De bakermat van de christelijke kerk1
Wij wensen u hedenavond iets mede te delen over de toestanden in het Romeinse rijk zoals die waren toen het christendom daarin zijn intrede deed. En daarmee bedoelen we vooral de toestanden in de tweede eeuw na Christus. Geheel scheiden kunnen we echter deze tijd van vroeger en later niet. Wij willen daarbij zoveel mogelijk namen en jaartallen vermijden. Immers wij zijn wanneer we het woord geschiedenis horen al zo gewend om te denken aan een lang rijtje van graven of koningen en aan oorlogen en veldslagen dat men haast zou denken dat de mensen vóór ons nooit iets anders hebben gedaan dan elkander doodgeslagen.
Zo is het mij persoonlijk wel gebeurd dat ik las of hoorde van één of ander werk op wetenschappelijk gebied dat in ons land was geschreven in de tijd van de Franse revolutie en dat ik mijzelf op een soort verrassing betrapte dat het mogelijk was in zulk een tijd nog iets anders te doen dan oranjeman of patriot te zijn, te smokkelen naar Engeland of boombladeren in zijn pijp te roken. (Het is echter volstrekt niet mijn bedoeling hiermee een blaam te werpen op het geschiedenisonderwijs in onze scholen. Integendeel herinner ik mij nog altijd met genoegen de lessen die ik op zes- à zevenjarige leeftijd ontving van het geachte hoofd der school te Ferwoude. Maar een feit blijft dat de maatschappelijke en geestelijke toestanden wel eens wat ver wegschuilen achter de politieke geschiedenis in onze leerboeken). Wel hebben we bovenal te weten: hoe woonden de mensen toen in die tijd? Hoe leefden ze, hoe dachten ze? Wat hebben ze geprobeerd tot stand te brengen? En zo kan de geschiedenis op elke bladzij ons veel leren. Wij vragen dan vanavond: hoe zag de wereld er uit en wat voor mensen leefden er toen het Evangelie zijn loop door de wereld begon.
Het is altijd een goede methode om bij het bekende te beginnen en zo tot het onbekende te komen. En zo willen wij thans ook doen. We beginnen daarom bij een bijbeltekst die iedereen kent. Het meest bekende vers misschien uit het meest bekende hoofdstuk uit de bijbel: Lukas 2 : 1. Daar lezen we: "En het geschiedde in diezelfde dagen, dat er een gebod uitging van de keizer Augustus, dat de gehele wereld beschreven zou worden." Hoe is het mogelijk, vragen we, dat van de keizer een gebod kon uitgaan dat de gehele wereld beschreven zou worden. En dan staan we met het antwoord al dadelijk midden in ons onderwerp. Die gehele wereld die hier bedoeld wordt was het Romeinse rijk. In de dagen van Jezus' omwandeling op aarde was er een groot rijk op aarde dat tot hoofdstad Rome had. Zulk een groot rijk was er nog nooit op de aarde geweest, tenminste wij weten er niets van. Behalve misschien China. Maar daarvan is weinig bekend. Al de wereldrijken die aan het Romeinse rijk waren voorafgegaan, waren kleiner geweest. Het Babylonisch-Assyrische, het Perzische, het Macedonische, ze waren allemaal kleiner. Om u een idee te geven van de uitgestrektheid van dat rijk, wanneer ge enigszins op de wereldkaart bekend zijt: daartoe behoorde Italië, dat was het middelpunt, het moederland; verder Spanje, Frankrijk, België, Nederland, Engeland, Zwitserland en een deel van Duitsland, Oostenrijk, Turkije en Griekenland, Klein-Azië en verder Azië tot aan de Eufraat en de Tigris toe, eindelijk nog de gehele Noordkust van Afrika met Egypte. Had keizer Augustus geen recht als hij sprak van de gehele wereld. Want we moeten wel bedenken, de gezichtskring was beperkter. Men wist natuurlijk van Amerika nog niet, van Australië nog minder, van Afrika kende men slechts het noordelijk stuk. Er waren wel oude berichten van schippers die zeiden dat ze eens zo ver waren gevaren dat de zon in het noorden stond, maar dat kon men niet geloven. Wij weten natuurlijk dat die schippers toen ten zuiden van de linie geweest zijn. En daar achter de grenzen in Azië, ja, daar woonden nog wel mensen, maar die telden haast niet mee. Scythen heetten ze. Wanneer dan ook Paulus in Kol. 3 : 11 zegt, dat in de nieuwe mens niet is Griek en Jood, barbaar en Scyth, dienstknecht en vrije, maar Christus alles in allen, dan vat hij dus ook de einden der aarde samen in de taal van die dagen. Buiten het Romeinse rijk dan woonden barbaren, Scythen. Het Romeinse rijk omvatte dus zowat de toenmalig bekende wereld, tenminste de beschaafde wereld. Tot al die landen behoorde ook als een klein gedeelte het land Palestina, waar Jezus geboren werd.
We willen nu eens zien hoe het eruit zag in dat grote rijk. Wij mensen van de twintigste eeuw hebben soms een denkbeeld dat, nu ja, er vroeger ook wel eens ontwikkelde mensen op de wereld geweest zijn, maar dat wij toch wat beschaving betreft het neusje van de zalm hebben. Dat bijvoorbeeld zo'n oude Romein bij ons vergeleken toen min of meer een wilde geweest is. Niets is minder waar. Wel staat het christelijk leven hoger dan de beschaving van vroeger eeuwen, omdat het leven in zich heeft en beginselen die het als een zuurdesem doortrekken. Maar die zuurdesem is nog bij lange na niet doorgewerkt. Maar wat beschaving betreft, op zichzelf zou de concurrentie met de oude Romeinen ons misschien nog zwaar genoeg vallen. Als het christelijk beginsel eens weggenomen werd. Bijvoorbeeld denk eens aan de toestand van de thans beschaafde wereld. Die beschaafde wereld van thans lijkt wel een groot legerkamp. Ze is doorsneden door scherp getrokken grenzen en aan die grenzen liggen aan weerszijden kolossale legers. En slechts een kleinigheid is nodig of daar ontploft het buskruit. Duitsland en Engeland. In de beschaafde wereld bij het begin van onze jaartelling was dit gans anders.
Het rijk van Augustus en van zijn opvolgers kan een vrederijk worden genoemd. Slechts op de grenzen lagen belangrijke legers, die bij invallen der barbaren deze moesten te keer gaan of ook soms hier of daar de grenzen nog wat uitbreiden. Binnen het rijk lagen slechts hier en daar bezettingen om de inwendige rust te verzekeren. In Rome zelf lagen enige afdelingen als lijfwacht van de keizer, de grenadiers en jagers van de keizer. Tesamen ± 300.000 man. Deze pax Romana of Romeinse vrede was een feit van de grootste betekenis. Ingelijfd te worden in dit grote rijk betekende voor de volken rust, welvaart en ontwikkeling. Wat dit betekent voor de beschaafde wereld dat binnen haar gebied in drie à vier eeuwen vrede heerst, kan men slechts beoordelen, wanneer men enig idee heeft van de verwoestingen die de oorlog op elk gebied met zich brengt. En toch is het een feit dat het Romeinse rijk tenminste drie eeuwen lang een ongestoorde vrede heeft gezien wat voor of na niet gebeurd is. Als we dan weten dat aan die periode van vrede eeuwen van ongeëvenaarde strijd waren voorafgegaan, zo heftig dat bijna alle bestaande grenzen waren uitgewist, dan begrijpen we wat deze vredetoestand betekende.
Eenmaal daartoe behorende hadden de volken het behaaglijke gevoel van veiligheid. Hoever men ook mocht vooruitzien, een omkeer van zaken scheen niet meer mogelijk te zijn. De Romeinse vrede stond vast als een muur. En niet alleen dat er in de gehele beschaafde wereld vrede was, ook de veiligheid binnenslands was betrekkelijk zeer groot. In de meeste streken kon men bijna even veilig reizen als tegenwoordig. Uit de hoofdstad Rome liepen vijf grote wegen door het gehele rijk heen, die om zo te spreken tot aan de einden der wereld doorliepen. Ze begonnen bij de gouden mijlpaal in Rome. Eén dezer wegen liep naar Alexandrië in Egypte. Het was de Appius-weg waarlangs, zoals we in de Handelingen lezen, Paulus kwam toen de christenen hem vanuit Rome tegemoet kwamen tot aan de Appius-markt bij de Drie Tabernen (Hand. 28 : 15). Een tweede weg liep tot diep in Azië. Een derde tot aan Cadiz in Spanje. Een vierde tot Katwijk in ons land. Dat waren natuurlijk slechts de hoofdwegen. Maar een geheel net van wegen was over het rijk heengetrokken. Nog tegenwoordig vindt men bij opgravingen die wegen terug waarin men de wagensporen en het harde plaveisel nog kan waarnemen. En op vele plaatsen waar thans de reiziger weg noch steg vindt, in de verwijderste delen dezer wereld, vindt men nog de grootse sporen van deze Romeinse wegen. Behalve dat op die rijkswegen de troepen trokken naar alle delen der aarde was er van staatswege eveneens een rijkspost om brieven en bevelen aan al de beambten over te brengen uit de hoofdstad. Wel had men geen spoortrein, maar toch kon men vrij snel reizen, vooral nadat men een vierwielig rijtuig had uitgevonden waarbij ook slaapwagens waren zodat men 's nachts kon doorreizen.
We begrijpen dat het bestuur van zulk een rijk schatten geld kostte. Zulke grote sommen doen ons bijna duizelen. We kunnen het slechts enigszins begrijpen als we er aan denken dat op elk gebied welvaart en vrede heerste. De handel die er gevoerd werd was enorm. Slechts in enkele tijden van de wereldgeschiedenis is de handel zo ontwikkeld geweest als in de beide eerste eeuwen onder de keizers. De voorwaarden voor de handel waren dan ook bijzonder gunstig. In dat gehele grote gebied bestond vrijhandel. Wat thans zo dikwijls de handel drukt, het sluiten van de grenzen van een naburig land, bestond toen niet. Geldwissels behoefden ook niet. Er bestond eenheid van maat, munt en gewicht, het beeld des keizers. Eén groot ding heeft onze tijd natuurlijk voor. Snelle spoorpost en telegraaf. Men moest toen veel meer persoonlijk reizen. Zo was 60 jaar na Christus Londen reeds een dichtbevolkte stad door het handelsverkeer. Wat er dan al zo verhandeld werd? Allerlei natuurlijk. We willen slechts een paar dingen noemen, waar wij niet zo dadelijk aan denken. Zo was een voornaam handelsartikel wilde dieren. Ge zult zeggen: hoe kan dat een handelsartikel van enige betekenis zijn. Maar denk slechts eens aan Paulus' woord: "Zo ik, naar de mens, tegen de beesten gevochten heb te Efeze, wat nuttigheid is het mij, indien de doden niet opgewekt worden?" (1 Kor. 15 : 32). Verder weet ge hoe vaak de eerste christenen voor de wilde dieren geworpen werden. Maar regel waren de dierengevechten; zoals thans nog in Spanje stierengevechten bestaan en in ons land misschien eens een hanengevecht, zo in het Romeinse rijk wilde dieren. Pompeius had 500 leeuwen. Elke stad van enig belang had een zogenaamd amfitheater waar ook deze gevechten plaats hadden. Deze dieren werden meest uit Afrika aangevoerd. Uit het noorden kwam barnsteen, koper, tin. Dan was de slavenhandel een bloeiend bedrijf. In Rome alleen waren er misschien een miljoen en ze waren door het gehele rijk heen verspreid.
Nu bestaat er een groot onderscheid tussen de handel in het Romeinse rijk en die in onze dagen. In onze dagen zoeken de mogendheden in hun koloniën bovenal een afzetgebied voor hun voortbrengselen. En daarom is er tegenwoordig in Europa zulk een landhonger, zodat de hele aardbodem verdeeld wordt onder enige mogendheden. Het is niet politieke grootheid die daarachter zit, maar het is een stuk van de sociale kwestie, de strijd om het bestaan. (Wie bijv. in Oost-Azië de baas wordt, die verdringt zijn mededinger daar van de markt). Oorzaak hiervan is weer de grote ontwikkeling van het fabriekswezen, de industrie. Europa werkt als een mierenhoop en moet zijn artikelen kunnen slijten. En juist die industrie betekende in het Romeinse rijk nog zo weinig. Weinig meer dan glas en papier werd gefabriceerd. Verder was de handel meest voortbrengsels van de bodem of van handenarbeid. En daardoor liep de handel juist andersom. Rome had zijn koloniën nodig, niet als afzetgebied, maar als voorraadschuur. In het Romeinse rijk had de handel een beweging van de omtrek naar het middelpunt. En zoals nu het moederland door koloniaal bezit toeneemt in welvaart, zo verarmden Italië en Rome doordat het geld steeds meer naar de buitenkant stroomde. Rome had de kolonie geplunderd, nu stroomde het geld er terug. In het begin merkte men dat niet zo, maar spoedig werd het voelbaar. Tevergeefs trachtte men het door wetten tegen te gaan. Zo was ook reeds toen de kwestie van enkele of dubbele muntstandaard een zaak waarover men nadacht. Dit neemt natuurlijk niet weg dat een talrijke handelsstad ontzaglijke kapitalen verzamelde. We moeten hier even wijzen op de kolossale rente die in die dagen soms genomen werd. Het is gebeurd dat een groot syndicaat van een Aziatisch vorst 100 miljoen moest lenen. Na 12 jaar was de schuld met rente op rente 600 miljoen. Ze kregen slechts 200 miljoen los en maakten nog goede zaken. Brutus, de moordenaar van Caesar, leende van de bewoners van Salamis geld voor 48%. Waarschijnlijk staat ook met deze misbruiken in verband dat bij de eerste christenen een afkeer bestond van het rente nemen. Die veroordeling van het nemen van rente is gebleven tot de Reformatie toe. De uitlegging van Calvijn van sommige bijbelteksten is uiterst bevorderlijk geweest voor de Europese handel. Zoals in onze dagen waren ook reeds toen de Joden handelaars in merg en been. Door het gehele rijk verspreid, reeds voor de verwoesting van Jeruzalem, verdienden ze met hun zaken ontzaglijk veel geld.
We komen zo langzamerhand op de maatschappelijke toestanden. En dan willen we weer eerst het uiterlijke in ogenschouw nemen. We willen daartoe een kijkje in de hoofdstad nemen. Als we de stad Rome noemen kunnen we daarbij denken aan twee rijken. Rome heeft tweemaal de wereld beheerst. Eerst door zijn keizers, dan door zijn pausen. Wij moeten natuurlijk het Rome der keizers hebben. Wanneer gij eens een reis wilde doen om dat Rome te bezoeken, zou het u niet meer mogelijk zijn. Het ligt onder het puin bedolven. En daarbovenop is een tweede of derde Rome gebouwd. De wereld schrijft haar eigen geschiedenis. Ze bergt haar schatten een wijle op als de stormen der tijden over haar heen gaan en laat ze dan later weer aan het nageslacht zien. Zo komen ze thans weer voor het licht: de oude beschavingen van Babylonië, van Grieken en Romeinen. Van dat oude Rome is in onze dagen ook heel wat boven de grond gehaald. Veel herkennen we natuurlijk uit beschrijvingen van tijdgenoten en latere geschiedschrijvers. Ik denk dat, als we nu nog eens in dat oude Rome een wandeling konden doen, dat we met de mond open zouden staan van verbazing. Geen oog kan haar grootte vatten, geen mond haar lof uitspreken, zo zong een dichter dier dagen. En in werkelijkheid ging de pracht van de stad Rome ook boven de steden van onze tijd verre uit. Denk u een stad van twee miljoen inwoners. Wie door de straten wandelde kon achtereenvolgens zich verlustigen aan het beschouwen van 4000 standbeelden van veldheren en keizers. Onze tijd heet een tijd van standbeeldwoede, maar we zijn in dat opzicht nog lang de oude Romeinen niet bij. Verder geeft ons enige gedachte van de pracht der stad dat er 1790 paleizen voorkomen in een oude stadsbeschrijving. Prachtige parken en tuinen bevonden zich vaak daar om heen. De Romeinse redenaar Cicero die maar middelmatig rijk was kocht zich toch in de stad een huis van 300.000 gulden. Anderen brachten het wel tot een uitgave van twee miljoen voor hun woonhuizen of liever paleizen. De duurte van de huizen der groten werd vooral ook veroorzaakt door de kostelijke steensoorten die ze toen bij de bouw gebruikten. Veertig en meer soorten werden daarvoor gebruikt. Ingelegde vloeren en wandschilderingen maakten het geheel tot een lust voor de ogen. Bovendien hadden de rijken nog schone buitens op het land. En zo was het niet alleen in Rome. De bouwlust van deze stad sloeg op het hele rijk over, ofschoon natuurlijk in Rome het neusje van de zalm te vinden was. Uitwendig zijn dan ook de steden van het Romeinse rijk veel sierlijker geweest dan onze steden. Denk u verder een verkeer in deze stad zo ongeveer als Londen. Maar, zegt ge misschien, ik ben evenmin ooit in Londen geweest. Ik ook niet. Maar we hebben wel eens gehoord dat het oversteken van een drukke straat in Londen heel wat vlugheid en laveerkunst vereist. Zo kon het dan ook in Romes straten zo druk zijn dat het verkeer bijna gestremd was. Deze stad was het middelpunt der wereld. Wie alles van de wereld wil zien, zei een Romeinse redenaar, moet of de gehele wereld doorreizen of hier zijn. Alle rassen en alle kleuren en alle klederdrachten waren dan ook in bont gewoel op haar straten verenigd. Moorse slaven, zo schrijft een Duits geleerde, geleiden olifanten uit de keizerlijke stallen door de straat; blonde Vlamingen van de keizerlijke lijfwacht glanzen in hun wapenrusting; Egyptenaren met kaalgeschoren hoofd dragen in een processie de grote godin Isis; achter een Griekse geleerde gaat een jonge Nubiër met boekrollen beladen; Oosterse prinsen met hoge mutsen en wijde bonte klederen schrijden met ernstige passen door de menigte; getatoeëerde wilden uit Brittannië verbazen zich over de hen omringende wonderen der nieuwe wereld. Een schouwspel dus dat uitermate afwisselend was. We kunnen ons dan ook begrijpen dat wie in Rome was geboren en getogen zeer slecht kon wennen aan het verblijf in de provincie.
We zijn nu toch eenmaal bezig om ons te verwonderen en willen u daarom even iets vertellen van de weelde der rijken in die stad. Wat er door de rijken in die dagen verkwist werd in Rome grenst aan het ongelooflijke. We weten reeds hoeveel ze besteedden aan hun paleizen. Hun leefwijze kostte niet minder. Het beroemdste of liever beruchtste voorbeeld daarvanwas een zekere Apicius die in enige jaren een tien miljoen verbraste en toen hij eindelijk merkte dat er slechts één miljoen was overgebleven zichzelf doodde omdat hij van zo'n gering bedrag niet wilde leven. Welk een lekkerbek deze Apicius was, blijkt wel zeer duidelijk hieruit dat hij een zeereis ondernam naar Afrika omdat hij gehoord had dat de kreeften daar bijzonder lekker waren; ze vielen hem echter tegen en hij keerde terug. Men beweert dat deze Apicius het wereldrecord geslagen heeft van brasserij en verkwisting en dat wil overigens nog al iets zeggen. De geschiedboeken weten er meer van te vertellen. Maar nu moeten we in het oog houden dat, evenals hij ons verbaast, hij ook zijn tijdgenoten reeds een wonder was. Alleen stond hij evenwel niet. Velen wisten niet hoe ze hun geld zouden stukslaan. Huizen werden in zee gebouwd; tuinen op hoge daken aangelegd; muilezels kregen gouden hoefijzers onder; men baadde in ezelinnenmelk; men loste dure paarlen op in dranken en dronk ze zo; gerechten werden bereid uit pauwehersens en flamingotongen. Zo vertelt men verder dat eens een geheel gebraden varken werd opgebracht en toen het geopend werd steeg een levend vogeltje er uit omhoog. De wanden in de eetzalen konden verplaatst worden, zodat het scheen dat men telkens weer in een andere kamer zat. Dat de Romeinen wel eens navolgers gehad hebben, blijkt uit het voorbeeld van een Fransman uit de achttiende eeuw die een schotel van twee- à drieduizend karpertongen liet gereedmaken. Maar zoveel bloemen als de oude Romeinen heeft men later bij de maaltijd nooit meer gebruikt. Keizer Nero was eens bij een vriend te gast waar voor 400.000 gulden aan rozen alleen besteed was. Had zo'n Romein dan genoeg gegeten, zoals toch een Romeinse maag ook eindelijk genoeg moest krijgen, dan verwijderde hij zich, nam een braakmiddel en begon weer opnieuw.
We willen thans deze weerzinwekkende dingen laten voor wat ze zijn. We moeten één ding niet vergeten. De gehele wereld had toen één hoofdstad. En als tegenwoordig alle schatten der wereld eens samenvloeiden in één stad dan zouden we ook wel vreemde dingen te zien krijgen. En verder, het buitengewone wordt verteld en het gewone vergeten. En daarom krijgt men zo gemakkelijk een verkeerde indruk van een vroegere tijd, omdat men licht wat verteld is vanwege de aandacht die het trok als regel gaat aanzien. In elk geval was Rome buitengewoon. En we willen hopen dat het record der Romeinse gelagen niet weer geslagen wordt. Maar dat waren de rijken zult ge zeggen. Hoe leefden dan de burgers? Ja een burger, een burger, als men dat aan een geschiedschrijver vraagt, dan krabt bij zich vaak verlegen achter het oor. Arm en rijk, daar weet hij meer van te vertellen. Een burger leeft zo gewoon, daar is weinig van te zeggen. En daarom geloof ik dat in dit opzicht de tijden meer op elkaar gelijken dan men zou vermoeden. De armen, dáár weten de Romeinse geschiedschrijvers veel van te vertellen. Maar die armen in de stad Rome, tenminste de grote hoop, waren van een bijzonder soort. Dat waren niet die Jezus bedoelt als hij zegt: 'De armen hebt gij altijd met u' (Matth. 26 : 11), maar ge zult zien wat dat voor armen waren. Die hadden een leus in het leven en dat was: panem et circences. Dat wil letterlijk zeggen: brood en spelen. Laat ons eten en drinken en vrolijk zijn! En er waren in Rome een getal! Een 200.000. In de stad Rome waren werkelijk ook weinig burgers. Daar was de bevolking feitelijk verdeeld in verkwisters en bedelaars. Niet bedelaars in de gewone zin, maar de rijken hadden zo hun cliënten, hun afhankelijken, die dan van hun milddadigheid leefden en die hen dan weer steunden voor politieke of andere doeleinden. Rome was een stad van lediggang. Het leven hing samen van uitgaan en genieten. De waren der gehele wereld stroomden er samen om een bevolking te voeden die niet werkte. Genotzucht gaf er de toon aan. Onder de genoegens waar het vòlk dol op was, stonden bovenaan de circusspelen. Zulk een circus was een veld gelegen in een kringvormig amfitheater, een rij zitplaatsen die van alle kanten naar boven steeds hoger opliep. Het circus in Rome was ontzaglijk groot. Reeds onder keizer Augustus kon het 150.000 toeschouwers bevatten. Nero bracht het aantal plaatsen op 250.000. Later werd het zelfs 400.000. Denk u eens in de gehele bevolking van Amsterdam in één gebouw. Het spel in zulk een circus was verschillend. Daar werden wedrennen gehouden met wagens. Grote weddenschappen werden daarbij aangegaan evenals tegenwoordig bij de Derby-wedrennen in Engeland, een gewoonte, die helaas in de laatste tijd uitbreiding verkrijgt over heel Europa. De partijen waren verdeeld in blauwe, groene enz., benamingen die tot de vierde eeuw hebben standgehouden. Op ontzettende wijze werd daarbij de hartstocht gaande gemaakt. Meermalen kwam het tot vechtpartijen in het circus. Een paar flinke slaven om een goede plaats te veroveren bij de vertoningen was de wens van de armen. Maar die wedrennen was nog het onschuldigste deel van wat er in het circus werd te zien gegeven. Erger en meer dan mensbedervend waren de dierengevechten. In steeds grotere hoeveelheden werden ze aangevoerd. We zagen reeds hoeveel Pompeius er liet komen. Ge herinnert u uit de kerkgeschiedenis hoe christenen soms voor de wilde dieren geworpen werden. Wanneer een smaak in zulke dingen zich eenmaal bij een volk ingeworteld heeft, is het moeilijk die gewoonte uit te roeien. Spanje levert er nog heden ten dage het bewijs van met zijn stierengevechten. Hoe zulke tonelen het zedelijk gevoel ondermijnen blijkt het duidelijkst uit de gladiatorenspelen die ook in het circus gehouden werden. Dan vochten niet dieren tegen elkander, maar zwaardvechters. Deze mannen die vooruit zich oefenden, werden dan tegen elkander losgelaten en bestreden elkaar tot één van beiden het onderspit moest delven. Dan hing het van het publiek af, dwz. van de voorname heer die er bij tegenwoordig was, of de overwonnene zou blijven leven of niet. Wees hij met de duim naar beneden dan werd de gevallene meedogenloos omgebracht, wees hij omhoog dan moest hij blijven leven. Gehele scholen bestonden er waar zulke zwaardvechters geoefend werden, waar ze zelfs moesten leren om bevallig te sterven. Deze bloedige tonelen konden echter op den duur de geprikkelde smaak van het geblaseerde publiek nog niet bevredigen. Telkens moest iets nieuws vertoond worden. ⚑Zo zijn er zelfs in expres daartoe gegraven meren gehele zeeslagen gehouden waarbij duizenden mensen omkwamen. Denken we ons deze circussen en amfitheaters omgeven door allerlei winkels en inrichtingen van vermaak dan kunnen we ons enigszins indenken welk een afschuwelijke kermis hier gedreven werd. Een hel aan zedeloosheid, bloeddorstigheid en ledigheid. Er is niets, zegt een Duits geleerde die deze dingen beschrijft, wat zo zeer ons met de ondergang van de oude beschaving verzoent als de gedachte dat tegelijk met haar dit ergste barbarisme een einde nam.
De balans voor de stad Rome kan dus niet gunstig genoemd worden. Een stad waar voor een kwart der bewoners plaats moet zijn in publieke plaatsen van vermaak kan niet hoog staan. We hebben natuurlijk hiermede het leven in deze stad nog niet getekend, maar we kunnen slechts op enkele dingen wijzen. Ook hier zullen ernstige mensen geweest zijn. Maar in doorsnede stond het leven er laag. Het was een genot zoeken en lediggaan. En om dat genot machtig te kunnen worden moest er natuurlijk geld zijn. En dat bracht weer mede een maken van geld op allerlei wijze. Rome bestaat uit twee klassen van mensen, zei een Romeins dichter. De ene helft hengelt en de andere laat naar zich hengelen. En een ander klaagt: hoe diep is de majesteit van de Romein gezonken. Vroeger beheerste hij de wereld, thans wenst hij slechts twee dingen: brood en spelen. Eigenlijk was Rome niet meer de vertegenwoordigster van de geest der Romeinen. Het was een kosmopolitische stad. Zoals het altijd gaat: een betrekkelijk kleine groep kan wel een tijd heersen, maar tenslotte moet ze zich oplossen in het grote getal.
Aanvankelijk hadden oude, deftige families uit de hoogte neergezien op nieuwe inkomelingen uit andere delen der wereld. Iemand van die klasse drukte zich zo uit dat er altijd nog een behoorlijk onderscheid bleef tussen een echte, patricische Romein en iemand, die met dezelfde wind naar Rome gekomen was die de vijgen en olijven aanvoerde. Maar men mocht nog zo hoog neerzien op de provinciaal, op den duur was er niets aan te doen. Men werd overstroomd. In Rome stroomde de gehele wereld samen. Dit is dan ook het einde van het Romeinse rijk geweest. De volken zijn erin binnengelaten en de Romeinen hebben zich opgelost in de nieuwgekomenen (476). Thans was het nog zover niet. Er was nog iets over van de Romeinse geest. Hoezeer men zich echter reeds één gevoelde door het rijk bewijst wel het feit dat in de tweede eeuw na Christus twee Spanjaarden de Romeinse troon beklommen. Een 150 jaar vroeger zou dat hetzelfde betekend hebben als dat de sultan van Djokjakarta de troon van Nederland beklom. Rome bekleedde in het rijk een plaats zo ongeveer als Parijs in Frankrijk. Wie in Frankrijk vooruit wil gaat naar Parijs. Parijs spreekt minachtend van de provincie. En toch ontvangt het zijn krachten altijd weer uit de provincie. Het zou anders niet kunnen bestaan. Zo ook in Rome. Rome at van de toevoer uit de provincie. Zowel lichamelijk als geestelijk. Daar werden de krachten der wereld als in een brandpunt tezamen gevoerd. Maar daar verteerden ze ook voor een goed deel. Want wie in Rome kwam werd er niet veel beter. We vergeleken het met Parijs. Ge weet, Da Costa noemde Parijs het Babel van deze dagen. Welnu, in de Openbaringen van Johannes wordt Rome ook Babel genoemd. Zo was het in de hoofdstad.
En daarbuiten? Rome werd nagevolgd. Geen stad van enige betekenis of ze had haar amfitheater, haar circus, haar baden enz. In de negentiende eeuw zijn in dat opzicht vele oude bouwwerken weer gevonden. Zelfs een hele stad heeft men teruggevonden. In 79 na Christus werden de steden Herculaneum en Pompeï door een uitbarsting van de Vesuvius bedolven onder as en lava. In onze tijd zijn in Pompeï vooral opgravingen gedaan. Het bleek dat juist vele inwoners een voorstelling bijwoonden. Op de ene marktzijde alleen zijn veertien standbeelden gevonden. En zo ging het overal. In iedere stad van enige betekenis werd ontzaglijk veel werk besteed aan gebouwen en standbeelden. Dezelfde publieke vermakelijkheden konden in het klein gevonden worden.
Voor het platteland waren de toestanden niet gunstig te noemen, tenminste niet in het moederland, in Italië. De bodem was in het bezit van enkelen. Men vertelt dat in Nero's tijd de helft van de provincie Africa in handen was van zes eigenaren. De landgoederen hadden de omvang van provinciën. De vermogens hebben misschien niet de hoogte bereikt van de Rothschilds, maar we moeten niet vergeten dat in onze tijd het grootkapitaal lang niet zo schadelijk werkt al is er misschien een gevaar in. In onze tijd rolt het geld veel gemakkelijker. Niet omdat het ronder is, maar omdat de rentestandaard veel lager is. Al is één de bezitter, dan kunnen er toch velen een goed bestaan uit hebben door het te gebruiken. In de oude tijd onttrok het grootbezit veel meer aan de gemeenschap. Denk bijv. eens aan de tijd waarvan oude mensen nog wel weten te vertellen dat er geldkisten gehouden werden die aan een ketting vastlagen. Dat geld kwam niet onder de mensen. De eigengeërfde boerenstand was in Italië zeer verminderd. In de oorlogen waren hele streken ontvolkt geworden of de goederen verbeurd verklaard. In hun plaats hadden de veldheren dikwijls oude soldaten gezet. Maar mensen, die de halve wereld hebben afgereisd, zijn niet het meest geschikt om rustig een boerderij te drijven. Anderen pachtten met een klein kapitaal, maar een geschikte pachterstand, daaraan ontbrak het en die werd bovendien door dezelfde bezwaren gedrukt als ook nu nog. Opmerkelijk is dat de huurtijd ook toen reeds vijf jaar was. En zo kwam het dat de landbouw langzamerhand achteruit ging. Natuurlijk was dat buiten Italië niet overal zo. In dit grote, uitgestrekte rijk waren natuurlijk de toestanden evenmin dezelfde als bijv. in ons kleine Nederland. Vergelijk eens Groningen met Friesland en Overijssel met Zeeland. En we hebben reeds opgemerkt, in het Romeinse rijk vloeide op den duur het geld uit het midden naar de omtrek.
We willen nu nog even zien naar andere bedrijven die er uitgeoefend werden. Tengevolge van het vele bouwen in deze tijd2 werden natuurlijk de vakken die daarmee samenhingen bloeiend, bijv. steenfabrieken. Zo ook metaal- en steenarbeid. Kunsthandwerken (Makkumer blauw). Kunstvoorwerpen kwamen meer en meer ook in het huis van de kleine man. In sommige vakken die meer het openbare leven dienden ontstonden een soort gilden. De middeleeuwse burgermaatschappij schijnt nog in het Romeinse rijk ontstaan. Ook begon er zo iets te komen als grootindustrie. Het verschil tussen fabriek en handwerk bestond echter slechts hierin dat een fabriek een grote inrichting was. Tegenwoordig is het anders. Nu neemt de fabriek het handwerk over. We willen niet al de vakken opnoemen. Het zijn vrijwel dezelfde als tegenwoordig. Er waren ook verschillende posten bij de staat. Aan het hof, bij leger en vloot kon men gaan. Aan de badinrichtingen betrekkingen bekleden. Toezicht hebben op waterleidingen enz. Ook de herbergen nemen in deze tijd toe.
We moeten nog even wijzen op wat in onze tijd academisch onderwijs heet. Tegenwoordig is er academisch onderwijs tot predikant, dokter, advocaat, verder ook in filosofie, rechten. De opleiding tot predikant staat met de christelijke kerk in verband. Maar in de oude tijd, in het Romeinse rijk, bestond niet zoiets. Men zou kunnen denken dat al was er heidendom er toch wel mannen konden zijn die in de leer onderwezen en belast waren met de bespreking en verzorging der hoogste belangen. Maar dat was bij de Grieken en Romeinen geheel anders. Een priester had slechts de roeping om te zorgen dat de offers en andere godsdienstige plichten juist in de vorm werden verricht. Hij was met die dingen op de hoogte en kon dus de leek daarbij helpen. Met het zedelijk leven had de priester niet te maken. Dat berustte op volksgewoonte en stond feitelijk naast de godsdienst of zeer los ermee verbonden. Dat alles geldt tenminste van de staatsgodsdienst. De Romeinse staatskerk zouden we zo zeggen. We zullen straks zien dat aan de godsdienstige behoefte ook op andere wijze werd voldaan. Om een antwoord op de vragen des harten te krijgen moest men niet bij de priester zijn. Maar dat waren de filosofen, de wijsgeren en de geheimleraars, die daarover handelden. Die krijgen echter straks nog een beurt. Toneel was ook moraliserend.3 Maar als de jongen dan geen predikant kon worden, dan kon hij toch dokter worden. Nu, dat was in die dagen geen slechte betrekking. De geneeskunst heeft dan ook onder het Romeinse rijk niet onverdienstelijk gearbeid. De heren werden overigens goed betaald. Een dokter in Rome werd door een der keizers verbannen en zijn goederen verbeurd verklaard. Ze brachten een miljoen gulden op. Nu, dat was dan ook een wonderdokter. Die verdienen tegenwoordig nog veel. Een andere, een koudwaterdokter, liet zich door een patiënt fl 30.000,- voor een behandeling betalen. Nu, als hij dan maar rijk genoeg was. De schapen worden wel eens geschoren naar dat ze wol hebben. Maar toch hadden ze goede verdiensten. Een keizerlijk dokter kreeg fl 25.000,-; hij verdiende er jaarlijks met praktijk fl 60.000,- bij. De plattelandsdokters zullen echter wel wat minder gehad hebben. Had de jongen geen zin om dokter te worden, advocaat worden kon hij ook. De studie van het recht, dat was het echte vak van de Romein.
Wij leven nog altijd onder het Romeinse recht. Het Romeinse recht heeft het Germaanse of Salische recht bijna geheel verdrongen. God heeft voor elk volk een taak. En het is daarom de vraag of het goed is te willen dat bijvoorbeeld voor het Romeinse recht het Mozaïsche recht in de plaats komt (antirevolutionair). Dit is niet de taak van het openbaringsvolk geweest. Wie heersen wil, moet rechtvaardig zijn. En al hebben de Romeinen in sommige tijden wel eens geplukt wat er te plukken viel, het is niet zonder verband met elkaar. De rechtenstudie ontstond langzamerhand. Oorspronkelijk stond het recht onder bewaking van een hoog priestercollege, maar langzamerhand begon de studie van het recht ook door particulieren beoefend te worden. Onder de keizer ontstaat er dan langzamerhand eenzelfde recht voor het hele rijk. Dit recht is samengevat in het corpus iuris en is thans nog voor onze maatschappij een bron van rechtsstudie. In de andere takken van wetenschap is onder de keizer niet veel geleverd. Deze kundigheden werden niet evenals tegenwoordig aan vaste inrichtingen (universiteiten) geleerd, maar wie in enig vak bekwaamheden had, die verzamelde leerlingen om zich heen die hem dan een honorarium betaalden. Ook meen ik niet dat de uitoefening aan bepaalde voorwaarden gebonden was. De toestand op dit gebied was veel vrijer. Voor het lager onderwijs bestonden evenals in onze tijd scholen waaraan dan voor elk hoofdvak een leraar met het onderwijs belast was. Aanzienlijken lieten ook wel hun kinderen thuisonderricht geven.
Het gehele gezinsleven onderging onder de keizers een gehele verandering. Vroeger was de huisvader rechter in zijn gezin. De souvereiniteit in eigen kring stond hier onder het licht van het recht. Vrouw en kinderen stonden onder zijn gezag en zijn hand, zoals men het uitdrukte. In deze tijd treedt deze rechtstoestand langzamerhand op de achtergrond. Voor het kleine koninkrijk van het gezin kwam de familie in de plaats in meer nieuwerwetse, hedendaagse zin. Voor de rechtsbetrekking de band des bloeds. Natuurlijk was hieraan een gevaar verbonden. En dat gevaar was dat de band los zou worden. Dat gevaar is dan ook niet geheel denkbeeldig geweest. Naast echtelijke trouw en voorbeeldig menselijk leven kwam ook veel losbandigheid en losheid van zeden voor. Het beeld dat Augustinus hiervan tekent in zijn Bekentenissen is waarlijk niet rooskleurig. Nodig was dat de banden van het gezin geheiligd werden nu ze uit het strenge, wettelijke juk vandaan gekomen waren. En dat kon alleen een nieuwe geest. Ge moet uit dat oogpunt eens lezen de schone christelijke huistafel in het zesde hoofdstuk van de Efezebrief. Het christendom moest hier redding brengen. ⚑Hier is het de plaats erop te wijzen dat men wel eens de tijden voor en tijdens Christus' komst te zwart aanziet. De schildering van Paulus in een Romeinenbrief is scherp genoeg en we hebben reeds gezien dat er aanleiding toe was. Maar we mogen nooit vergeten: ook de heidenen zijn mensen naar Gods beeld geschapen en we zouden verkeerd doen als we ze als een soort wilden aanzagen. Menige zijde van de menselijke natuur is op heerlijke wijze geopenbaard, ook in het Oudromeinse rijk. Zo wordt er wel eens gezegd dat eerst het Evangelie de vrouw tot de gelijke van de man verheven heeft. In de diepe geestelijke zin moge dit waar zijn. Ook in zedelijke zin kan het gelden, maar maatschappelijk is het onwaar. Menige man stond ook in die dagen onder een pantoffelregiment. Enfin, dat bewijst niet veel. Evenmin dat aan het hof soms vrouwelijke invloeden de boventoon hadden. Meer betekenis heeft het volgende. Vrouwen mochten eigen vermogen hebben, eigen zaakwaarnemers, deze laatste zeker niet altijd tot bevordering van de vrede in het gezin. Stemrecht hadden ze niet, maar ze hadden wel het recht een kandidaat openlijk aan te bevelen. En wie weet, hoe menige man om des lieven vredes wille de kandidaat van zijn vrouw gestemd heeft. Op de muren van Pompeï, die opgegraven stad, vond men verscheidene reclames met vrouwelijke handtekening. Maatschappelijk waren ze dus in menig opzicht onze tijd vooruit. Wie weet echter hoe spoedig de twintigste eeuw dit record verbetert. Ik wil niet beoordelen of het wenselijk is. Zoals we reeds opmerkten, was er een dieper beginsel nodig dat deze vrijheid droeg en dat beginsel is nóg nodig. Dat God man en vrouw schiep naar zijn beeld, dat in Christus is noch man noch vrouw.
Een ander lichtpunt in de maatschappelijke ontwikkeling was dat er langzamerhand meer gelijkheid onder de mensen kwam. Wel breidde het aantal slaven zich eerder uit dan dat het verminderde, maar de verhouding werd op den duur een andere. De tijden waren voorbij dat een Romeinse dame de dood van een slaaf doorzette bij haar echtgenoot met de opmerking dat een slaaf geen mens was. Uit die slavenstand die misschien in Rome de helft der bevolking uitmaakte kwam een andere stand voort: de libertijnen of vrijgelatenen. Dit waren slaven geweest die om de een of andere reden door hun meesters waren vrijverklaard. In Hand. 6:9 leest ge van de synagoge der libertijnen, waarschijnlijk vroegere Joodse slaven. Deze libertijnen bekleedden vaak posten aan het hof of ze legden zich op de handel toe en wisten zich dikwijls tot rijkdom en eer omhoog te werken. Zelfs onder de ministers der keizers komen zulke vrijgelatenen voor. Natuurlijk droeg deze toestand er zeer toe bij om de strenge onderscheiding der standen weg te nemen. Wanneer staatsministers en beroemde wijsgeren konden voortkomen uit een onvrije stand, dan lag het gevoelen voor de hand dat er geen onoverbrugbaar onderscheid tussen mensen en mensen bestaat. En zo voltrok zich hier langzamerhand eveneens een ommekeer. We zouden kunnen zeggen: hier kwamen de rechten van de mens op. Maar ook hier geldt hetzelfde wat we zoëven opmerkten: de verhoudingen werden losser en hadden een andere en zedelijke band nodig. Merkwaardig is hier dat kleine briefje in het N.T. van Filemon. Dat briefje spreekt boekdelen op het punt dat we hier bespreken. We kunnen dus wijzen op een verzachting der zeden in vele opzichten, maar gepaard gaande met ontbinding. De wereld was in een overgangsperiode. Ze kwam op menig gebied de Christus tegemoet om van Hem te ontvangen nieuw leven.
Het wordt tijd dat we afscheid nemen van de staatkundige en maatschappelijke toestanden om een blik te werpen op het geestelijk leven van die tijd. De tijdsomstandigheden droegen ertoe bij dat men zich bezig hield met de dingen des gemoeds. Allereerst gaf het publieke leven daar aanleiding toe. Het leven van de Romein in de oude tijd was geweest leven om zijn land en de politieke grootheid daarvan. Maar thans was dat doel volkomen bereikt. Er viel niet meer te veroveren. Het leven van de Romein verloor in zekere zin zijn doel. En dit moest tot een crisis voeren. Daarbij kwam nog iets anders. De Romeinse keizers staan in veler geheugen met een zwarte kool getekend. Toch geldt dit oordeel slechts voor enkelen. In de tweede eeuw hebben een reeks keizers geregeerd die als voorbeeld voor alle eeuwen kunnen gelden. De opvolging was adoptief geregeld. Welnu, deze keizers bemoeiden zich in hun ijver voor de publieke zaak met vele dingen. Onze tijd kent zijn Reise-keizer, de oudheid had er ook een. Keizer Hadrianus (gest. 138) wandelde te voet door het grootste gedeelte van zijn rijk. Dat was natuurlijk zeer ten voordele van een rechtvaardig bestuur. Maar we wilden nu wijzen op de keerzijde. Dit leidde meer en meer tot een centralisatie van het bestuur, zodat van bovenaf alles geregeld werd. Stel bijv. dat de Gedeputeerde Staten zich al te veel met gemeentezaken gingen bemoeien, dan zou tenslotte niemand meer een plaats in de gemeenteraad willen bekleden.
Zo ging het in het Romeinse rijk. De aanzienlijke bewoners wilden geen ereposten meer aannemen, omdat keizerlijke beambten zich overal mee bemoeiden. In de late keizertijd zijn zelfs wel eens raadsheerplaatsen met dwang bezet moeten worden. Het gevolg hiervan was dat niet alleen buitenlandse politiek, maar ook binnenlandse politiek de aandacht niet meer vermocht te boeien. We moeten niet over het hoofd zien dat deze dingen vrij wat aandacht in beslag kunnen nemen. Wie geregeld een courant leest, wijdt in onze tijd heel wat belangstelling aan het buitenland. Denk nog slechts eens aan de ontzaglijke belangstelling die de Boerenoorlog in alle kringen gaande maakte. En dan de binnenlandse politiek. Hoe menig tumult van een pittig debat in Eerste of Tweede Kamer gevoerd, hoeveel tijd en ook hoeveel aandacht neemt dat in beslag. En denk nu al deze dingen eens weg. Dan zou er minder aandacht moeten zijn, of men moest deze aandacht aan andere dingen wijden. Welnu, zo ging het in het Romeinse rijk. De politiek verloor de belangstelling. En dat betekende in Rome nog veel meer. Men wendde zich meer tot persoonlijke belangen. In het Romeinse rijk betekende dat een wending van het leven van de straat naar de binnenkamer. Want de Romeinse politiek lag op straat en niet, zoals bij ons, bij de kachel en lange pijp. Meer in de studeerkamer ging het leven van de Romein die daarvoor tijd had. Meer met belangen van het persoonlijk leven ging hij zich bezighouden. Boeken kwamen meer en meer in ere en het overschrijven van boeken werd een vast handwerk. Tevens werkte het gebruik van perkament hiertoe mede. Deze wending van de buitenwereld tot het innerlijke leven is het grote kenmerk van de twee eerste eeuwen na Christus, de tijd waarin ook het christendom zijn eerste schreden in de wereldgeschiedenis deed.
De Franse schrijver Gaston Boissier,4 die het godsdienstig leven der Romeinen in die tijd beschreef, zegt ervan dat wie na Cicero's geschriften te hebben bestudeerd de brieven van Marcus Aurelius in handen krijgt zich in een andere wereld verplaatst voelt. In twee eeuwen is de Romeinse maatschappij overgegaan van ongeloof tot vroomheid (vroomheid hier natuurlijk niet te verwarren met christelijke vroomheid).
Het zijn de belangen des harten die in deze tijd naar voren komen. Er ontstaat schuldbewustzijn en behoefte aan verlossing. Het leven wordt subjectief, persoonlijk. De Duitse dichter Goethe heeft de opmerking gemaakt dat alle wereldperioden die tijden van ontbinding en oplossing zijn, subjectief, persoonlijk zijn. Gemeenschappelijke levensbelangen vallen dan weg. Ieder kiest zijn eigen weg. Er is een zoeken naar nieuw geestelijk voedsel. Er is vraag naar nieuwe kracht. Zo thans in het Romeinse rijk. De tijden waren voorbij dat men tevreden was met een stukje moraal in een toneelstuk. Men wendde zich met alle kracht tot de vragen des levens. Versterkt werd deze zoekensdrang door het gevoel dat men had dat de wereld in zekere zin afgeleefd was. Men gevoelde geen kracht meer in zich. Langzaam werden alle levensuitingen in kracht minder. Zoals we gezien hebben, de maatschappelijke en politieke toestand was niet slechter, maar de hoogte was bereikt en men moest achteruit en het ging achteruit. En dit geeft een angstig gevoel. Waar moet het heen, deed het vragen. Daarbij kwamen onheilspellende voorspellingen. Al deze dingen werkten samen tot een angstig vragen om heil en verlossing.
Er was nog een andere factor die deze beweging in de hand werkte. In de tijd, voordat keizer Augustus de eenheid des rijks voorgoed vestigde, waren alle godsdienstige overtuigingen in Rome op losse schroeven gekomen. Men geloofde niet meer aan zijn goden die men vroeger vereerd had. Welnu, de drang naar verering zit de mens in het bloed. Het heeft behoefte aan aanbidding. We zien het in onze tijd. In vele kringen waar het christelijk geloof is weggevallen heerst een verering van de wetenschap die aan goddelijke verering doet denken. De helden der wetenschap bekleden in sommige kringen de plaats van halfgoden.
Nu hebben we gezien dat in Rome de wetenschap in deze tijd niet krachtig bloeide. Maar er was iets anders. Het eerbiedwaardigste wat er op de wereld te zien was, was de eenheid en de grootheid van het Romeinse rijk. En nauw daarmede verbonden zijn stichters Caesar en Augustus. Welnu, Augustus wist geen beter middel om de godsdienst te herstellen dan zichzelf als vertegenwoordiger van de indrukwekkende rijkseenheid tot godheid te verheffen. Er werd een keizerdienst ingesteld en dit was een doel, dat keizer Augustus nooit uit het oog heeft verloren. We hebben nog in de namen van twee maanden een overblijfsel van deze verering: juli en augustus. Na Augustus is deze keizerdienst gebleven. Natuurlijk kon zulk een kunstmatige dienst de gemoederen niet bevredigen, evenmin als in onze dagen de dienst der wetenschap. En zo werd het streven naar licht en troost er door bevorderd.
En met de drang in het hart heeft men zich aan het zoeken gezet op beschamende wijze. Er ontstonden allerlei genootschappen waarin men door bijzondere plechtigheden kon ingewijd worden. Ze waren geheim. Daar werden geen offers meer gebracht, maar daar hadden geheimzinnige handelingen plaats: wassingen, zalvingen, water drinken en brood eten. Niet, dat men zich onttrok aan de staatsgodsdienst, die wilde men wel meedoen, maar voor zichzelf zocht men het geestelijk voedsel in deze geheime genootschappen. We kunnen zeggen: voor volkeren waren kerken in de plaats gekomen wanneer we het woord 'kerk', dat een christelijk woord is, eens op dit gebied mogen overbrengen. (Met de Hervorming pas weer anders). Voor een publieke staatsdienst kwam een geheime, gemeentelijke dienst in de plaats.
Uitwendig verschilden de eerste christelijke gemeenten weinig van deze gemeenschappen. Men zou uitwendig kunnen zeggen: de christelijke gemeenten waren enkele van die vreemde genootschappen. Maar de uitkomst heeft het innerlijk onderscheid aangewezen. Al die genootschappen zijn verdwenen. De christelijke kerk breidt zich nog steeds uit over de wereld. God giet het leven in bestaande vormen. Hij bewijst zijn tegenwoordigheid niet op uiterlijke wijze, maar door zijn Geest.
Maar we keren thans tot die heidense genootschappen terug. Wat was de leer van deze mensen? Hun godsdienst? Het is niet gemakkelijk hierop in een paar woorden een antwoord te geven. Een vaste leer hadden ze niet. Ze hadden geen dogmatiek. Wel bestond er een soort geheimleer waarover de leden onderling het eens waren. Die geheimleer betrok zich dan op de toestand hiernamaals en de middelen om hiernamaals in de gewesten des lichts te komen. Men moest daartoe wijdingen in dit leven ontvangen en namen kennen om toegang te krijgen. Het onsterfelijkheidsgeloof trad dus in deze tijd zeer op de voorgrond in tegenstelling tot vroeger tijden, toen men meer aan dit leven de aandacht wijdde. Het is niet onmogelijk dat de apostel Paulus in tegenstelling met deze verborgenheden en deze sleutelen spreekt, als hij zegt: 'De verborgenheid der Godzaligheid is groot' (1 Tim. 3 : 16); 'Hebbende dit zegel: De Here kent degenen, die de Zijnen zijn' (2 Tim. 2 : 19).
Met deze beschouwingen hingen samen allerlei denkbeelden over hemel en aarde, over oorsprong èn einde aller dingen, over de oorsprong van het boze enz. In al deze dingen, ja zelfs in de overtuiging over het hiernamaals is een zekere levenszatheid niet te miskennen. De oude wereld was haar jeugdige kracht kwijt. In verband hiermee stond ook de neiging tot ascese, dwz. onthouding op allerlei gebied, waardoor men het boze hoopte te overwinnen.
Tegenover deze dingen moeten we er temeer nadruk op leggen, dat bij Jezus Christus in de evangeliën waar toch ook op het hiernamaals telkens gewezen wordt niets van die levenszatheid te bespeuren valt. Integendeel heeft de strenge onthouding in het leven van Jezus geen plaats.5 We moeten daarop wijzen, omdat de eerste christenen spoedig ascese oefenen en wereldschuw zijn. Dit is een inwerking van bestaande toestanden in de toenmalige wereld.
Behalve het onsterfelijkheidsgeloof bloeide het voorzienigheidsgeloof sterk op. Op de duizenden grafstenen die men gevonden heeft zijn de bewijzen te vinden. Als men een plan maakte, voegde men erbij: als de goden het willen. Men was zich levendig bewust van de invloed der goden op het leven. Het was echter in deze periode duidelijk te zien dat er een tijd van ongeloof was voorafgegaan. Het ongeloof maakt heel dikwijls baan voor het bijgeloof. En zo ging het ook in het Romeinse rijk. Deze tijd van herlevende heidense vroomheid was daar sterk bijgelovig. Om iets te noemen, zo verhaalt de Romeinse geschiedschrijver Suetonius, dat een kind van Augustus, toen het begon te praten, eens aan de kikvorsen het zwijgen had opgelegd en dat deze gehoorzame beestjes later nooit meer hadden gekwaakt. Spookgeschiedenissen waren zeer in zwang. Men deed druk aan geestenbezweringen. Op voortekenen sloeg men veel acht. Orakelspreuken bepaalden het levensgedrag van menigeen.
Een punt is bijzonder belangrijk in dit opzicht: de astrologie. Astrologie is de wetenschap der sterren in verband met de loop der levens- of wereldgebeurtenissen. Men beoefende de sterrenkunde niet zozeer uit wetenschappelijk als wel uit praktisch belang. Bij de geboorte werd onmiddellijk uit de stand der sterren het lot opgemaakt.6 Bijzonder veel invloed hadden in dit opzicht de planeten. Planeten trekken. Deze sterrenwichelarij is nog in de middeleeuwen van grote invloed geweest. De verschijning van een komeet, een staartster, verspreidde in de middeleeuwen overal schrik en angst. Deze bijgelovigheid gaf natuurlijk wel een aanleiding voor schandaal. Er waren weleens bedriegers die er gebruik van maakten om er geld uit te slaan. Het meest bekend is het bedrog van een zekere Alexander van Abonuteichos. Deze Alexander was bij een dokter in de leer geweest waar hij handig goochelen geleerd had. Door een samenweefsel van bedrog deed hij zich aanzien als een profeet van de god Aesculapius, de heelmeester. Hij deed in alle pracht zijn intocht in zijn geboortestad. Nu liet hij bekend maken dat de god als een slang zou verschijnen. (Slang op doktersbriefje). Hij liet een uitgeblazen ganzeëi vinden, waarin zich een kleine slang bevond. Een poosje later toonde hij een grote slang. Zo hard is de god gegroeid, beweerde hij. Hij zat dan met de slang om zijn hals en liet door middel van een linnen slangekop die met handen kon open en dicht getrokken worden en waarin een spreekbuis uitkwam de zogenaamde god spreken. Op die wijze won hij jaarlijks een 36.000 gulden en werd hij algemeen geëerd tot zijn 70e jaar; zelfs de keizer luisterde naar zijn godsspraken. Aan dromen werd evenzeer veel waarde gehecht.
Op godsdienstig gebied waren in de eerste en vooral in de tweede eeuw na Christus al de grenzen weggevallen. Vroeger had elk land zijn goden. Maar met het wegvallen van de politieke grenzen vielen ook deze grensmuren. Egyptische goden werden in Rome vereerd naast Griekse, Perzische en Oudromeinse en zo ging het het gehele rijk door. Wij wezen er reeds op: er ontstonden godsdienstige genootschappen.
En nu was er een groot onderscheid tussen de vereringen van deze tijd en van vroeger tijd. De oude volksgoden waren natuurgoden geweest, dwz. men vatte de verschillende natuurkrachten als de zon, de storm, de regen als persoonlijke machten op en die machten vereerde men dan. Zo hadden de oude Romeinen een god van het licht, een god van de zee, de goden van de aarde, van het koren, ja soms van allerlei kleine dingen, bijv. van het stotteren van een kind.
In deze tijd van samenvloeiing krijgen de goden meer een ander karakter. Men vraagt niet alleen meer een god voor het natuurlijke leven, maar bovenal voor het leven hiernamaals. Vooral godsdiensten uit Azië drongen in Europa binnen. De Perzische god Mithra werd een tijdlang in een groot deel van het rijk vereerd. De vraag kwam meer en meer op de voorgrond: wat moet ik doen om zalig te worden?7 Het bloed van de geslachte dieren liet men op zich lopen en andere plechtigheden meer waaraan men verzoening toeschreef. Het zondebewustzijn is in deze tijd door de heidenen vaak sterk gevoeld.
De twee eerste eeuwen zijn geen eeuwen geweest van atheïsme (godsdienstloosheid), maar van heidense godsdienstigheid. In het godsdienstig leven stond de vraag op de voorgrond: wat moet ik doen om zalig te worden? Er is ons een andere vraag in de Schrift opgetekend, ook door een heiden gedaan: wat is waarheid? (Pilatus). Welnu, de betekenis van deze vraag moeten we nog even bespreken. Er was onderscheid in stand tussen de stokbewaarder van Philippi en de stadhouder van Judea. En datzelfde onderscheid kunnen we enigszins doortrekken door het gehele rijk. De eenvoudige heiden vroeg meer: wat moet ik doen om zalig te worden? De aanzienlijken vroegen: wat is waarheid? Dat wil zeggen, de lagere en middenstanden zochten meer hun troost in allerlei godsvereringen en geheime diensten en plechtigheden, de hogere standen zochten hun heil in de wijsbegeerte, in de beantwoording van de vraag: wat is waarheid? Ge vraagt misschien: wat is toch eigenlijk een wijsgeer, een filosoof. Ik moet zeggen dat een goed antwoord op die vraag te geven niet zo heel gemakkelijk is, tenminste een enigszins begrijpelijk antwoord. Men kan op een vraag zulke verschillende antwoorden geven. Wat is bijv. een idee? Leg me dat eens in uw eigen woorden uit. Ik wed dat we vrij verschillende antwoorden zouden krijgen. Plato bijv. heeft daarop geantwoord dat een idee is het volmaakte, waarvan de werkelijkheid een afspiegeling is; de gedachte die in de zaak ligt. Een koetsier antwoordde Heine op dezelfde vraag: "Nu, nu, eine Idee ist eine Idee! eine Idee ist alles dumme Zeug, was man sich einbildet."7a Maar een filosoof dan! Een filosoof wil weten hoe de wereld in elkaar zit. Wat is eigenlijk waarheid, vraagt hij. Hoe zit het eigenlijk met de dingen, met hun begin, hun doel? En hoe moet nu de mens zich inrichten om in overeenstemming te zijn met de gang en de betekenis der wereld, zodat hij gelukkig wordt? Dus we kunnen zeggen dat de filosofen zeiden: als ge weet wat waar is, dan kunt ge gelukkig worden. En de godsdienstige mensen zeiden: wat ons geluk, vrede geeft dat is waar. De eersten gingen meer met het hoofd, de laatsten met het hart te rade. En zo is het nog wel enigszins met de verhouding tussen beide. Godsdienst en wijsbegeerte staan niet altijd op goede voet met elkaar. Hoofd en hart kunnen wel eens tot verschillende uitkomsten komen. (Dit zou een avond vorderen om uiteen te zetten). In de tijd die ons thans bezighoudt was de verhouding tussen beide vrij vredig. Ook de wijsgeren hadden in deze tijd een praktisch doel. Het doel om iets voor het hart te geven. (Dit was langzamerhand zo geworden). De wijsgeren die oorspronkelijk zich hadden beziggehouden met de vragen naar ontstaan en bestaan van hemel en aarde waren ook in deze eeuwen die ons thans bezighouden niet ontkomen aan de drang naar het praktische. We kunnen zeggen dat de wijsbegeerte op haar wijze verzorgde wat op andere wijze in de zoëven besproken genootschappen werd gezocht.
En hetzelfde verschijnsel dat op godsdienstig gebied gezien werd, kan men ook waarnemen op wijsgerig gebied. De verschillende wijsgerige scholen liepen in elkaar en namen veel van elkaar over en stonden weer met elkaar op de beste voet met het heidense godsdienstig leven.
Twee scholen komen vooral in aanmerking: de stoïcijnen en de volgelingen van Plato. In de Handelingen der Apostelen leest ge van stoïsche en epicureïsche wijsgeren (Hand. 17 : 18).
Wat waren dat nu, die stoïcijnen? Het was een richting die al eeuwen bestaan had, maar voor ons is op het ogenblik alleen van belang wat ze thans leerde. En dan noemen we slechts één vertegenwoordiger, de wijsgeer Seneca, de broer van Gallio (Hand. 18 : 12-17). De grondstelling der stoïcijnen was, dat het hoogste goed de deugd was, het leven volgens de wetten door God in de schepping gelegd. (Paulus: de heidenen die de wet niet hebben etc. (vgl. Rom. 2 : 14)). Maar - en dit was het bijzondere van de stoïcijnen in deze tijd - zij begonnen in te zien dat het ideaal van een deugdzaam mens nergens gevonden wordt. Er is niemand die goed doet. En dit inzicht bracht er hen weer toe om te erkennen dat God het goede in de mens moet werken. God is dicht bij u, zegt Seneca: Hij is niet u, Hij is in u. Geen geest is goed zonder God. Later is men zeer getroffen geweest door zulke uitspraken die aan christelijke woorden doen denken. En men heeft zelfs een briefwisseling tussen Paulus en Seneca bedacht (onecht). Zwingli achtte Seneca bijzonder hoog en achtte hem gelijk met een christen.
We mogen echter het diepe onderscheid niet over het hoofd zien. Allereerst is niet alleen de vraag, wat gezegd wordt, maar ook wie iets zegt. Vele woorden uit de evangeliën kunnen we ook wel elders aantreffen. Zo bijv. dat God zijn zon doet opgaan over bozen en goeden, komt ook in Seneca's geschriften voor. En in de laatste tijd zijn vele geleerden bezig juist op deze overeenkomst te wijzen. Maar al moge men overeenkomst ontdekken, dit wast al het water van de zee niet af, dat door Christus de Heilige Geest gekomen is als de grootste gave aan de mensen. Dat drukt de apostel Paulus zo juist uit in 1 Kor. 2 : 4, 5: "Mijn rede, en mijn prediking was niet in bewegelijke woorden der menselijke wijsheid, maar in betoning des geestes en der kracht; opdat uw geloof niet zou zijn in wijsheid der mensen, maar in de kracht Gods." En wat Seneca zo goed inzag dat nodig was en ook wilde opwekken, dat verkondigde Paulus als werkelijkheid.
Bij de stoïcijnen van de Romeinse keizertijd wordt de filosofie vóór alle dingen een zaak van steun en troost tegen de onrust en het lijden van het bestaan. Inkeer tot zichzelf en opwekking van het beeld Gods in het binnenste belooft hun een zekere bevrijding. Maar alle zelfopwekking van de wijze overwint niet het gevoel van leegheid en geringheid. En terwijl Paulus tot de blijde uitroep kwam: 'Zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn' (Rom. 8 : 1), zinkt de stoïsche school hoe langer hoe meer in moedeloosheid neer en roept het uit: al het menselijke is rook.
Dit neemt niet weg dat zulke geesten als Seneca en zijn gelijkgezinden een merkwaardig verschijnsel vormen aan de vooravond van de wedergeboorte der oude wereld. Ook wordt bij de stoïcijnen een verzachting van zeden waargenomen. Bij de algemene trek van de tijd in deze richting waren zij de leidslieden. Seneca is de enige waarvan we weten dat hij protest heeft aangetekend tegen de spelen der zwaardvechters. Alle mensen golden hem als broeders en zusters. Zacht voor zichzelf waren ze overigens niet. De stoïcijn Epictetus was slaaf van afkomst. In zijn slaventijd kwelde zijn meester hem eens door zijn been in een instrument te zetten. Epictetus zei: het been zal breken. Een ogenblik later gebeurde dit werkelijk. Dat had ik u wel gezegd, zei de wijsgeer.
Tot deze stoïcijnen heeft ook een der keizers, Marcus Aurelius, behoord. Hij was, wat we in onze tijd een filantroop zouden noemen. Overal trachtte hij de scherpe hoeken die er aan het leven zijn af te vijlen. Als hij in onze tijd geleefd had zou hij een sterk voorstander geweest zijn van kindervoeding op school enz. Maar met een kind te voeden op school heeft het nog geen gezellig tehuis. Daarvoor zijn andere dingen nodig. Met christelijke en maatschappelijke deugden komt men er niet. En juist het krachtige en frisse en blijde ontbrak de heidense wijsgeren. Er was geen geestdrift, geen dadenlust.
Er is een mooi boek dat ge misschien weleens gelezen hebt of te lezen kunt krijgen. Het is getiteld: Hypatia, en is geschreven door een Engelse predikant, Charles Kingsley.8 Misschien de beste historische roman die er ooit geschreven is. Daarin wordt de wijsbegeerte van die tijd ook op meesterlijke wijze getekend. Het verhaal speelt iets later, in de zesde eeuw, maar de toestanden die erin getekend worden zijn feitelijk dezelfde. Terwijl de filosofen met duim en pink de fijne lijnen in de oude letterkunde aanwijzen en in schone woorden de draden van het wereldweefsel laten zien, gaan daarnaast de christenen over tot de aanval op de wereld en gaan in de dood om het geloof. Aan de ene zijde is beschaving, fijne, ragfijne beschaving, maar tenslotte slapheid en verveling, aan de andere zijde ruwer elementen, maar betoning des geestes en der kracht en hoop voor de toekomst.
We willen onze beschrijving eindigen. We moeten echter eerst nog enkele opmerkingen maken- En dan is dunkt mij de eerste gedachte die bij ons opkomt deze, dat we er na alles wat we gehoord hebben nog ver vanaf zijn om ons nu dat Romeinse rijk goed te kunnen voorstellen met zijn bewoners. Indien iemand zulk een opmerking maakte zou ik de eerste zijn hem dit toe te stemmen. En daarvoor zijn verschillende redenen. Ten eerste moet men om een tijd te kennen zijn leven aan de bestudering daarvan wijden. En wij hebben er nog slechts een avond aan besteed. En dan in de tweede plaats, al hebt ge alles gelezen en bestudeerd wat op een bepaalde tijd betrekking heeft, dan zijt ge er nog niet. Hoeveel moeite kost het niet zijn eigen tijd enigszins te verstaan en hoe gebrekkig kennen we die!
Een tweede opmerking hoor ik. Hoe was het nu eigenlijk, vraagt ge mij. We hoorden van ontzettende rijkdom en weelde, maar ook van armoede en slavernij. We kregen een bloeiende handel te zien, maar ook tekenen van verval. We hoorden van wreedheid en bloeddorst en tegelijk van verzachting der zeden. Van goddeloosheid en zedeloosheid en uitspattingen, maar ook van een zoeken en tasten naar God, van goede voornemens en een ingetogen wandel. Van bijgeloof en wondergeloof, maar tevens van filosofie en verlichting. Van familiebanden en van bandeloosheid.
Hoe was het nu eigenlijk? Ik zou een vraag terug willen doen: kent ge uw eigen tijd? En dan zou ik door willen vragen: hoe is onze tijd? Gaat de welvaart vooruit? Of nemen de proletariërs toe zoals de socialisten zeggen? Zal Europa de wereld beheersen, of is het een laatste wedloop die al reeds begint gestuit te worden? Wordt onze tijd ruwer, in sport en andere dingen, of worden de zeden zachter? Neemt het grootkapitaal toe of het kleinkapitaal? Wat is in onze tijd het sterkst, het geloof of het ongeloof. Neemt het bijgeloof toe, schuift Rome op, of komt er een wijsgerige stroom in onze wereld op? Wat zal er van het familieleven worden?
Ik denk dat ik zeer dankbaar zou zijn als ge mij deze vragen één voor één netjes op kondt lossen. Welnu, zo was het ook in de tijd die ik u beschreef. Het was geen sprookje, maar geschiedenis. En in de geschiedenis is een werking en gisting van allerlei krachten. En al zeggen we tegenwoordig om het andere woord: onze tijd staat in dit teken of in dat teken, in het teken van het sociale vraagstuk, of van evolutie, of van calvinisme, een tijd staat nooit in een enkel teken, of het moest zijn het teken des kruises.
En dat kunnen we ook zeggen van de tijd die we thans behandeld hebben. Allerlei krachten werkten daarin. Van deze kant bezien leek die tijd zo, aan een andere kant bezien weer anders. Maar ook van deze tijd kunnen we zeggen: ze stond in het teken des kruises.
Nu we zoveel later leven kennen we de uitkomst. De grote vrede in dat rijk is niet bestand gebleken tegen de tand des tijds. In de vijfde eeuw zijn daarop gevolgd de stormen der volksverhuizing en hebben een beroering op ons halfrond teweeg gebracht zoals later nooit weer. De schone wegen, paleizen, badinrichtingen, marmer en graniet zijn vervallen en onder het stof der tijden bedolven en zijn nog slechts een voorwerp van onderzoek voor kenners der oudheid. De grote handel is langzamerhand vervallen nadat men nog getracht had de prijzen kunstmatig vast te stellen. De landbouw is meer en meer vervallen en het Romeinse rijk heeft nog de lijfeigenschap zien opkomen. De schatkist is zo leeg geworden dat zilvermunten tenslotte niet meer waarde hadden dan koper, door verslechtering, en de belastingen soms in roerende goederen werden betaald. Alle pogingen zijn aangewend om de zaken op de been te houden, maar tevergeefs. De schone tuin die rondom de Middellandse Zee lag is verwoest geworden en zijn heining is omgeworpen. Hoe schoon die tuin geweest is. blijkt ook hieruit dat in de middeleeuwen het keizerrijk als een schoon droombeeld de wereld voor bleef zweven. Het Heilige Roomse Rijk bleef ook voor latere Duitse keizers in de middeleeuwen een naam die hen vervulde van grote geestdrift. En toen in de vijftiende eeuw de oude beschaving van de Grieken en de Romeinen weer meer bekend werd en een voorwerp van studie begon uit te maken, toen haar dichters en beeldhouwers weer begonnen te spreken, toen heeft Europa weer als een leerjongen schoolgegaan en met jeugdige geestdrift het oude als voorbeeld genomen.
Maar wat ook gevallen is, in die schone tuin die verwoest werd en die verwelkte stond een plant die niet is gestorven. En dat was de christelijke kerk. Het Romeinse rijk onder de keizers is de kweekbodem geweest van de christelijke gemeente op aarde. Die akker was vooraf door God bereid. En op die akker heeft deze planting Gods haar eerste groei volbracht. Het is aan die plant te zien in welke dampkring ze is opgegroeid. Aan haar dogma's merkt ge, dat het was in een land van filosofen en rechters. Aan haar inrichting, dat het was in een land van keizers en hiërarchie. Dat die inrichting door de tijdsomstandigheden bedongen was, hebben reeds de hervormers ingezien. In de dampkring der vrijheid heeft ook de kerk de republikeinse vorm aangenomen. En aan een overblijfsel van hiërarchie lijdt thans nog onze Hervormde Kerk. Dat de kerk zich ook in haar leerstellingen aan onze westerse beschaving heeft aan te passen en niet te star bij haar Griekse en Romeinse kleed mag zweren, dat wordt tot grote schade van de zaak van Christus nog minder algemeen ingezien. We blijven geloven dat vooral in dit opzicht onze Nederlandse Hervormde Kerk een grote roeping en een ontzaglijke verantwoordelijkheid heeft. Maar daartoe is nodig niet in de eerste plaats wijsheid van woorden, maar betoning des geestes en der kracht.
Heiden en christen, het is de grote tegenstelling in de wereld. En het mag aangemerkt worden als een bewijs van de ernst, maar ook van de diepte van onze tijd, dat die tegenstelling weer aan het licht treedt. Het heidendom steekt met kracht het hoofd op, in allerlei gedaante. Het onderscheid moet ingezien worden. Of men echter tegenwoordig de scheidingslijn goed trekt? Ge kunt die lijn verschillend trekken. Ge kunt die overlangs trekken, de mensen in twee groepen verdelen, òf ge kunt die overdwars trekken, zodat die lijn door alle mensen heenloopt. Zou men misschien tegenwoordig ook te veel die eerste lijn trekken en een deel van ons volk voor paganisten, heidenen verklaren? Spookt niet in ieder christen de heiden? Wat zegt de Schrift van de natuurlijke mens?
Heidendom is niet altijd iets lelijks. Dat hebben we vanavond kunnen opmerken. Heidendom is het natuurlijke leven zonder de Geest van Christus. En nu zegt de apostel: 'Want zovelen als gij in Christus gedoopt zijt, hebt gij Christus aangedaan' (Gal. 3 : 27). Een gedoopte kan niet meer een heiden worden. Zijn verantwoordelijkheid is groter. Maar in iedere gedoopte zoekt de heiden die in hem is Christus uit te trekken. En daarom is de openbaring van het heidendom in een christelijk land lelijker dan waar Christus niet gekend wordt, het wordt vijandschap. Tot iedere christen is dan ook de waarschuwing nodig: pas op, dat de heiden die in u is, de natuurlijke mens, u het teken des doops niet van het voorhoofd veegt. Dat hij Christus, die gij naar het woord van de apostel aangedaan hebt, niet uitschudt.
En zo kan ook niet recht een zekere richting in ons volksleven paganistische heidenen genoemd worden. Die richting zoekt geest en ze zoekt kracht. Maar bij de christen moet niet alleen zijn zoeken, maar beloning des geestes en der kracht.
En daarom is het beter de personen geen paganisten of heidenen te noemen, maar hen christenen te blijven heten. En hen toe te roepen: 'Zovelen als gij in Christus gedoopt zijt, hebt gij Christus aangedaan.'Trekt hem niet uit! Schudt hem niet af!