Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 1 · p. 102–115

Weergave

Catechismusprediking1

Enige tijd geleden viel mij het voorrecht te beurt een paar dagen, waaronder een zondag, in Heidelberg te mogen doorbrengen.

"Alt Heidelberg du feine
Du Stadt an Ehren reich
Am Neckar und am Rheine
Kein andre kommt dir gleich."

We wensen ons in het schoonheidsgeding dat in de laatste regel aan het woord komt geen partij te stellen. Van Homerus' tijden af is het een zich telkens weer voordoende geschiedenis dat verschillende steden elkander de een of andere prijs betwisten. En een beslissen in een schoonheidswedstrijd sleept sedert eeuwenheugenis droevige gevolgen achter zich. Maar gerust mag gezegd worden dat de aloude keurvorstelijke residentie, beheerst door de machtigste ruïne van Duitsland, wel geschikt is het hart van ons, bewoners der vlakke velden van Friesland, met blijdschap en bewondering te vervullen. De stad zij bij deze aan mijn collega's aanbevolen.

Onder de doodenkele gebouwen die in het einde van de zeventiende eeuw ontsnapten aan het vandalisme van de legers van de allerchristelijkste koning Lodewijk XIV, koning van een natie die zich gaarne een leidende rol toekent in de gang der beschaving, maar wier verwoestingen in dit gedeelte van Duitsland misschien alleen door die der Hunnen worden overtroffen, onder de enkele overgebleven gebouwen behoort ook de Heilig-Geist Kirche. Ze wordt gedeeltelijk door de protestanten, gedeeltelijk door de oud-katholieken gebruikt. Door de vriendelijke hulp van collega De Vries was het mij op 1 augustus jl. des morgens mogelijk daar een dienst bij te wonen. Ik hoorde er een sociale preek over de bekende perikoop uit de Jakobusbrief, betrekking hebbende op de achterstelling der armen in de gemeentelijke samenkomsten (Jak. 2 : 1-13). Op mijn informatie bij de koster of ook catechismus gepreekt werd, ontving ik geen duidelijk bescheid. Hetzij ik bij mijn informeren enigszins nalatig geweest ben, of dat de informaties niet duidelijk waren, ik heb die middag geen catechismus gehoord en weet tot op de huidige dag niet of die nog in Heidelberg verklaard wordt. Misschien ook had het slot daaraan schuld dat mij naar boven wenkte en de heerlijke oevers van de Neckar die uitnodigden tot een zondagmiddagwandeling. Zondagmiddag van 1 augustus was een unicum in deze zomer en niet gemakkelijk zal ik de heerlijke tocht vergeten, eerst naar het slot tot op de 500 meter hoge Kuh-Kopf, dan langs de Neckar naar het twee en een halve kilometer hogerop gelegen Neckargemünd. Een vriendelijke jonge Duitser die een bezoek ging brengen aan 'seine Braut' op genoemde plaats was zo goed mij de weg te wijzen en zeer opgewekt gingen wij samen, hij in het vooruitzicht zijn meisje te ontmoeten, ik opgetogen door het heerlijke panorama.

Maar hoe het komt weet ik niet, maar sedert die middag gevoel ik mij enigszins beschaamd, wanneer ik de oude Heidelberger opsla, heb ik zekere 'Gewissensbisse' onder de zondagmiddagdienst, als ik het boekje verklaren moet, vooral als er weinig mensen zijn. Het is een soort boete die ik doe, wanneer ik thans uw aandacht vraag voor het onderwerp: catechismusprediking, in de hoop weer op goede voet te komen met het oude leerboek. Ik hoop dat straks uw op- en aanmerkingen mij deze boete niet te gemakkelijk zullen maken.

En daarom nu terzake! Alles wat op het ontstaan van de Heidelberger catechismus betrekking heeft, laten we thans terzijde. Iedereen kan het nalezen bijv. in Bargers leerboek,2 uitvoeriger in Gooszens Heidelberger Catechismus,3 of bij Doedes4 en vele anderen. Wij nemen thans het boekje kant en klaar.

Ik stel mij ook niet voor iets te zeggen over de wijze waarop in verschillende tijden over de catechismus werd gepreekt. Zoiets zou een aardig onderwerp van studie zijn dat allicht tot een niet onaardige schets aanleiding kon geven, waarvan ik niet durf beslissen of ze wel eens gegeven werd. Wie er prijs op stelt een volledige collectie catechismussen te bezitten zal goed doen een goede plank in zijn boekenkast daarvoor te reserveren want er zijn er heel wat. Tot geruststelling van de verzamelaar kunnen we er echter bijvoegen dat veel bundels voor enkele stuivers te koop zijn, of ook wel gratis door de bezitters worden afgestaan. Hiermee wil niets ten nadele gezegd zijn van de goede bundels.

Men kan wat men in die wijde zin een catechismus noemt indelen in verklaring- en preekbundels. Onder de eerste noemen we het Schatboek van Ursinus5 natuurlijk het eerst. Voor ons land is zo ongeveer de officiële kerkelijke verklaring die van Bastingius (een arbeid ontstaan door samensmelting van zijn arbeid met die van Corputius).6 Ze is ontstaan op verzoek van de synode van Middelburg in 1581 en is maatgevend geworden voor de catechismusverklaring in ons land. Ieder die enigszins op de hoogte is met de zgn. oude schrijvers herinnert zich verder de namen van Van der Kemp, Curtenius, Smytegelt, d'Outrein en vele anderen.7 Welke reeks in de negentiende eeuw werd voortgezet door Knap, Koorders, Van Oosterzee, bundels leerredenen, terwijl dr. Kuyper in E voto Dordraceno weer een volledige verklaring gaf.8 Op zichzelf vormt dit alles een vrij uitgebreide literatuur. ⚑Evenmin als wij deze bundels en verklaringen willen opslaan, zullen we ons bezighouden met de vraag naar de plaats die aan de catechismus toekomt onder de verschillende nuances in de geestelijke stromingen van de hervormingstijd. Bekend is in dit opzicht het onderzoek van prof. Gooszen, de trots van zijn hooggeleerd, goedmoedig professoraal leven. Het resultaat van deze geleerde, die de richting een soteriologisch-bijbelse noemde en die het boek in nauw verband bracht met Bullinger, is echter niet onweersproken gebleven. Wij laten al deze vragen rusten, tenminste brengen die niet opzettelijk ter sprake. Het is slechts onze bedoeling in de engste zin iets te zeggen over catechismusprediking en sommige opmerkingen die we voor ons zelf wel eens maakten in uw midden ter opening van een gedachtenwisseling neer te leggen.

Wij beginnen met de vraag: is het gewenst de zondagmiddag te wijden aan de verklaring van de catechismus? En dan moet hier een historische herinnering voorop gaan. De verplichting tot het prediken van de catechismus werd aangenomen door de nationale synode te 's-Gravenhage in 1586. Deze bepaling is echter niet zo maar voetstoots doorgegaan. De synodale acta voor en na 1586 tonen op menige bladzij dat ook in dit opzicht de Reformatie niet zonder moeite doorwerkte. Allerlei oude, ingewortelde toestanden stonden haar in de weg en op menig punt is, wat in de Gouden Eeuw een wens was, pas in onze tijd werkelijkheid geworden. Zo heeft het ook tot op de synode van Dordt geduurd voor vrij algemeen de catechismusprediking op de zondagmiddagen was ingeburgerd. Er waren verschillende bezwaren. Sommigen zeiden: alles goed en wel! Ik wil wel, maar ik sta in een gecombineerde gemeente. Moet dan de ene plaats, waar ik 's middags ben, enkel catechismus horen? Dan moet ge het om beurten doen, zo besliste herhaaldelijk een synode. De synode van 1574 te Dordrecht vond het zelfs gewenst om na het Avondmaal 's middags de catechismuspreek te doen doorgaan." Anderen zeiden: maar er komt niemand in de kerk! Ook voor hen had de kerk een antwoord: de synode te Deventer anno 1609 vermaande:

" ... dat volgents d'ordre, in synodo nationali, op alle
plaetsen soowel in de dorpen als steden, op de Sondagen des
namiddaechs de Catechismus sal geleert worden sonder ije
mants uijtneeminghe, al waert oock dat niemandt meer ter
kercken en quaeme dan de predicant ende schoelmeester met
haere huisgesinnen ende schoolkinderen."

Men wendde zich tot de overheid om steun: een provinciale synode in Overijssel in 1620 verzocht onder meer ten opzichte van:

"De onderhoudinge ende frequenteringe der Catechismus-
praedicatien. Sall int placcaet mede gedacht worden. dat
onder deselve praedicatie nijet getapt worde."

Dit herinnert mij aan een ervaring in Zurich onder de vorige vacature, toen ik uit de kerk komende op de volgende wijze werd toegesproken: 'Bliid dat dûmny dien hat. De keatsers wachtsje der op.' Een verbod om te tappen bracht echter alle onwilligen niet ter kerke. En daarom werd in 1583 op de synode te Doesburgch de wens uitgesproken:

" ... dat die predige der Catechismi op den dorperen muchte ingefuret werden. Und opdat sulcks fuglick geschiede is van noeden, das van dem magistraet den officirn operleght werde, die huijsluijten des morgens oder naemittages, daernaer die gelegentheit des plaetses sulckes vordert. daertoe te halden."

Hier kwam het dus althans in de synodale wens tot een: dwingt ze om in te gaan, en zou in plaats van het schone vers:

"Ik ben verblijd, wanneer men mij
godvruchtig opwekt: Zie wij staan
gereed, om naar Gods huis te gaan."

meer gevoeglijk kunnen worden begonnen met het psalmvers:

"Bindt d'offerdieren dan met touwen
tot aan de hoornen van 't altaar."

Of een dergelijke drijfjacht wel eens heeft plaatsgehad, weet ik niet.

De meesthardnekkige tegenstand tegen de synodale besluiten werd te Gouda geboden, in de vergaderbak der ketteren. De oud-monnik Hermannus Herbertss9 was hier predikant. Van lange adem zijn de onderhandelingen gevoerd door de Zuidhollandse synode en hem en de overheid te Gouda. De geschiedenis begon na het besluit van 1586. Op een synode te Delft werd over Gouda geklaagd. Uitgezonden deputaten ontvingen ten antwoord dat men bereid was catechismus te preken. Maar eerst moest de brief van Petrus uit zijn waarmee men bezig was. In 1589 vergaderde men in het broeinest zelf, in Gouda. Nog geen catechismusprediking. De Petrusbrief zou toch nu wel uit zijn. 1590: nog is de brief niet uit. In 1591 komt er tenslotte iets dat op een verklaring gelijkt: alles was in orde; wat echter de catechismus betrof, zo verklaarde men aan de synode van 's-Gravenhage van dat jaar, men liet de prediking daarvan niet na 'wt verachtinge maer om der stichtinge willen'. We gevoelen: hier moet iets achter zitten. En dat iets is het calvinistisch cachet, dat de catechismus draagt. Dat was niet naar de smaak van Herbertss. Er is zo iets onzegbaars tussen Herbertss en de synode, want in 1592 antwoordt hij dat hij er niet tegen is als het recht geschiedt. Ge gevoelt, hier liggen voetangels en klemmen over het karakter waarvan zich niemand licht zal vergissen die iets van de geestelijke stromingen weet, die straks heenleiden naar de synode van Dordt. De overheid steunde Herbertss. De synoden zijn dan eens verwijtend, dan mild en soepel. Tegen de overheid zegt ze: handen thuis. Aan Herbertss merkt ze op, dat het niet te doen is om juist deze vragen en antwoorden, maar dat van de dagen der apostelen een aaneengeschakelde voorstelling der hoofdwaarheden altijd aan de gemeente is voorgehouden. De synode stelde hem voor, hoeveel het zou bijdragen aan zijn goede naam buiten Gouda, wanneer hij er toe overging. Al verder vermaande de synode hem, toen ze haar zin niet kon doorzetten omdat de overheid Herbertss steunde, zich met zijn verklaringen van de vijf hoofdstukken te houden zo dicht mogelijk bij de stijl van de voorstellingswijze van de Heidelberger. Hoe lankmoedig de synoden zich echter betoonden, toch kon dit niet verhinderen, dat de bom de verkeerde kant uit sprong. Het liep uit op de opstelling van de bekende Catechismus van ter Gou.10 Maar we laten deze affaire verder rusten. In haar verdere ontwikkeling gaat ze ons niet aan.

We moeten echter nog even wijzen op een eigenaardig gebruik bij de catechismusprediking dat vrij algemeen in zwang schijnt geweest te zijn. Het betreft de voorlezing van de vijf hoofdstukken der christelijke religie. De synode van Campen o.a. van 1593 bepaalde:

"Diewijle tott die Catechismi praedicatie des Sondages veele jonge personen verschijnen, weijnich of niet erfaren zijnde in stucken der christelycker religion, is goetgevonden dat, so het die tytt eenichsins mach, dienaers na haer discretie die viff hooffstucken dess Catechismi die ghemeenten voor die predicatie na older manieren voorlesen, ten eijnde alle toehoorders door lange gebruijck daerin gewinne ende dieselvige uthwendich lehren mogen."

We zullen hier wel niet mistasten wanneer wij aannemen dat hiermede bedoeld zijn de Wet, de Twaalf artikelen, de instellingswoorden van Doop, van Avondmaal, en het Onze Vader. Ik moet bekennen dat ik verrast was. toen ik een paar dagen geleden deze dingen nasnuffelende tot de ontdekking kwam dat de voorlezingen van Wet en Twaalf artikelen in onze godsdienstoefeningen, op de meeste plaatsen wet van Meden en Perzen, resten zijn, overblijfselen van een oud gebruik van veel groter omvang. Thans leest men ‘s morgens de Wet, 's middags de Twaalf artikelen. Men heeft de lezing verdeeld en toch nog Doop, Avondmaal en Onze Vader er afgelaten. Wanneer dit juist is, en er kan wel geen twijfel aan zijn, valt er een geheel ander licht op deze handelingen. Het was, zoals de synode van Campen ons leerde, om ze de jonge mensen van buiten te leren, aansluitend aan het catechetische karakter van de middaggodsdienstoefening. Men heeft er van gemaakt een palladium van rechtzinnigheid en met name in de voorlezing van de Wet iets bijzonders gezocht, waar de Wet of als tuchtmeester tot Christus moet aangemerkt, of anders aan het slot zou moeten gelezen. De lezing van de Twaalf artikelen draagt bij ons een weinig duidelijk karakter. Geloofsbelijdenis is het niet en voor oriëntering op de preek is het onvolledig. Ik ben door deze ontdekking bevestigd in mijn gevoel dat mij er steeds in deed zien een oud gebruik, aangehouden zonder veel zin en betekenis, waarom ik het meestal naliet, het in sommige gemeenten uit beleefdheid toeliet. Mijn historische uitstap moet echter broodnodig afgebroken worden, zal er nog tijd overblijven voor de beloofde opmerkingen.

Ik vraag daarom: had de kerk gelijk met haar aandrang tot het houden van catechismuspreken? En daar aarzel ik geen ogenblik met volmondig ja! te antwoorden.

Ik wil u zeggen, waarom. In de eerste plaats zou ik er niet gaarne toe overgaan van een ander gevoelen te zijn dan de synodes van drie eeuwen in onze Nederlandse Hervormde Kerk. Wat 'de gereformeerde kerk van alle tijden' heeft gezegd, is meer dan een peuleschilletje en men doet wel zich goed te bedenken voor men van een ander gevoelen is. Maar dit ontheft ons niet van de roeping zelf overtuigd te zijn van het voor en tegen. Welnu, we willen het gewenste van de catechismusprediking eerst bezien uit het oogpunt, waaruit de synode van Leiden de zaak bezag:

" ... Hermannus (is) mede vermaent, hoewel het leeren des Catechismi op den predickstoel, in sulcke forme van vraghen ende andtwoorden ghestelt, in hemselven gheen bevel heeft in de heylighe schreftuere, dat nochtans een forme van Catechismus, dat is van een sommier vervat der fondamenten der christelycker religie in de kercken te hebben ende te leeren een apostolisch ghebruyck is, als blyckt uyt Heb. 6 : 1, ende t'allen tyden in de kercke is onderhouden . . . "

Dit behoort volgens de synode niet tot de adiaphora, niet tot de middelmatige dingen. We willen nu niet spreken over systemen, maar geheel praktisch, zoals hier is aangegeven, een 'sommier vervat der fondamenten der christelycker religie in de kercken te hebben'. Daarop wil ik thans de nadruk leggen. Wij hebben niet het perikopenstelsel in onze kerk. Dat heeft zijn voor. Er is ruimte gelaten voor afwisseling. De individualiteit van de prediker mag zich ook in de keuze van de stof uiten. Dit zal allicht de behandeling ten goede komen. Maar het heeft ook zijn schaduwzijde. Er bestaat gevaar dat alle eenheid in de prediking gemist wordt. De gemeente begeert opgebouwd te worden. zegt J. H. Gunning11 in de voorrede van zijn prekenbundel God is liefde, en hoe kan dat geschieden, wanneer zij nu eens in de geslachtsregisters der aartsvaders, dan weer in de hoornen van het apocalyptisch beest, een ander maal weer tussen de leliën van de mystieke bruidegom wordt rondgeleid, zonder enig vast plan. Hós efa.

Aan dit bezwaar komt nu wel ons kerkelijk jaar tegemoet en ook zou desnoods een reeks vervolgstoffen hierin enige orde kunnen scheppen, maar ook zo blijven allerlei onderwerpen van de prediking uitgesloten en komt het niet tot een uiteenzetting van de christelijke waarheid in enig organisch verband. En zulk een verband heeft toch ieder christen nodig te kennen, opdat hij wete, dat ook de herschepping geen chaos, maar een kosmos is. Neem hierbij nu nog in aanmerking, hoe menig prediker maar één snaar op zijn instrument heeft, of altijd ellende predikt, of steeds de rechtvaardigmaking, of altijd op de dankbaarheid komt, dan springt het in het oog, hoe goed het is dat althans voor één dienst een organische behandeling tegelijk tot eenheid en veelzijdigheid dwingt. Dit kan niet anders dan stichtelijk zijn en de gemeente bouwen.

Onder de redenen, waarom we de catechismusprediking zo gewenst vinden, zouden we ons nog eens willen bedienen van een zinsnede uit het rapport van de gedeputeerden te Dordrecht, waar gezegd wordt, dat het is

" ... oock tot groote nutticheydt ...., insghelycx dienende tot volcommen ende vaste eenicheydt, tot wechneminghe van alle quaet vermoeden ende oock erghernisse . . . " De catechismus kan, doordat hij gepredikt wordt, in de rechte zin een formulier van enigheid zijn. Er is in de kerk altijd groot geluid om die formulieren van enigheid. En toch kwam het voor, in de tijd der Doleantie, en zou het ook nu en nog in meerdere mate het geval zijn, dat velen, ja de meesten die er hard over roepen, alleen de Heidelberger kennen en de beide andere niet of nauwelijks onder ogen kregen. Ik ben niet te overtuigen dat dergelijke slapende stukken de grondslag kunnen vormen voor de eenheid van Christus' kerk, of dat zij naar de letter als wet zouden kunnen gelden om te oordelen over levenden en doden. Dat doet Christus alleen maar. Hij alleen is gisteren en heden dezelfde tot in eeuwigheid. Hij leeft. En ook in de kerk van heden zal zijn oordeel niet op zulk een houterige en dode wijze uitgaan, als waarop menig schreeuwend partijmens dat wil, wel wetend dat het toch niet van hem gevraagd zal worden het toe te passen, maar er een middel in vindend een reuk van rechtzinnigheid van zich te doen uitgaan. Een formulier van enigheid zal op veel levender wijze de band moeten zijn in de kerk, meer sluiten om de bewegelijke leden van Hein die werkt tot nu toe, omdat Hij ook de Vader zulks ziet doen.

Zoiets doet de catechismus ons zien. Daar hebt ge een voorbeeld van die band die we bedoelen. Hier is een formulier in actie dat de harten onwillekeurig naar elkaar toebuigt. Want dat doet de catechismus waar hij gepredikt wordt. Dan moet ge spreken over de toorn Gods, over schepping en voorzienigheid, over Drieëenheid, over de Zone Gods. over rechtvaardigmaking, over Doop en Avondmaal. Gij zijt vrij in uw behandeling. Ge moogt ook de antwoorden bestrijden. Hoe woudt ge het anders inrichten. Een prediker zal toch nooit een automaat mogen zijn. En wanneer onze kerkelijke moeilijkheden en de Doleantie ons iets zullen leren, dan zullen we toch dit moeten inzien, dat we nooit terug moeten hebben een belijdeniskerk in de zin van formulierdwang, maar in veel levender zin.

Goed, ge kunt die antwoorden bestrijden. Maar juist, wanneer gij het moogt doen, zult ge er niet gemakkelijk toe komen. Dan kan zich ontwikkelen een spontane piëteit voor de klassieke taal van het heerlijke leerboek onzer vaderen, die er eerbiedig mee omgaat. Dan doet zich voor hen die bedenkingen mogen hebben de vraag in de praktijk op: hoe zult ge het beter zeggen? Zijt gij dieper ingeleid? Meer van de Schriften doorvoed? Dan is er plaats voor daden als waarvan mij bekend is bij wijlen prof. Gunning die als kandidaat in zijn eerste gemeente toegekomen aan de behandeling van vraag en antwoord over de toorn Gods, voor zichzelf het antwoord zocht op de zaterdag in het bos bij zijn gemeente, alleen met zijn God. Zulk een formulierband vind ik levend, christelijk, Gode waardig. Hij buigt de harten.

Ik moet het daarom jammer vinden, al weet ik welk een moeilijke zaak het hier geldt, dat in 1863 door de synode bepaald werd dat de predikanten, zowel bij de leiding der openbare godsdienstoefening in het algemeen, als met betrekking tot het gebruik van de Heidelbergse catechismus naar eigen oordeel te rade gaan met de godsdienstige behoefte der gemeente. Ik vraag u: is het aan te nemen dat er zo weinig continuïteit is in de christelijke kerk dat er een tijd komt dat een deel der predikanten niet meer kan spreken over de Wet, de Twaalf artikelen, de inzetting van Doop en Avondmaal en het Onze Vader? Is men dan op de rechte weg als men gevoelt: we kunnen een eenvoudig leerboek geschreven door een kerk in strijd, in het geboorteuur van de Reformatie, niet meer tot leidraad gebruiken? Een boekje, zo beknopt, in zo sobere stijl, zo klassiek van uitdrukking, in zo'n bijbelse taal geschreven? Heeft men dan iets beters gegrepen? En is het een weldaad, wanneer men iemand daarvan vrijstelt? Deze band, deze levende band, zou ik willen bewaren. Iedereen mag de antwoorden tegenspreken, maar het is de vraag, of niet menigeen het zou opgeven. Mij dunkt, wanneer men er toe kwam voor de vrije stoffen de bijbel terzijde te leggen, zou men zichzelf een brevet uitreiken van het staan op een plaats, waar men niet thuis hoort. En zo ook ligt er een oordeel in, wanneer men zegt een korte uiteenzetting van de christelijke waarheid niet meer te kunnen gebruiken, waarin de bekende vijf hoofdstukken der christelijke religie warm en sober worden besproken.

Bestond de verplichting, dan zou men in stede van de kloeke, verzekerde taal van de catechismus over de hope die in ons is, zijn eigen woord moeten stellen en men zou op den duur tot een vergelijking zich voelen genoopt, die niet steeds in eigen voordeel uitviel. Naast de catechismus als summier vervat der fundamenten der christelijke religie in de kerken, waardeer ik dus de catechismusprediking, dat ze is 'dienende tot volcommen ende vaste eenicheydt' in levende, werkende zin.

Nog in andere zin bevordert de catechismusprediking de 'eenicheydt'. Ze dient als het ware als stemvork voor de prediking. Ze geeft een toon aan. Het is in onze tijd niet onnodig daarop te wijzen. Er bestaat en ontstaat een evangelieprediking in allerlei tijden en wijzen. Een van die is de evangelieprediking in de optativus. Zij drukt zich uit in de wensende wijs en zegt niet: ik weet dat mijn verlosser leeft, maar: och, mocht ik weten, dat mijn verlosser leeft. Ze spreekt niet tot de gemeente, maar bidt, dat er toch maar één mocht zijn die Christus toebehoort. Dit evangelie in de optativus, dat nergens in de Schrift gevonden wordt, maar uit enkele ziekelijke schrijvers van de achttiende eeuw in sommige hoeken van ons vaderland is blijven hangen, is bezig (naarmate de predikantsplaatsen schaarser worden) uit de mond der Veluwse boeren over te gaan in de mond onzer evangeliepredikers.

Hier kan de catechismusprediking een correctief zijn. Men moet ze dan toch voorlezen de krachtige antwoorden onzer vaderen, waarin de verzekerdheid aan het woord is, al zal men misschien in de verklaring daarvan heel wat afbreuk doen. In dit opzicht is de toon van de Heidelberger gekenmerkt door het woord van één der opstellers op zijn sterfbed; toen aan Olevianus gevraagd werd op zijn doodsbed, of hij zeker was in Christus voor God rechtvaardig te zijn, antwoordde hij: 'Certissimus.' Dat is de toon van de catechismus en van de Schrift. Ook de proportie waarin ellende, verlossing en dankbaarheid behandeld worden, kan dienen de toon aan te geven voor de prediking. Doch we laten dit alles hier rusten. We menen dat de catechismus door dit alles in levende, effectieve zin een formulier van eenheid is.

Thans wensen we nog iets te zeggen over de wijze van behandeling. We noemden reeds even de tegenspraak. Het kan zijn, dat men gravamina heeft, of een of ander antwoord niet gelukkig vindt. Wat dan te doen? Wat het eerste betreft noem ik bijv. de verklaring van het 'nedergedaald ter helle', waaraan de oude kerk een gans andere bedoeling hechtte dan onze opstellers. Me dunkt, in zo'n geval moeten we het noemen. Daarvoor zijn we protestanten. Wat we anders mochten inzien, spreken we uit. Daarvoor zijn we leraars van de gemeente. Deze tegenspraak moet echter modeste et reverenter geschieden. Ik heb mij bij zulk een gelegenheid wel eens geërgerd wanneer men aan toon en wijze merkte dat de prediker niet aequo animo, maar met een zekere 'Groll' in zijn gemoed tegen het leerboek te velde trok en dan nog wel over dingen, die van vrij theoretische aard waren. In zulk een geval legt de prediker voor de vierschaar zijner hoorders het geregeld tegen het boekje af. Bij z'n hoorders ontwikkelt zich 'Groll' tegen hem. Op de modus quo is hier dus zeer te letten. Men gevoele, wat men verplicht is tegenover een zo klassieke samenvatting der christelijke waarheid. En men zij met z'n tegenspraak niet te spoedig gereed. Houde ze echter wanneer het nodig is niet achter om geen letterknecht te worden, maar een Verbi Divini minister te blijven.

Vergun mij hier een anekdote in te voegen ten bewijze, hoe men tegenover eenvoudige mensen soms een omgekeerde indruk kan wekken van wat men wenst. Een predikant in Friesland voerde iemand sprekend in met een tegenwerping tegen de catechismus. Hij was van plan die te beantwoorden. Terwijl echter de tegenwerping nog lopende was, nam een oude vrouw haar vouwstoeltje op, ging de kerk uit met de woorden: 'Se moatte my net oan de Katechismus komme.' Dit stemt tot voorzichtigheid. Maar, vraagt ge, waar moet de catechismus dan tegengesproken worden? Ik antwoord: persoonlijk gevoel ik daar zelden behoefte aan. De catechismus is een praktische verklaring van de Twaalf artikelen, Doop en Avondmaal, Wet en Gebed, in apostolische taal voorgedragen. Ik heb meestal volstrekt geen behoefte daar iets tegen te zeggen. De dingen worden in zo sobere vorm voorgedragen, dat men meestal moet zeggen: 'Sint ut sunt, aut non sint.' Een enkele maal echter sticht de gang van vragen en antwoorden mij minder. Hier en daar vindt men een scholastieke haal, die m.i. de catechismus ontsiert. Zo bij de bekende overgang in zondag vijf en het begin van zes, waar het leerboek op Jezus Christus wil komen die wij kennen uit het heilig Evangelie en waar het die Middelaar eerst tracht te construeren om Hem dan in Christus te vinden. Mij heeft deze constructie nooit behaagd. Petrus is werkelijk niet door de weg van het ontologisch bewijs tot zijn bekende belijdenis gekomen, maar door omgang met de Heer. Laten we de gemeente ook langs die weg tot Hem voeren. Christus geopenbaard openbaart, waarom we Hem nodig hebben, niet andersom. Laten we er allerminst ons fort van maken deze scholastieke introïtus tot de Twaalf artikelen nog met redenen zonder wetenschap te verduisteren. Zo ook in zondag achttien. Wanneer men zich heeft gesticht en, naar we hopen, ook de gemeente door te bedenken wat het is, dat Christus naar zijn majesteit, godheid, genade en geest nimmermeer van ons wijkt, nadat men de gemeente iets heeft willen doen gevoelen van de mystieke kracht van het apostolisch woord 'in Christus' te zijn, dan verwart ineens het leerboek ons met de verbijsterende vraag: "Maar zo de mensheid niet overal is, waar de Godheid is, worden dan die twee naturen in Christus niet van elkander gescheiden?" en antwoordt: "Ganselijk niet, want mitsdien de Godheid onbegrijpelijk (d.i. binnen grenzen niet te beperken) en overal tegenwoordig is, zo moet volgen, dat zij wel buiten hare aangenomen mensheid is en nochtans ook in dezelve is en persoonlijk met haar verenigd blijft." Hier komt ineens een bijna wiskundige constructie onze stichting verstoren op een ogenblik dat de mystiek haar rechten liet gelden. Wat heb ik op zulk een moment met deze houterige vraag te maken? In zulk een geval maak ik er mij met een handbeweging af. J'en passe et des meilleures. Ik memoreer even, dat we onze stichting niet gaarne willen verliezen, zonder dat ik uitvaar tegen de opstellers. Want dat laatste zou evenzeer de stichting bederven. Het is niet beleefd een wratje op een overigens schoon gelaat te fixeren. In deze geest zou ik de tegenspraak willen doen plaatsvinden. Men gevoelt er zelden behoefte aan en dan nog zou het niet een eigenlijke tegenspraak behoeven te zijn.

In aansluiting aan deze opmerkingen die ons herinneren aan de tijd waarin het boek opgesteld werd, zou ik in overweging willen geven of het niet gewenst is, - waar we toch nooit, zoals eigenlijk de bedoeling is, in een jaar klaar komen -, enkele zondagen over de paapse Mis, over de eed en zo ook zondag vijf en zes samen te trekken. De uitvoerigheid op genoemde punten hangt met de tijd samen. Ik althans spreek niet driemaal over Avondmaal en paapse Mis. Dit vermoeit gemeente en prediker in onze tijd.

Een andere vraag is of er niet een tijd komt dat de catechismus gaat vervelen, vooral wanneer een en dezelfde predikant op dezelfde plaats hem telkens weer van de ene zijde op de andere moet leggen. Hierin kan werkelijk iets vermoeiends liggen. Maar me dunkt dat dit niet onvermijdbaar is. Ik wil eerst zeggen hoe men daartoe niet moet doen. Men moet niet doen als een heel vroegere predikant te Gaast, die een stapeltje geschreven catechismuspreken had. Een stapeltje geheel uitgeschreven. Altijd kwamen dezelfde voorbeelden in dezelfde volgorde terug. Bekend was zijn preek over het stelen, waarbij de ene ouderling de ander al aanstiet, zeggende: nu komt de varkensdief en dan zr. W. en dan is er nog de man die het varken stal; ja werkelijk, dat wisten de hoorders, die was er ook nog, en ze slikten man en varken voor de zoveelste maal ...

Maar ook op andere wijze zou er een zekere verveling kunnen ontstaan: wanneer de waarheid van de catechismus als 'lehrbares Wissen' louter werd behandeld, eenvoudig als beknopte dogmatiek werd voorgedragen, zonder meer. Zo kwam het dezer tijden in een dolerende gemeente in onze omstreken voor dat een kerkeraadslid tot zijn predikant zei, dat om hem de catechismusprediking wel gestaakt kon worden, hij kende hem al. De voorganger heel gemoedelijk: ja, maar de jongelui zie je, de jongelui zie je! De gehele catechismuspreek zou dus dan in het groot zijn, wat vroeger door de voorlezing van de vijf hoofdstukken bedoeld werd: hem tenslotte te kennen. Men voelt: dit is geen gezonde beschouwing en geen waardige prediking.

We vragen daarom tenslotte: van welke aard moet de catechismusprediking zijn? En dan maak ik onderscheid tussen de aard van de morgenpreek en de middagpreek. Het komt mij voor dat daartussen in zekere zin een principieel onderscheid moet zijn om meer dan een reden. Ten eerste is het teveel wanneer op een zondag twee vrije stoffen worden behandeld. Voor beiden is dit teveel, voor prediker en hoorders. De morgenpredikatie moet een profetisch karakter dragen. Zij moet zich tot een zekere hoogte of diepte van geestelijk uitzicht verheffen. Nu eens stijgt ze op van deze, dan van die plaats. Altijd streeft ze naar een geestelijk uitzicht en inzicht. Dit vordert van een predikant veel, wanneer hij er niet mee tevreden is een stukje dogmatiek te geven. Het is een geestelijke inspanning van de hoogste orde.

Nu is het van niemand te vergen dat, wanneer hij zich ingedacht en geleefd heeft in zijn stof, wanneer hij in zekere mate is opgestegen tot enige hoogte in het koninkrijk Gods, dat hij dat ogenblikkelijk herhalen zal. Om dezelfde reden zal het bij de hoorders een schadelijk effect hebben. De ene indruk zal de andere uitwissen. Bij de catechismusprediking dient daarom het didactisch karakter te overwegen: het is een leerdienst. Het is geen 'bis in idem' van de morgendienst. Het betekent niet eenvoudig verandering van tekst. Men spreekt anders over de rechtvaardigmaking uit het geloof naar Rom. 5 : 1 dan naar zondag 23. Dit te verwarren achten wij een fout. Dit is de fout die juist aan de overzijde ligt van die andere, die er een les van maakt die men tenslotte kent. Wij bedoelen hier een medium quid, waarbij men vooral rekening houde met het gehoor dat men voor zich krijgt. ⚑Het is er om te doen om het christelijk geloof te doen verstaan, goede kennis bij te brengen aan de gemeente, opdat ze niet mede gevoerd wordt met allerlei wind van leer. In onze tijd is dit niet onnodig. De catechismuspreek moet daarbij echter meer zijn dan een parafrase. Die zou werkelijk een zekere eentonigheid meebrengen en zou neerkomen op een aanmengen van de krachtige wijn van de catechismus met het water van onze meer of mindere bespraaktheid. Er zijn hier allerlei relaties aan te wijzen, opmerkingen te maken, vergezichten te tonen, achtergronden aan te wijzen. Er kan gewezen worden op de strijd der geesten van onze tijd. Er worde gestreefd naar actualiteit. De zondagen van het Avondmaal bieden gelegenheid de grondgedachte van Rome aan de gemeente te verduidelijken. De eed geeft prachtige aanleiding te spreken over het doperse beginsel in onderscheiding van het gereformeerde. De behandeling van de Twaalf artikelen brengt ons nu en dan in aanraking met de hoofdgedachten van het modernisme. En de wet kan dienen een korte ethiek voor de gemeente te behandelen waarbij allerlei ter sprake komt. Maar ook buiten deze relaties is de samenhang en de diepte der eenvoudige, diepe, bijbelse waarheden die in de catechismus behandeld worden van zoveel rijkdom, diepte en veelzijdigheid, dat zeker geen eenvormigheid behoeft te ontstaan. Hoe dan ook iemand zou kunnen zeggen: ik ken dat alles, is mij een raadsel. Wat zoudt ge denken van iemand die beweerde onze 'natura artis magistra' te kennen, wanneer hij ook al alle nummers daarin voorkomende van buiten kende. Het blijft een wonder. Uit iedere nieuwe behandeling zal moeten blijken dat men deze dingen dieper verstaat. Ik herinner mij hier een beminnelijke uiting van onze overleden Van der Schans,12 die na een behandeling van de Drieëenheid aan het slot tot zijn gemeente zeide: 'Een volgende maal hoop ik er u iets meer van te kunnen zeggen.' In die toon moet hier het didactische gehouden blijven. Dan blijft er plaats voor de uitroep bij de Twaalf artikelen:'Uwe kennis is mij te wonderbaar' (Ps. 139 : 6), en bij de Tien geboden: 'Uw gebod is zeer wijd' (Ps. 119 : 96). Dan is het didactische tegelijk stichtelijk, opbouwend. Een wiskundig vraagstuk te beredeneren zal misschien een koel hoofd en hart vragen en dan bewaren, maar zo is het toch niet gesteld met het koninkrijk Gods. Koel beredenerend mag daarom de catechismuspreek niet zijn. Ze wordt vanzelf warm door de stof, ook al blijft ze didactisch.

Om ruimte te laten voor beweging en afwisseling mogelijk te maken zou ik dus willen zeggen: laat althans de catechismuspreek van een uitgewerkte schets gesproken worden. Twee preken geheel uit te schrijven elke week is teveel, althans op den duur. Het gevaar ontstaat dan dat men, zijn ze geheel geschreven, zijn toevlucht neemt tot herhaling van het eens gezegde. Dit is vermoeiend en beslist afkeurenswaardig. Men bewerke daarom een schets die men later kan wijzigen en aanvullen.

Resumerend poneer ik enige stellingen:

1. Catechismusprediking is gewenst, opdat er een summier vervat van de fundamenten der christelijke religie in de kerk zij.

2. Ze is gewenst, opdat er zij een formulier van enigheid in actie.

3. Ze is gewenst om mede de goede toon aan te geven waarin de prediking moet geschieden.

4. Men vreze niet te corrigeren als het nodig is, doch zij hierbij bescheiden.

5. Men rekene bij de lengte der behandeling met de vragen die nu en in de zestiende eeuw aan de orde waren.

6. Een steeds herhaalde catechismusprediking behoeft niet vervelend te worden.

7. Er is een principieel onderscheid tussen de catechismuspreek en de morgendienst. De eerste draagt een didactisch karakter.

8. Men geve niet enkel parafrase, maar onderrichte als man van studie de gemeente, die dit nodig heeft.

9. Men geve blijk heilig doordrongen te zijn van het besef, dat de dingen Gods een mysterie zijn, opdat ieder gesticht worde.

Eindnoten

  1. 1

    N. was in augustus 1909 alleen in Heidelberg; in 1910 was hij er met zijn vrouw Johanna Hillegonda Oosterhuis (1886) op huwelijksreis. Naar alle waarschijnlijkheid geeft N. in deze lezing over Catechismusprediking de indrukken weer van zijn eerste reis naar Heidelberg. Dat wordt bevestigd door het feit dat 1 augustus 1909 op een zondag viel. Op grond daarvan lijkt een datering eind 1909 of begin 1910 aannemelijk. Verdere gegevens over deze in manuscript bewaard gebleven lezing ontbreken.↩

  2. 2

    Met 'Bargers leerboek' doelt N. waarschijnlijk op Ons kerkboek, Groningen 1900, waarvan hoofdstuk 8 (p. 144-168) over De catechismus gaat. De schrijver van het boek was H.H. Barger (1855-1939), hervormd predikant. B. wordt gewoonlijk tot de ethischen gerekend, al had hij zich veeleer zelfstandig ontwikkeld.↩

  3. 3

    M. A. Gooszen (1837-1916), hervormd theoloog, vanaf 1878 hoogleraar te Leiden. In zijn De Heidelbergsche Catechismus. Textus receptus met toelichtende teksten. Bijdrage tot de kennis van zijne wordingsgeschiedenis en van het Gereformeerd Protestantisme, Leiden 1890, en in zijn De Heidelbergsche Catechismus en Het boekje van de breking des broods in het jaar 1563-64 bestreden en verdedigd. Oorkonden en dogmenhistorisch onderzoek. Nieuwe bijdrage tot de kennis van het Gereformeerd Protestantisme, Leiden 1892, poneerde G. dat de Heidelbergse catechismus binnen de zgn. bijbels-soteriologische stroming (een stroming naast het lutheranisme en calvinisme) gesitueerd moet worden.↩

  4. 4

    Naar aanleiding van het derde eeuwfeest van de Heidelbergse catechismus schreef Doedes De Heidelbergsche Catechismus in zijne eerste levensjaren 1563-1567. Historische en bibliografische nalezing met zes en twintig fac-similes, Utrecht 1867. Aangevuld en verbeterd in Nieuwe bibliografisch-historische ontdekkingen, Utrecht 1876.↩

  5. 5

    Zacharias Ursinus (1534-1583), hoogleraar te Heidelberg, was met Caspar Olevianus (1536-1587) de opsteller van de Heidelbergse catechismus. Zijn - als college gegeven en door een leerling opgetekend - commentaar op de Heidelbergse catechismus is in Nederland vele malen uit het Latijn vertaald en aangevuld (het zgn. Schatboek van Ursinus).↩

  6. 6

    Jeremias Bastingius (1551-1595) en Hendrik vande Corput (1536-1601) studeerden beiden theologie te Heidelberg; na 1585 gezamenlijk predikant te Dordrecht. In 1588 gaf B. een verklaring van de Heidelbergse catechismus (Exegemata in Catechesis Religionis), welke door Vande Corput in 1591 - op vrije wijze bewerkt - in het Nederduits werd vertaald onder de titel Verclaringe op den Catechisme der Christelicker Religie.↩

  7. 7

    Johannes van der Kemp (1664-1718), gereformeerd predikant. Tot in de twintigste eeuw toe vonden zijn catechismuspreken aftrek, die voor het eerst in 1717 verschenen onder de titel De Christen geheel en al het eigendom van Christus in leven en sterven, verklaard in 53 predikatien over den Heidelbergschen Catechismus. Petrus Curtenius (1717-1789) was hoogleraar aan de Illustere School te Amsterdam. Zijn Leerredenen over den Heidelbergschen Catechismus verschenen in vier delen in 1790-1793. Bernardus Smytegelt (1665-1739), vanaf 1695 gereformeerd predikant te Middelburg. Zijn (uit zijn mond opgetekende) preken over de Heidelbergse catechismus verschenen voor het eerst in 1747 onder de titel Des Christens eenige troost in leven en sterven, of verklaringe over den Heidelbergschen Catechismus in 52 predicatien; benevens 5.belijdenispredicatien. Johan d'Outrein tenslotte (1662-1722) was vanaf 1708 gereformeerd predikant te Amsterdam. In 1719 verscheen zijn Het gouden kleinoot van de leere der waarheid die naar de Godsaligheid is, vervattet in den Heidelbergschen Catechismus.↩

  8. 8

    J. J. Knap (1806-1865), hervormd predikant, behorend tot het zgn. Fryske Réveil. Hij schreef De Heidelbergsche Catechismus in 52 predikatiën, Gorinchem 1858-1860, nieuwe uitgave Nijkerk 1864. S. H. Koorders (1796-1866), hervormd predikant. Zijn verklaring verscheen als Het leerstelsel der Hervormde Kerk naar den Heidelbergschen Catechismus ontwikkeld, 4 dln., Gorinchem 1848-1849, ook uitgegeven als De Heidelbergsche Catechismus verklaard, Amsterdam 1860. J. J. van Oosterzee (1817-1882), vanaf 1863 hoogleraar te Utrecht, behoorde met Doedes tot de apologetische school. Zijn De Heidelbergsche Catechismus in 52 leerredenen verscheen in 1882 te Utrecht. A. Kuyper publiceerde zijn catechismusverklaring eerst als een serie artikelen in De Heraut (vanaf 1886), daarna in boekvorm in E voto Dordraceno, 4 dln., Amsterdam 1892-1895.↩

  9. 9

    Hermannus Herbertss (1540-1607). In 1577 predikant te Dordrecht, waar hij o.m. de catechismusprediking naliet en daardoor in conflict kwam met zijn collega's. In 1582 werd hij uitgeleend aan Gouda, waar hij steun vond voor zijn standpunten. Op theologisch gebied was hij een eclecticus.↩

  10. 10

    De Catechismus van ter Gou (ook wel Goudse Catechismus) verscheen in 1607 na de dood van Herbertss, die met andere Goudse predikanten tot de opstellers behoorde. In plaats van 'heidelbergse' termen werden alleen bijbelwoorden gebezigd.↩

  11. 11

    J.H. Gunning J.Hzn. (1858-1940), hervormd predikant, zoon van J. H. Gunning Jr., vooral bekend door zijn weekblad Pniël. N. noemt hier zijn God is liefde. De Eerste brief van de apostel Johannes voor de gemeente des Heeren verklaard, Nijmegen zj.↩

  12. 12

    W. M. van der Schans (1872-1908), hervormd predikant. N. was bevriend met Van der S., die als predikant te Gaast en Terwoude in dezelfde ring stond als N., die van 1903-1910 predikant te Idsegahuizen en Piaam was. Na zijn vroege overlijden leidde N. de begrafenis. Een verslag daarvan in De Banier. Orgaan van de bond van kiesverenigingen op christelijk-historische grondslag in Friesland, 35 (1908) nr. 13.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet onder Weergave de correcties aan om de verbeterde OCR-fouten en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Willem de ClercqInhoudCommunisme bij de Toradja's →