarheid vat moet krijgen op het staatkundig leven, is een moeilijke en niet in 't minst in onze tijd zeer actuele vraag. Er is echter niemand die eraan denkt het aan gebrek aan eerbied voor de bijbel toe te schrijven wanneer men hier zijn bedenkingen heeft en z'n voorbehoud maakt en het verschil in tijd en bedeling laat gelden.
Zodra het echter geldt de verhouding van de bijbel en de belijdenis tot het persoonlijk geloofsleven verandert alles. Hier moet nu plotseling alles helder, klaar, gemakkelijk, afgepast zijn. Hier worden geen overweging, geen voorbehoud, geen tijd van beraad toegelaten. Hier mag niets in staat van wijzen zijn, mag geen omschrijving gebruikt worden, maar moet op ieder uur van de dag en op elke tijd des levens en bij iedere stand van de kwesties alles kort, zakelijk en krachtig gezegd kunnen worden. Dat dit niet altijd gaat, dat er allerlei zich schift, dat er innerlijke beweging is in de inhoud van 't christelijk geloofsbewustzijn, is de oorzaak van het doorgaand ongeduld in de brochure-Hulsman.
Mij komt dit ongeduld zeer ongerechtvaardigd voor.
2
Er zijn verschillende redenen waarom het ongeduld, dat in de brochure-Hulsman zo sterk op de voorgrond treedt, mij ongerechtvaardigd voorkomt. In mijn vorig artikel wees ik een van die redenen aan. En wel deze, dat op menig ander gebied de aansluiting aan Schrift en belijdenis niet zonder moeite gevonden wordt. Op sociaal en staatkundig terrein gaat dit al zoekende en tastende. Waarom, zo vroegen we, mag dit niet in 't persoonlijk geloofsleven? Alle geestelijk leven heeft een zekere speelruimte nodig. Wie daarbij een zwart gezicht zet, is slecht op de hoogte van de voorwaarden die elke geestelijke groei eist. Alleen de Roomse Kerk, die zich met een goedgelovige gemeente tevreden stelt. kan ertegen zijn dat er in het geestelijk zich toeëigenen van Schrift en belijdenis een zekere bewegelijkheid en bij tijden onzekerheid heerst. Wie een gelovige gemeente wenst, ziet in dat dit niet anders kan.
Mij moet dan ook een bescheiden protest van 't hart tegen de wijze, waarop door menigeen naar aanleiding van geschriften als van ds. Hulsman over mannen als Gunning, Valeton en anderen wordt gesproken. Naast God is het aan zulke mannen te danken dat de breuk tussen bijbel en confessie enerzijds en de gemeente anderzijds niet groter is. Niemand denke te gering over wat er vereist wordt om in een tijd waarin de wateren der wetenschap hoog gaan de aansluiting te bewaren aan het geloof der christelijke kerk. Wat in de oudheid Augustinus en later Thomas Aquinas heeft gedaan, de onstuimige wateren der wetenschap leiden in christelijke bedding, dat wordt in onze dagen nog eens gevergd. Om in zulk een tijd op enkele punten te wijzen waar iemand zich tegen spreekt, of schijnt tegen te spreken, lijkt mij een al te gemakkelijk spel. Moeilijk kan men beweren dat de gezochte eenheid reeds gevonden is. Maar elke eenheid die daartoe kan helpen. verdient lof en geen blaam. Iedereen kan weten welk een verwoestende werking de wetenschap op het geloof en het gebed in grote kringen heeft gehad wanneer ze buiten verband met Schrift en belijdenis als een bedwelmende drank de mensen naar het hoofd steeg en opgeblazen maakte. Wie heeft nooit een hogere burgerscholier ontmoet die sedert hij de naam van Darwin voor't eerst hoorde zijn neus omhoog stak en er verder bij bleef: er is geen God!? En wie bleef z'n gehele leven lang verschoond van de ontmoeting met een of ander 'neutraal' mens wie sedert hij de naam van Multatuli hoorde het gebed in de mond bestorven was?4 In zulke ogenblikken kan men zich overtuigen hoe benevelend alle kennis werkt die niet opgenomen wordt in de grote samenhang der kennis Gods. Als de alcohol die uit het voedzame koren gedistilleerd verderft in plaats van onderhoudt.
Aan zulke dingen hebben schuld degenen die in de handen klappen wanneer een brochure als van ds. Hulsman verschijnt waarin de ethische richting afgestraft wordt. De ethische theologen immers hebben een oog gehad voor de eis om de eenheid te vinden tussen Schrift en belijdenis en wetenschappelijke arbeid. Dat is het gemeenschappelijk kenmerk dergenen die tot die geestesrichting gerekend worden te behoren. Allerlei andere kenmerken die wel eens genoemd worden, als bijv. het plaatsen van de heiligmaking voor de rechtvaardigmaking en van leven voor waarheid, zijn onjuist. Tot de zgn. ethische groep behoren stoer-gereformeerde geesten.
Het is er echter om te doen dat allerlei arbeid die er verricht is, wordt opgenomen in de gemeenschap van Christus. Gebeurt dat niet dan hebben de vruchten van die arbeid een schadelijke invloed. Iedereen kan weten hoe wetenschappelijke en sociale theorieën de harten van Christus kunnen vervreemden. Daartegenover een bloot-conservatieve houding aan te nemen brengt de kerk zo grif als twee maal twee vier is buiten het leven van onze tijd. Op sociaal gebied is dr. Slotemaker de Bruine een voorbeeld van betekenisvolle arbeid in bovenbedoelde zin. Meer voor het kerkelijk en persoonlijk leven noemden we boven de namen van Gunning en Valeton. De eerste meer een bespiegelende, de laatste een meer praktische en gemoedelijke geest. Maar beiden hebben het hunne bijgedragen om het mogelijk te maken dat zeer velen die anders de weg van ds. Hulsman zouden zijn gegaan bijbel en confessie meer lief kregen dan ooit te voren.
Dezer dagen heb ik er het vriendelijke en zachte gezicht van prof. Valeton nog eens op aangezien, zoals ik het uitgeknipt uit Het Penningske5 in enkele huisgezinnen in mijn gemeente op de schoorsteenmantel zag. En ik heb mij geërgerd toen ik in De Nederlander las dat ds. Goslinga bij zijn intrede in de gemeente te Utrecht meende te moeten beginnen met te bidden om een Gereformeerd professor in de vacature-Valeton.6 Had hij dat, wanneer hij het zo graag wilde, niet thuis kunnen doen? Is zo iets niet hoogst onkies tegenover de nagedachtenis van de ontslapene? ⚑De arbeid der zgn. ethische theologie is voor onze kerk een zegen geweest. Haar bedoeling is niet ongereformeerd te zijn. Zij arbeidt er juist aan om gereformeerd te kunnen blijven. De grief der vrijzinnigen tegen haar is juist dat ze de band met de belijdenis niet doorsnijdt.
Intussen is het gemakkelijk om te zeggen wat gereformeerd was in de bloeitijd van onze oude theologie. Dat is een historische vraag. Wat de bijbel en de kerk ons thans te zeggen hebben, dat is een levensvraag. Is de lezer daar al geheel mee klaar?