Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 1 · p. 205–227

Weergave

Gemeenschap en persoonlijkheid1

1

Bijna voor elk levensterrein is het mogelijk een tegenstelling aan te wijzen, die dat terrein beheerst. Die in de wetenschap het denken regeert en in het leven een spanning veroorzaakt, waaruit het niet mogelijk en evenmin geraden is uit te komen. 'Levensspanning' heeft men ze genoemd en daarmee het heilzame van deze omstandigheid willen aanwijzen. Zo ligt in de tegenstelling die ik boven dit opstel schreef het gehele gebied der ethiek voor ons uiteen als de bladen van een opengeslagen boek. Waar men het ook opent daar geeft het als opschrift boven de bladzijden: gemeenschap en persoonlijkheid; 'de naaste als u zelf'.

Het ligt niet in mijn bedoeling het onderwerp in onzijdige algemeenheid te bespreken. Ik zoek tot op zekere hoogte actualiteit, ook al sluit deze de betrekking op de grondvragen, die daarbij naar voren komen, niet uit. Maar juist deze actualiteit is zo geweldig. Hoe ontzagwekkend de stof ook moge zijn zolang ze wetenschappelijk wordt beschouwd, ze ligt dan stil in boeken en bibliotheken. Men behoeft er niet meer dan strikt nodig is van omhoog te blazen. Deze rustig slapende potentialiteit van m'n onderwerp is niets vergeleken bij de aanblik, die het aanbiedt in z'n actualiteit. Vergeleken bij de stof die het opwerpt, vulkanisch en eruptief, in deze buitengewone tijden en waarmee de Europese atmosfeer tot in de hoogste lagen bezwangerd is. Daarom laat ik ook deze volle Europese actualiteit ter zijde. De bolsjewieke kant van m'n onderwerp laat ik rusten. Misschien zijn wij getuige van de geboorte van een nieuwe wereld of bevinden ons in een soort diluviaal tijdperk. De tijdvragen hebben plotseling kosmische grootte verkregen en vrij recente literatuur is reeds verouderd. Hierbij kunnen wij weinig meer dan de rol van toeschouwers vervullen. De levensbezinning, die de verbazing tracht te overwinnen door inzicht, valt hier terug tot de meest passieve ontzetting. Deze geweldige sprongen zijn niet bij te houden en wanneer ik aan m'n onderwerp actuele kanten zoek af te winnen, dan moet ik mij vergenoegen met een geringere actualiteit. Niet die kosmische, of wil men, chaotische, waarop ik wees, maar een meer humane, klein-menselijke, die onder ons bereik valt. Hoezeer ik ook gevoel de verhoudingen, waaronder het ons verschijnt, opzettelijk te verkleinen, het is toch geboden. En meer dan wij thans kunnen zien, zal later blijken, dat de lijnen doorlopen. Bij al haar sprongen vertoont de historie toch een continuum.

Nu kunnen wij, op deze verkleinde schaal, nog volgens tweeërlei methode te werk gaan. De eerste wil de verhoudingen van personen en kringen zien in bijbels licht. Ze gaarne dopen met schone bijbelse namen. Een christelijke huistafel voor alle eeuwen. Prof. Van Dijk zegt, meen ik, ergens van een belangrijke gebeurtenis in het menselijk leven, de bekering, dat het er weinig toe doet of ze plaats heeft bijv. in een tuin of midden in de Sahara. De betekenis van het geestelijk feit is zo groot dat het toneel waarop het wordt afgespeeld onbelangrijk wordt. Welnu, wat hier van de ruimte gezegd wordt, kan ook van de tijd gelden. De verhouding van de persoonlijkheid tot de bekende kringen van familie, samenleving, kerk en staat behoudt dan een vrij constante waarde. Het is dan een christelijk gegeven, uit de bijbel welbekend en dat, in welke tijd ook bezien, gelijke inhoud openbaart.

Deze opvatting heeft zeer veel aantrekkelijks. Zij is nuchter, bezonnen; ze zoekt het wezenlijke; tracht op te ruimen met grote woorden en opgeschroefde gevoelens. - En toch kunnen we ons aan het transponeren van bijbelse levenstonen in andere historische toonaarden niet onttrekken. Deze transpositie kan een ingewikkeld en niet ongevaarlijk werk zijn, maar zij moet plaats hebben. Er is dus een tweede methode mogelijk, ook al blijven we binnen de verkleinde schaal. En daarbij denk ik aan een opmerking, die Troeltsch ergens maakt. Hij klaagt erover, dat de handboeken over zedekunde steeds-door de stof volgens een overgeleverd schema geven. Terwijl intussen alles zo belangrijk is verschoven, dat alleen de raadgevingen ten opzichte van het familieleven nog betekenis hebben." Deze verzuchting werd reeds voor de oorlog geslaakt en past dus in de verkleinde schaal, waarvan ik gebruik wenste te maken. En hoeveel nuchterheid, gezond verstand en fijne zin de eerste methode mij ook toeschijnt te bevatten, ik geloof niet dat wij ons aan de toepassing der tweede geheel zullen kunnen onttrekken. 'Christelijk' houdt meer in dan 'bijbels'. In de exegese mengt de historie haar machtig geluid.

Wanneer Troeltsch dan gelijk heeft dat ten opzichte van de wijdere gemeenschapskringen, buiten de familie, een algemene onzekerheid bestaat die nog slechts gedeeltelijk bedekt wordt gehouden door de vis inertiae waarmee de meeste handboeken aan de traditionele voorstellingswijze vasthouden, dan kan het ons niet verwonderen dat in de laatste tijd voor de tegenstelling: gemeenschap en persoonlijkheid de nadruk viel op het eerste woord. Wat men buiten een handboek kan houden, blijft daarmee niet buiten de algemene belangstelling.

Op andere wijze heeft prof. dr. Slotemaker de Bruine2 uiting gegeven aan gelijke overtuiging. Wanneer hij ontdekt dat in de sociologie de ene helft van het terrein in betrekkelijke rust verkeert, terwijl op de andere zijde een geweldige beroering valt waar te nemen, dan brengt dit hem tot het aannemen van een principieel onderscheid tussen de beide helften. Als volgt: "Er zijn in de zó bedoelde maatschappelijke verhoudingen weer twee groepen: verhoudingen, die ten principale altoos dezelfde blijven, zoals die tussen ouders en kinderen, tussen mannen en vrouwen, waar men bij alle wisseling en vervorming toch altoos zal moeten uitgaan van door de Schepper of 'de natuur' vastgelegde verscheidenheid en daaruit volgende relatie. Daarnaast de voortdurend groeiende en veranderende verhoudingen, die zich voordoen in de wereld van de arbeid en in die van het bezit; kapitalisme en de vormen van eigendom zijn tijdelijke verschijnselen, de vragen omtrent patroon-arbeider, vakorganisatie, medebezit evenzo."

Ik doe de schrijver wel geen onrecht, wanneer ik constateer, dat hij voor de meer persoonlijke zijde van de sociologie vasthoudt aan de lex naturae, die vroeger het gehele gebied der ethiek bestreek, terwijl hij voor al het andere een meer historische beschouwing huldigt. Wat Troeltsch als feit constateert zonder meer, wordt hier tot een principieel verschil verwijd en als zodanig vastgelegd in de beide helften der sociologie. Ik heb, in verband met de behandeling van m'n onderwerp, overwegende reden om reeds hier daartegen op te komen, omdat daardoor de persoonlijke kant van het leven tegenover de zakelijke zijde in het gedrang komt. De lex naturae moet allereerst daar, waar sprake is van de zeer persoonlijke verhoudingen in het leven, wijken voor een meer historische beschouwing. Ik constateer dat hier slechts om het straks, als de hoofdstrekking van m'n betoog, nader aan te wijzen. Voorlopig was het mij erom te doen te laten horen, met een paar uitspraken van op dit terrein gezaghebbende mannen, dat tegenover de persoonlijke de meer zakelijke gemeenschapszijde van het leven in een mutatieperiode zich bevindt.

Voor veler geestelijk leven heeft dat een gevoel van malaise meegebracht. Wanneer wij de sociologie nu nemen in de engere zin, waarin prof. Slotemaker de Bruine ze in het boven geciteerde boek bepaalt, als dat terrein van de verhoudingen der mensen dat er overblijft na aftrek van theologie, politiek en economie, en als we dan verder nog aftrekken het gedeelte dat volgens die schrijver constant blijft, de meest persoonlijke verhoudingen, dan resteert het gebied van de eigenlijke sociale kwestie. En dat deze kwestie in zo sterke mate beslag op ons legt; dat naar deze provincie van het leven de geestesbeweging zo krachtig getrokken wordt, heeft veler positie moeilijk gemaakt. Ouderen zullen soms genoodzaakt zijn ten opzichte van de sociale kwestie te erkennen, wat de Efesiërs moesten toegeven ten opzichte van de Heilige Geest: wij hebben niet geweten dat er een sociale kwestie was.

Daardoor kan men, ook in de predikantenwereld, wel eens een zekere spanning waarnemen tussen ouderen en jongeren. Een geringe ontstemming valt soms op te merken over het opdringen van sociale vragen in een kring, waar men gewend was zich bijna geheel voor het persoonlijke leven te interesseren. Terwijl omgekeerd degenen, die zich bevinden in de moderne arbeidersbeweging, hun verbazing niet altijd kunnen verbergen over de heilige onnozelheid, waarin het merendeel daaromtrent verkeert.

Nu denk ik er niet aan om het recht van de meer 'socialen' te ontkennen. Ook hun gaat het tenslotte om het recht der persoonlijkheid. Maar meer indirect. Zij wensen daarvoor de voorwaarden te scheppen. - Overigens hebben zij het getij mee, dat in hun richting drijft.

De laatstgenoemde omstandigheid brengt echter de 'persoonlijken' wel in 't gedrang. Dat is wat velen het gevoel geeft dat zij vreemdelingen en bijwoners worden. Zij merken dat in sterke mate de belangstelling voor de persoonlijke zijde van het leven, voor religieus levensgevoel, huisgezin, vriendschap, esthetische levensontplooiing geëbd is. Wanneer men zich een denkbeeld wilde maken van de mate waarin dit het geval is, zou het interessant zijn eens een onderzoek in te stellen naar de lengte van de brieven, die door onze tijdgenoten geschreven worden, omdat de brief de plaats is voor persoonlijke uitingen. Of zouden we te dien opzichte reeds in de verleden tijd moeten spreken en zeggen de brief was het en bevat thans reeds niet meer dan zakelijke inhoud? Waar zijn de Rabutins de Sévigné,3 de Schleiermachers, de Goethes, wier brieven nog zo graag gelezen worden? Voor recenter datum denk ik aan Potgieter en Busken Huet, aan Groen, Da Costa en Wormser.4

Ik kan met deze aanwijzingen volstaan om m'n bedoeling duidelijk te maken. Er dreigt geestelijke nood te ontstaan wanneer het zakelijke, het ‘sociale' zo sterk op de voorgrond dringt als dit waarschijnlijk in versneld tempo gebeuren zal, terwijl voor het persoonlijke menigmaal nauwelijks een oor te vinden is. Of zal misschien de geest, als onder de Romeinse keizers, naarmate het politieke terrein minder verkwikkelijk en het sociale steeds meer aan de vrije beslissing onttrokken wordt, zich met een forse zwaai binnenwaarts wenden en de spontane bronnen van het leven opzoeken? In beide gevallen is het nodig dat we deze zijde van het leven niet als te stabiel, maar als voor ontwikkeling vatbaar in het oog houden. De toekomst van ons geestelijk leven kan ermee gemoeid zijn. Daarom hebben we aansluiting te zoeken aan een persoonlijkheidsidee, die daartoe de voorwaarden in zich draagt.

Onze voorstelling van persoonlijkheid is, geloof ik, nog betrekkelijk weinig opgeklaard. Het is een van die begrippen, die slechts langzaam rijpen en die met de cultuur mee groeien. Eeuwen lang, tot op Kant, heeft, met geringe schommelingen, de formule van Boëthius5 gegolden, dat 'persoon' is een ondeelbaar stukje, een atoom van het met rede begaafde gedeelte der schepping. Deze bepaling is zuiver ontologisch en heeft geen richtende waarde voor het leven. Dat deze bepaling zich zolang heeft kunnen handhaven is wel merkwaardig, vooral omdat reeds vóór Christus' geboorte het Romeinse recht een begrip van persoonlijkheid gevormd had dat veel bruikbaarder is. Persoonlijkheid is daar het recht om een vermogen te bezitten. Deze betekenis houdt een waardebegrip in; de inhoud is voor ontwikkeling vatbaar en kan op geestelijke goederen worden overgedragen. Dat er voor ons nog zoveel onhelders bleef in de idee der persoonlijkheid zal wel mede hieraan liggen, dat de morele opvatting sedert Kant nog steeds doorkruist wordt door de ontologische van Boëthius. Een ouderwetse coupé van de Staatsspoor bood plaats voor tien personen, ook al vervoerde een gehele trein geen enkele persoonlijkheid. In dat geval vervoerde de trein ontologische personen, naar het recept van Boëthius. Personentrein staat daar tegenover goederentrein of veetrein, als inhoudende geen atomen van de redelijke schepping. Kant echter, die men 'de filosoof van het protestantisme' heeft genoemd, heeft met z'n scherpe blik de centrale plaats van deze idee in het 'hervormde' leven ontdekt.6 Alles is met Luther persoonlijker geworden.

Men merkt dat echter pas langzamerhand. Nu nog leven we gedeeltelijk onder thomistische hemel. Overtuigingen en beslissingen worden daardoor in sommige gevallen gemakkelijker gemaakt, dwz. minder persoonlijk. Dit laatste geldt bovenal voor het maatschappelijk leven, waar Luther het thomisme vrijwel liet bestaan. Wel deed het calvinisme meer, maar ook onder ons bestond of bestaat nog een goed stuk van deze geestelijke bouw. Wanneer onze grootmoeders 's avonds de stormwind hoorden om het huis, gedachten ze 'de arme zeeman'. De felle vorst deed haar geregeld denken aan 'de arme mensen'. Deze en dergelijke twee-een-heden had God voor elkaar geschapen. Hij speelde ze tegen elkander uit zolang de wereld stond. In het vaste complex van natuur- en zedewetten, die elkaar voldoende verwant waren om als raderen in elkander te grijpen, hadden ze haar bepaalde plaats.

Voor ons zijn ze begonnen daaruit te treden. Kosmische tegenstellingen zijn het voor ons niet geheel meer. Ze zijn bezig zich te ontwikkelen tot een 'persoonlijk feit'. En beginnen als zodanig zelfs een scherpe vorm aan te nemen. Ze dringen tot het, liefst wat vlug, vormen van overtuigingen, zo niet tot het nemen van, soms overhaaste beslissingen. Na de religieuze tegenstellingen van zonde en genade, boete en absolutie, die in de middeleeuwen eveneens onpersoonlijk bestonden en door de kerk werden overbrugd, maar door Luther tot persoonlijk feit werden, komen thans de sociale correlatieven zich voor de persoonlijkheid plaatsen en haar krachten oproepen. Waar de thomistische ethiek ons vertrouwd heeft gemaakt met de regels voor de huishouding, maar voor onze tijd ons in de steek laat ten opzichte van de staathuishoudkunde, daar heeft deze laatste zich gewroken door in de laatste jaren een vrij onaangename invasie in onze huishouding te doen. Het terrein voor het persoonlijke wordt verwijd.

In beginsel heeft Calvijn deze vereniging reeds voltrokken. Hij scheidde niet zo sterk als Luther de persoonlijke ethiek, de ethiek van familie- en vriendschapsverhoudingen waarbij ook de liefdadigheid blijft ingesloten, van de beroepsethiek, zodat de huisvader ten koste van de burger werd gecultiveerd, maar rekende maatschappelijke en politieke ordeningen zeer beslist tot de humaniteit. Daarmee verliezen ze dan haar kosmisch karakter. Men behoeft ze niet als natuurlijke zedewetten of zedelijke natuurwetten te beschouwen; ze niet als noodzakelijk kwaad te ondergaan. Haar onpersoonlijk karakter wordt daarmee opgeheven. Ze beschermen en dienen de persoonlijkheid en roepen deze op tot activiteit.

Dit neemt niet weg, dat ook in calvinistische landen de theorie, die Thomas Aquinas voor het christelijke Europese leven gegeven had, gedeeltelijk bleef heersen. Wij zijn op menig gebied gewend aan lang bekende en gemakkelijk te vinden verhoudingen. En daarmee hangt het samen dat persoonlijkheid en gemeenschap nog slechts zeer ten dele op elkaar betrokken en aangewezen zijn. Een gegeven stijl maakt dat de persoonlijkheid vaak passief kan blijven en daarmee hangt het ongetwijfeld samen, dat haar idee lang latent kon blijven en slechts langzaam haar waardekarakter gaat ontplooien. Waar de lex naturae de regels aangeeft, blijft de persoonlijkheid als regulatieve idee buiten spel. Zij behoeft daar voor het scheppen der verhoudingen niet mee te werken.

Verhoudingen echter, waarbij dit niet nodig is, zijn kwantitatief. En in die kwantitatieve verhouding staat in de oude Europese stijl de persoonlijkheid in vele opzichten tot de gemeenschap; ook thans nog. Met andere woorden, niet eigenlijk als persoon staan we dan tot de gemeenschap in betrekking maar als individu. En als individu staan we niet tot de gemeenschap in een betrekking van wederkerigheid, maar worden we passief van uit de gemeenschap, of liever het geheel, gevonden en bepaald. Dit geldt van ieders plaats, werk, woonplaats, stand en kring. Religieus gewijd zingen we dan: "Gij hebt, o albestierend Koning!

De plaats bestemd van ieders woning,
De kring, waarin hij werken moet."

In dit vers schuilt niet alleen godsdienstige verheffing, maar tevens een stuk thomistische ethiek. Wie zich daarvan wilde overtuigen, zou het best doen een vergelijkend onderzoek in te stellen naar Europese en Amerikaanse inzichten in zake stand, beroep en woonplaats. Hij zou dan tegelijk kunnen trachten na te gaan in hoeverre in 't laatstgenoemde werelddeel het calvinistisch humaniteitsideaal het Europees thomisme reeds doorbroken heeft.

Bij de bovenbedoelde kwantitatieve verhouding blijft derhalve de persoonlijkheid terzijde. Zolang het individu tot de grotere gemeenschapskringen in deze betrekking staat, blijft de persoonlijkheid quiëscerend. Zij reserveert haar eigenlijk leven voor huisgezin, vriendschap, religieuze en esthetische vorming. De pastoor, de rechter, de officier functioneert. De persoonlijkheid, de mens, de humaniteit blijft gereserveerd. Tolstoj9 tekent ons in z'n romans herhaaldelijk Russische beambten, zoals ze, in kwantitatieve verhouding tot de ongelukkigen, wier lot van hen afhangt, functioneren. Onder de felle belichting van Tolstoj's evangelie ziet men hun onmenselijkheid. Nietzsche heeft het waanzinnig gemaakt, de gedachte, dat er niet aan te ontkomen zou zijn tot de massa in een meer kwalitatieve verhouding te treden. In zijn kring heet de sociale kwestie het 'miserable Terrain', waarheen men niet gaarne de belangstelling verschoven ziet10⚑ Aan generaal Snijders11 heeft het z'n ambt gekost, dat hij niet begeerde tot de Nederlandse soldaat in meer persoonlijke verhouding te treden, maar een kwantitatieve rangverhouding wenste te bewaren. Zo zou ook menig predikant meer voor z'n gemeente kunnen zijn, wanneer deze aan z'n menselijke zijde aansluiting wilde zoeken en niet begeerde 'ex cathedra' zalig gesproken te worden.

Wie hierop let, merkt dat er verschuivingen plaats hebben en dat in verband daarmee de persoonlijkheid tot nieuwe activiteitsbetoning kan geroepen worden. Dat haar idee kan wassen. Onze plaats als individu wordt onzekerder. Wij weten niet welke plaats, bij een nieuwe indeling vanuit het geheel, ons zal worden gelaten en gegund. Naar kwantitatieve verhouding is onze veiligheid bedreigd. Niet het minst is dit voor de predikant 't geval. Wij weten niet welke plaats hem morgen als functionaris, afgezien van z'n persoonlijke eigenschappen, zal ingeruimd worden. Het is de ontzaglijke tragiek van onze tijd dat de thomistische bouw boven ons hoofd gaat scheuren, zodat we de sterren erdoor zien. Toen boven Luthers hoofd de kerkelijke spitsbogen ineenstortten en men hem vroeg, waar hij blijven zou, toen vond deze het machtige woord: 'Sub coelo.' Gelukkig wie het terugvindt, wanneer de maatschappelijke verhoudingen onzeker worden. De persoonlijkheid kan niet verbannen worden. Onze plaats als individu, gevonden door ruimtelijke verdeling van het geheel, kan ons ontnomen worden. Niemand echter kan ons verhinderen ons als persoon tot de gemeenschap in betrekking te stellen.

"De steen, die door de tempelbouwers
Veracht'lijk was een plaats ontzegd,
Is, tot verbazing der beschouwers,
Van God ten hoofd des hoeks gelegd."

Wij worden derhalve, bij het onzeker worden van onze plaats als individu, bij het bouwvallig worden van de oude stijl, teruggeworpen op de persoonlijkheid. Dat is het grote lichtpunt in de tegenwoordige crisis.

Jammer, dat deze bron juist zozeer is ingedroogd. Het concreet individualisme, dat ik boven beschreef, laat de persoonlijkheid bestaan. Deze leeft ten dele voor zichzelf. De individuele verhouding tot het geheel is slechts zeer partieel. Ze betreft dat gedeelte van de gaven en krachten, dat vastgelegd is ten nutte van de gemeenschap. De persoonlijkheid blijft daarbij intact. Dit is echter niet het geval bij het abstract individualisme, dat de eigenlijke sociale kwestie heeft doen ontstaan. Wat verstaan we daaronder?

Het abstract individualisme ontstond toen de meer eenvoudige, natuurlijke verhoudingen plaats maakten voor steeds meer samengestelde, waarbij het intellect als bemiddelaar moest optreden tussen individu en gemeenschap. Het intellect heeft in Europa een schat van toorn tegen zich vergaderd om de harteloosheid, waarmee het zich van die middelaarsrol heeft gekweten. Het is de Europese Antichrist geworden, waartegen mannen en vrouwen als Maurice, Kingsley, mevr. Butler12 in Christus' naam de strijd hebben aangebonden. Het abstract individualisme rekent bij de bepaling van de plaats en de arbeid van het individu niet met diens persoonlijkheid, met z'n eeuwige waarde. Zedelijke waarden worden overwoekerd door zakelijke. De individuele plaats in de samenleving is niet langer een compromis tussen persoon en gemeenschap, waarbij men, met erkenning van elkanders rechten, wederkerig rendez-vous geeft, maar wordt thans vanuit een intellectueel systeem geconstrueerd. Ja het individu-zelf wordt zulk een constructie, doorgangspunt voor onpersoonlijke lijnen en krachten. En door de zuiging dier krachten wordt, op de individuele plaats die men inneemt, de persoonlijkheid geabsorbeerd. Men wordt specialist; dwz. de persoonlijke krachten vloeien, zonder reserve, in de gemeenschap. De humaniteit lijdt schade.

Zulk een specialist was Darwin, toen hij merkte dat z'n gedachtenmolen de emotionele zijde van z'n natuur drooglegde. Ook de beroemde Franse geleerde Poincaré,13 wanneer hij soms, in gesprek met een vriend, moest afbreken, opstaan en heen en weer lopen en op de vraag, waarom hij dit doet, het overigens sublieme antwoord geeft: 'Ce sont les idées, qui passent." Zulke specialisten worden vaak fabrieksarbeiders, wier gevoel van persoonlijke nood en dood reeds zo dikwijls is vastgelegd in statistische vraag- en antwoordenreeksen. Zulk een speciale plaats was zelfs, en hier komen we op de bodem van de put, in een deel van de intellectuele systemen der negentiende eeuw aan de prostituées toegewezen.

Kapitalisme, Industrialisme, Kredietwezen, Imperialisme, Wetenschap, Algemeen Welzijn, zijn de namen dier systemen, van waaruit het moderne individu wordt geconstrueerd en de persoonlijkheid uitgebuit of vernietigd. Mannen als Beets hebben het wel gemerkt, toen ze klaagden over karakterschaarste, dat er een minder gewenste zuiging plaats had. Maar niet alleen ten opzichte van het centrum der persoonlijkheid, het karakter, valt ze te constateren. Ook op de periferie merkt men het, voor de esthetische vorming. Waar zijn bijv. onze letterkundige kooplieden uit het begin der vorige eeuw?

Wanneer we dan teruggeworpen worden op de persoonlijkheid, dan merken we dat deze is ingeteerd. De christelijk-sociale actie is dan ook begonnen met te trachten het zedelijke in de verhoudingen te herstellen. Ten dele heeft men zich daartoe bepaald. Naarmate men er echter meer inkwam, heeft men ook in Duitsland en bij ons meer aandacht aan de zakelijke betrekkingen moeten wijden. De gehele zakelijke situatie moest eerst emotioneel doorvoeld, profetisch belicht, persoonlijk doorleefd worden. In plaats van het koude intellect moesten personen zich als middelaars tussen enkeling en geheel gaan stellen. Zo deden in Engeland Maurice voor de arbeiders en mevr. Butler voor de prostituées en riepen: 'Wij komen in verzet.'14⚑

Er zijn natuurlijk ook andere wegen om de persoonlijkheid te handhaven. Men kan zich, cultuurmoe, terugtrekken. Of men kan zich veroorloven een uitzonderingspositie in te nemen. In bovengenoemd referaat15 waagde ik ten opzichte van de predikantenstand ongeveer de volgende opmerkingen: "Tot op zekere hoogte doen wij predikanten het laatste (een uitzonderingspositie innemen). Wij zijn de laatsten, die in het abstract individualisme worden ingetrokken. Wij zijn de enigen, schrijft collega Hoek16 in de Stemmen voor Waarheid en Vrede van december triomfantelijk, die 'geen concreet levensdoel hebben,. Wij handhaven een persoonlijke manier van leven. Wij zijn de laatsten, die in de beweging van arbeid en loon worden ingetrokken, de laatsten die een vakvereniging hebben opgericht. Dit alles hebben wij gedaan ter wille van de humaniteit; om buiten het drijven en de machinerie van het hedendaagse bedrijfsleven te blijven.

Tot welke prijs echter. Een dergelijke uitzonderingspositie kan niemand straffeloos innemen. Daardoor leed onze persoonlijkheid, onze humaniteit schade. Wij, die haar wilden bewaren! Of kan het geschieden zonder schade voor de humaniteit, voor persoonlijke waarde en waardigheid, voor zelfrespect, wanneer een stand politiek zichzelf ongeschikt verklaart om zitting te nemen in verschillende staatkundige colleges en maatschappelijk zich te voornaam acht een vakvereniging op te richten, dwz. te trachten de kost voor vrouw en kinderen te verdienen? Een humaniteitsidee, die daarvoor te hoog is, is te precieus; niet viriel genoeg. Deze houding vertoont nog sporen van het celibaat. Ze is clericaal. Clericalisme echter is verkorte humaniteit.

Wij zullen goed doen iets meer in te dalen in de aardse verhoudingen van arbeid en loon. Slechts wanneer we er zelf in staan, zullen we een persoonlijke, kwalitatieve verhouding tot het geheel kunnen winnen en misschien iets van middelaarswerk kunnen doen. Een middelaar moet de mensen in alles gelijk worden, uitgenomen de zonde."

Tot zover dit 'argumentum ad hominem'. Loonsverbetering, arbeidsvoorwaarden, kortere werkdag enz., dat alles wil ruimte scheppen voor persoonlijk leven. Het wil de voorwaarden scheppen voor de waarden van het leven. De 'persoonlijken' en de 'socialen' bedoelen tenslotte hetzelfde. Maar! Zullen er nog waarden zijn en personen, dragers van waarden, om de gemaakte ruimte te vullen? Dat is het wat de 'socialen' zich moeten afvragen. De voorwaarden, gesteld dat ze te scheppen zijn, zullen die waarden in geen geval uit zichzelf kunnen voortbrengen. Troeltsch heeft onlangs te Leiden een rede gehouden, waarin hij als z'n mening uitsprak, dat de Europese cultuur langs twee wegen afglijdt naar de socialisering en daarmee bezig is haar lijkwade te weven.17 Ik geloof, dat we zulk een diagnose nooit mogen aanvaarden. Wanneer de socialisering enerzijds de maatschappij meer mechanisch maakt; wanneer de twee-eenheid van arbeid en loon de draden om het leven strakker begint aan te trekken; wanneer de aandacht, die voor sociale, zakelijke verhoudingen gevraagd wordt, de belangstelling in de 'humaniora' dreigt te overvleugelen en de persoonlijke wijze van leven in 't nauw brengt, dan mogen we niet over 't hoofd zien, dat door dit alles heen het geheel een meer kwalitatieve, meer zedelijke verhouding tot de enkeling zoekt, waardoor persoonlijkheid en gemeenschap in waarheid op elkaar betrokken kunnen worden. Wij mogen niet vergeten dat de kring onzer 'humaniora' vaak wat eng getrokken was en dat wij daarbuiten de arme of de Prostituée met betrekkelijke gemoedsrust lieten omkomen. Dat was een tekort aan humaniteit.

Maar wanneer we dan bij dat ontzaglijk beroep op de persoonlijkheid merken, dat deze juist door het abstract individualisme zo sterk is verzwakt? Dan worden we op God teruggeworpen. Hij is geen abstract individu, wiens wezen in z'n werk uitgeput raakt. Hij blijft transcendent boven z'n werk. Hij heeft nog des Geestes overig. Hij is de overvloedige fontein aller goeden.-Wij moeten zoeken een religieuze persoonlijkheidsidee.

2

Wilhelm von Humboldt18 schreef in 1793 aan Körner19, dat hij het zo jammer vond, dat van de theorie voor de vorming der persoonlijkheid wel dat gedeelte bestond, dat betrekking had op opvoeding en wetgeving, maar geen theorie, die onderzocht wat de religie in dezen vermocht. Schleiermacher heeft enige jaren later in deze leemte voorzien door het schrijven van Reden en Monologen. Natuurlijk bestond er tevoren wel christelijke praktijk in dezen. Maar voor theorie gaf men, te beginnen met Melanchthon, meest filosofische ethiek. Dat is nog lang zo gebleven. Een heel geslacht lang, van 1880-1910, werd aan de Nederlandse universiteiten slechts door de professoren Beets en La Saussaye christelijke ethiek gedoceerd. De grondstemmingen voor de christelijke ethiek lagen in de dogmatiek. Naar verschillende zijden werd dan, meest aan de hand der Tien geboden, goede raad gegeven. Daardoor is, wat eenheid van beginsel en uitgangspunt en geslotenheid van behandeling betreft, onder protestanten de ethiek verre bij de dogmatiek achtergebleven. Het wantrouwen tegen de 'goede werken' werd op ethiek in iedere betekenis overgebracht, waardoor deze eigenlijk in de dogmatiek bleef steken. Zo geschiedde juist, wat men zocht te vermijden. Het zedelijk leven raakte onder de Wet, zonder dat het in voldoende mate kwam tot een vrije en spontane ontplooiing van christelijk leven uit eigen beginsel.

Hier brengen nu de Monologen een novum. Schleiermacher zet daarin, als een pottenbakker, de stof, de materie der humaniteit, op de schijf der religie en boetseert de vormen der menselijke persoonlijkheid. De religieuze schijf zette hij vooraf in de Reden in beweging en in de Monologen zien wij, hoe daarop de meer persoonlijke levensmaterie, persoonlijk levensgevoel, echt, vriendschap tot ideële vormen wordt uitgedreven. De kostelijke vaas gaat haar gedaante openbaren. De begeerte van Wilhelm von Humboldt is vervuld. Er is een theorie voor de religieuze vorming der persoonlijkheid.r20

Natuurlijk is dit geen inval van Schleiermacher geweest. Allen zochten om een theorie voor de vorming der persoonlijkheid. De humane individualisten, Herder, Goethe, Schiller, Wilhelm von Humboldt, deden dit elk op zijn wijze. Hun humanistische idealen hebben tenslotte de neiging gehad zich stevigheid te verschaffen in aansluiting aan de staatsgedachte. De apotheose en de ondergang daarvan hebben wij pas beleefd.

De weg van Schleiermacher staat nog open. Deze komt uit de Romantiek, een meer Germaanse en meer religieuze gedachtenwereld. Geen staat, maar het Universum, het geheel der dingen, vormt hier de persoonlijkheid. Geen pedant onderwijs en geen gebrekkige voorschriften in de eerste plaats, maar religieuze beschouwing van het geheel vormt de gestalte des Levens. En alle dingen kunnen zo beschouwd, dat men het geheel erin ziet. Ook hier heeft men niet genoeg aan een theorie voor opvoeding en wetgeving. Maar men doet meer. Men brengt Schleiermacher een algemeen-religieuze sfeer tegemoet, waarin warmte genoeg is voor de ontwikkeling van z'n idealen. De voorwaarden voor het ontstaan van een theorie van de religieuze vorming der persoonlijkheid zijn hier gunstig. De verhouding tot het geheel is kwalitatief, dwz. er is een duidelijke betrekking op het geheel, die bij een kwantitatieve relatie van toenemende samengesteldheid juist uit het oog verloren raakt. Waar de steeds fijnere specialisatie van het leven de strekking heeft om de enkeling van het geheel te vervreemden en als persoonlijkheid uit de gemeenschap te bannen, daar is hier een levenshouding gevonden die daartegen wapent. Evenmin als de rivier de maan op de oever kan werpen, zolang deze haar 'anschaut', kan het Universum dit doen met de persoonlijkheid.

In deze ideeënwereld staat Schleiermacher. Het is een ietwat wilde kring, deze Schlegels en Von Kleists.21 Ze lijken wel wat op de cavalieren van Ekeby uit Gösta Berling,22 en in Berenkreuz, Liliencrona en dominee Gösta herken ik Schleiermachers vrienden en - deze zelf. Aan het einde van het boek echter, wanneer de majoorske op haar sterfbed ligt, dan hoort ze de zware hamer in de ijzerfabriek z'n dreunend werk beginnen. Dan sluimert ze rustig in. De cavalieren gaan werken. Gösta voorop. - Die hamerslagen kondigden de negentiende eeuw aan. Het cavalierenrijk heeft uit. Schleiermacher heeft de Romantiek ten arbeid geleid. Overigens, Goethe heeft gezegd: een mens die te vroeg praktisch is 'ist ohne Geheimnisse und ohne Kraft'.

We behoeven ons ook niet te schamen, wanneer wij de theorie voor de religieuze vorming der persoonlijkheid zien geboren worden in dit milieu. In de bijbelse geslachtsregisters komen ook wel namen voor die men er niet verwacht zou hebben. Misschien kan men twee grote geestesrichtingen onderscheiden. De romantische of persoonlijke en de dialectische of onpersoonlijke. De laatste voert gaarne naar de staat en in haar consequenties naar de duivel. De eerste sluit het christendom in haar sfeer en kan daardoor naar God heen leiden. Hegel en Schleiermacher zijn namen van wijde typering.

In deze kring dan is Schleiermacher begonnen z'n theorie voor de religieuze vorming der persoonlijkheid te geven. Schlegel had gewild dat hij een roman zou schrijven als Goethe in de Wilhelm Meister. Schleiermacher heeft liever in z'n vijf ritmische monologen z'n scheppend woord laten uitgaan. Hij is daarbij gebleven op de persoonlijke zijde van het leven: religieus levensgevoel, echt, vriendschap, gezellig verkeer. Het beroep blijft uitgeschakeld. Het zijn de humaniora, niet de realia van het leven, die ter sprake komen. En dan krijgt men niet de indruk hier op dood spoor te staan. De Monologen wekken allerminst bij ons de overtuiging, dat voor dit terrein de lex naturae zou gelden, terwijl voor de beroepszijde van het leven alleen een meer historische beschouwing zou mogen worden gehuldigde Wel weet Schleiermacher zeer goed, dat fysisch zekere vastigheden bestaan op de allerpersoonlijkste levensterreinen, voor man en vrouw, ouders en kinderen; maar daarnaast worden in de psychische parallel de bloesems en vruchten uitgedreven.t23 Tegenover het 'nur eines Rechte für jeden Fall' van Kant staat bij hem vast, dat deze verhoudingen in duizend vormen kunnen worden voorgesteld. Wie hier niet alleen fysiek, maar ook persoonlijk onder de wet staat, is als iemand, die een melodie achterna fluit en niet zelf componeert. Juist deze persoonlijke zijde van het leven is in de Monologen gekenmerkt door een bewegelijkheid en scheppend vermogen zo groot, dat men de religieus fantaserende werkzaamheid van Schleiermachers geest hier zou willen vergelijken bij het noorderlicht, dat spelend steeds nieuwe vormen zoekt en vindt.

Nu geloof ik wel, dat de weerstand der wereld en het drukkende van het lot, van ouderdom en dood, in Schleiermachers 'Neujahrsgabe'24 zijn onderschat. Maar hoofdzaak is dat men de goddelijke scheppingskracht ziet, die in deze verhoudingen persoonlijkheid en gemeenschap vormend op elkander laat inwerken. Dit scheppende en spontane, deze vrijheid en bewegelijkheid worden te duidelijker, wanneer men opmerkt, waarin Schleiermacher zich van de Romantiek onderscheidt. Bij deze laatste is de individualiteit, enigszins spinozistisch, een modus, een bestaanswijze van het Universum. Zij zou daaruit, desnoods, als eigenschap kunnen worden afgeleid. Die spinozistische achtergrond bestaat bij Schleiermacher ook nog wel, maar is, ook volgens nieuwere onderzoekers, erg overdreven. Deze denkt veel historischer en christelijker. Het Universum is voor hem geen homogene substantie, maar bevat de rijkst denkbare verscheidenheid. Het is de historische, de mensenwereld. En uit dit geheel kan men de enkeling niet afleiden noch door metafysische bespiegeling, noch volgens zedelijke schatting. In deze wereld wordt de individualiteit door contact geschapen; ze ontspringt in de gemeenschap. Zo eerst kan ze persoonlijkheid heten en vindt in de gemeenschap haar zuiverste correlaat. Want naarmate de individualiteit persoonlijkheid is, leven in haar liefdevolle fantasie andere geesten en deze roepen weer haarzelf op. Scheppende wordt de persoonlijkheid geschapen. Persoonlijkheid en gemeenschap gaan hier restloos in elkander op, zonder dat ze elkander geweld aandoen of elkanders plaats beperken. De gemeenschap is hier geen intellectueel systeem van waaruit plaats en betekenis van het individu worden geconstrueerd en geabsorbeerd; integendeel de gemeenschap schept de persoonlijkheid, versterkt haar daarna en laat haar tenslotte vrijheid in groei en beweging. Evenmin wordt hier aan het individu een beperkte ruimte ingewilligd in het geheel, waarbij de eigenlijke persoonlijkheid in reserve blijft; de volle persoonlijkheid gaat hier op in de gemeenschap, zoals ook haar wezen gemeenschap is.

Zo wordt de individualiteit losgemaakt van intellectuele of zedelijke gedetermineerdheid. Ze wordt een historisch gegeven. Iedere persoonlijkheid is een betrekkelijke toevalligheid, tevoren even onbepaalbaar als een historisch feit. De individuele ontwikkeling heeft plaats in contact met de gemeenschap, in een reeks van betrekkelijk toevallige aanrakingen, in een historische, onafleidbare en niet te construeren lijn. In een rijke wederkerigheid, in een gemeenschap van goederen en geesten, in scheppende correspondentie, ontstaat en wast de persoonlijkheid. Ze is geen donker, verborgen wezen, dat is zoals 't nu eenmaal is, erfelijk bepaald of belast, maar ze is openbaring Gods van dag tot dag, geschapen in het licht en niet in de duisternis; het licht dat de voorwaarde is voor alle scheppende werkzaamheid Gods. Geen duistere, subliminaire, maar historische machten bepalen haar in de eerste plaats.

Deze kijk op de individualiteitsgedachte bij Schleiermacher is niet geheel in overeenstemming met prof. De la Saussaye, wanneer hij de grote betekenis van Schleiermacher hierin vindt, dat deze, 'tegenover de middenmoot van kennen en handelen', de menselijke persoonlijkheid heeft gehandhaafd. Tegenover het rationalisme valt dit terstond te beamen. Wanneer echter de religieuze fantasie van Schleiermacher in dezelfde perikoop gelijkgesteld wordt met de 'schwankende Gestalten' die Goethe met 'Zauberhauch' de boezem schokten, 'in de stroom van 't onbewuste leven', dan zou ik met prof. Samuel Eck willen vermoeden, dat deze 'Gestalten' bij Schleiermacher historische personen zijn.

Schleiermacher was hernhutter en bleef dat innerlijk en ook in z'n romantische periode te Berlijn ging z'n fantasie nog gaarne tot jeugdherinneringen terug, o.a. naar de vriendinnen van z'n zuster Charlotte in het zusterhuis te Gnadenfrey. Daar weet hij een humaniteit van fijner makelij dan in de Berlijnse kring. Daar leefde ook reeds lang de individualiteitsgedachte, de idee der persoonlijkheid. Daar heeft men oog en oor voor elkander, voor het persoonlijke, het diepst menselijke, het eigene. Daar vormt men elkaar in liefdevolle gemeenschap. Men acht er elke levensgeschiedenis, ook die der allereenvoudigsten, belangrijk en waard om te boek gesteld te worden. Niet Spinoza, maar graaf Zinzendorf25 is de grootvader van Reden en Monologen.

Bevrijd van de engheid van een klein milieu, en bevrucht in aanraking met de ideeënrijkdom der Romantiek, wast de persoonlijkheidsidee bij Schleiermacher uit. Persoonlijk leven is hem een 'Tanz der Horen, melodisch und harmonisch nach dem Zeitmasz'. Verschilt dat zoveel van de 'bruiloftskinderen' uit het Evangelie?

Wat betekent nu dit historisch exposé voor de beschouwing van ons onderwerp? Ik geloof zeer veel. Wanneer we de sociologie in twee helften kunnen snijden, waarvan de ene vastligt onder de wet en de andere, in een tijdperk van springvariatie, een historische ontwikkeling doorloopt van ongeëvenaarde draagwijdte, dan hebben we ons allen met dat laatste terrein bezig te houden. Wij moeten dan allen 'sociale' werkers zijn in de engere zin. De genoemde vooronderstelling moet echter ten sterkste ontkend. Eer blijft omgekeerd de meer 'sociale', de zakelijke kant van het leven, ook in z'n tijdperken van groei, vergeleken bij de mogelijkheden van de persoonlijke zijde, een dood terrein. Ik ben hier zo weinig historisch-materialist, dat ik, instede van aan te nemen dat de geesten zouden moeten dansen op de maatslag der zakelijke bewegingen, ook in de ethiek van een historisch spiritualisme zou willen spreken, waarin de personen, tot op zekere hoogte los van de materiële bodem, van de contemporaine situatie, vrij in de tijd, in de historie, dat is het echte element der menselijkheid, zich vermogen te bewegen tot hun vorming. Deze opvatting is ook nodig voor het 'sociale' zelf. Een persoonlijkheid onder de wet vermag aan de eisen, die de tijd stelt, niet te voldoen. Wanneer het geheel een meer kwalitatieve verhouding tot de enkeling zoekt; wanneer de thomistische, kosmische tegenstellingen op sociaal gebied tot persoonlijk feit zullen worden, zoals de religieuze dat werden bij de Hervorming, dan moet de persoonlijkheid wassen. En zoals toen het humanisme het religieus proces geholpen heeft, zo zal ook thans versterking van het eigene voorwaarde moeten zijn. Socialisering zonder humanisering loopt uit op het weven van de lijkwade voor de cultuur.

Trouwens in de richting van deze versterking loopt reeds een sterke stroom. Men denke slechts aan de belangstelling voor eugenese, opvoedkundige vragen en psychologische studiën. Men leze daarover De nieuwe opvoeding van prof. Bavinck. Overal valt daar een streven op te merken om te rade te gaan met het bijzondere, het eigene. Onlangs heeft ook de pedagoog Gunning in een Synthese-nummer erover geklaagd,26 dat van de bekende opvoedkundigen er slechts twee van het kind uitgaan. De anderen gaan uit van de gemeenschap en zoeken het kind daarvoor pasklaar te maken, een systeem, dat in ons onderwijsstelsel ten toppunt is gevoerd.

Bij de bovenbedoelde middelen tot verbetering echter, bij eugenese, empirische psychologie, toegepaste psychologie, schoolorganisatie, horen we een aanslag onder aan de toonladder. Ook zijn richting en doel nog zeer onzeker. En men gaat daarbij veelal uit van een 'subliminaire' opvatting der te ontwikkelen persoonlijkheid. Er is reden om de klacht van Wilhelm von Humboldt te herhalen, dat het jammer is, dat er van de theorie voor de vorming der persoonlijkheid wel dat gedeelte bestaat, dat betrekking heeft op opvoeding en wetgeving, maar geen theorie, die onderzoekt wat de religie vermag tot vorming van de mens. Daartoe moeten we niet ons standpunt nemen in het onderbewuste, waar determinerende krachten als erfelijkheid en degeneratie nog zoveel mee te praten hebben. Ten opzichte van deze nachtzijde des levens, de duisternis van het subliminaire, zou men de regels uit Burns27 van toepassing kunnen achten:

"That night, a child might understand,
The deil had business on his hand."

God schept zich gaarne eerst wat licht voor Hij gaat werken. Dan heerst niet meer de determinatie, de descendentie, de degeneratie, maar de generatie, het scheppend Woord. Dan krijgen de machten van boven de overhand over de machten van beneden.

Men zal misschien menen, dat dit juist door de christelijke kerk altijd is gewild en in praktijk gebracht. Maar dit is slechts ten dele juist. Het is juist dat zij, eeuw in eeuw uit, de schijf der religie heeft rondgedreven. Maar het is niet waar dat zij even ijverig geweest is om daarop de christelijke persoonlijkheid gestalte te geven. Zij dreef vaak het ledige wiel. Niet steeds gedacht zij Jezus' woord: 'Weest dan gijlieden volmaakt, gelijk uw Vader, Die in de hemelen is, volmaakt is' (Matth. 5 : 48). Er is nog weinig ruimte voor de religieuze individualiteit. In elk geval ontbreekt een theorie voor de vorming daarvan, naar het principe ener vrije schepping, in wederkerige gemeenschapsoefening, zonder wederkerige hinder, en een kerkidee, die daarmee in overeenstemming is. Er ontbreekt een theologie, die gericht is op de vorming van persoonlijkheid en karakter. Er ontbreekt een religieuze ethiek. Schleiermacher echter heeft als een Mozes in dat beloofde land een blik menen te slaan. Profetische jongeren van een betere tijd noemt hij zich en de zijnen. De Monologen geven een religieuze ethiek.

Nu weet ik wel dat hier afgedongen kan worden en ik wil dat laten doen. Schleiermachers geschrift en ook hij zelf ten dele, behield een te spelende houding tegenover het leven. De fantasie is er te overmoedig tegenover de werkelijkheid, de realiteit des kruises. Ook worden slechts vijf scheppingswoorden gesproken en het zesde ongesproken gelaten. Het beroep ontbreekt er. De humaniteit blijft verkort tot het allerpersoonlijkste, religieus levensgevoel, echt, vriendschap. En op de zesde dag voltooide God pas de volle menselijkheid, toen de gezelligheid, die de dieren ook kennen, opgeheven en bevestigd werd tot arbeidsgemeenschap. De romantici zijn als kinderen die spelen voor hun zesde jaar. De arbeid komt vanzelf. Hoofdzaak is dat we in de Monologen in beginsel de religieuze individualiteit hebben en een theorie voor de vorming daarvan: een religieuze ethiek.

Vanaf Schleiermacher kunnen we nog weinig vooruit, wanneer het ons althans niet te doen is om een lossere uitvoering van z'n program inzake de gezellige banden des levens, maar juist om de bevestiging daarvan door de arbeid. En wanneer we ons dan niet laten leiden door de spinozistische legende, maar door de historische werkelijkheid, dan worden we geleid in de richting van Herrnhut. Dit is echter in sommige opzichten het meest eigenaardig protestantisme. Hier is de dogmatiek het minst speculatief; de theologie 't meest christocentrisch; de geloofsleer 't meest activistisch en op arbeid gericht; de christelijke persoonlijkheid 't meest individueel; de bekering 't duidelijkst gezien als een historisch, in gemeenschap voltrokken proces; de christologie een spiritueel-historisch onderzoek.

Zo worden we van Schleiermacher naar de reformatoren geleid. En hier is een opklimming. Vergeleken bij de Hervorming zijn de zusters te Gnadenfrey als vergeet-mij-nietjes in een korenveld. Calvijn heeft hier weer het hoogst gegrepen. "Hij heeft", zegt Dilthey treffend, "de transcendentale betekenis van de gelovige persoon en de verhevenheid van 's mensen lot 't diepst gevoeld." Hij is, met z'n predestinatie, z'n irrationalisme, de romanticus onder de hervormers; hier predomineert de ongelijkheid; de religieuze individualiteit is hier krachtig op de voorgrond gesteld; de bekering grijpt plaats 'ni en une minute de temps, ni en un jour, ni en un an' en verloopt dan als een historisch proces; en dit proces houdt bij deze hervormer, duidelijker dan bij een der anderen, verband met het verkeer in gemeenschap. En eindelijk, en dat is in verband met onze gedachtengang van de hoogste betekenis, is hier de gemeenschap niet slechts middel, zoals ze dat bij Luther nog veel meer is, tot bekering van de enkeling, maar ook doel in zichzelf, waarop elk bekeringsproces volgens z'n natuur en bestemming uitloopt. De gemeenschap bemiddelt niet alleen de zaligheid, maar houdt ze in en maakt ze uit. Christus' lijden en sterven is niet alleen van betekenis voor de enkeling, zodat de gemeenschap die schat slechts heeft uit te delen, maar heeft ook betekenis voor de gemeenschap als zodanig. Christus' dood heeft gemeenschapvormende kracht. Zo verliest deze zijde des levens haar zakelijk aspect en krijgt een aanzien, dat haar geschikt maakt om als levend correlaat van de persoonlijkheid te gelden, zodat beide als gelijkwaardig op elkaar betrokken kunnen worden. Zij komt daarmee op haar beurt onder de natuurlijke zedewet uit die de verhoudingen, voorzover ze een zakelijk karakter dragen, tot op zekere hoogte altijd blijft regelen en moet thans, wegens haar meer personalistische karakter, volgens een ander principe worden gevonden. Dit beginsel is de predestinatie, een genererend principe, een irrationele basis, waaruit onafleidbaar, historisch, nu niet alleen de individualiteit, maar ook de gemeenschap opwaakt, waarbij deze beide, individualiteit en gemeenschap, ook tegenover elkander dit karakter van irrationaliteit en onafleidbaarheid bewaren, zodat ze elkaar nimmer in de weg kunnen staan.h28 Zo wordt, tenslotte, de volle betekenis duidelijk van Calvijns uitspraak, wanneer deze de politieke en maatschappelijke verhoudingen tot de humaniteit rekent. Dit is de grondgedachte van z'n gehele sociologie, waardoor de kosmische, thomistische, vaste verhoudingen in beginsel personalistisch worden opgelost en doorbroken en waardoor de persoonlijkheid regelrecht op de gemeenschap wordt betrokken, in een religieus doorademde verhouding, waarin voor vrijheid en persoonlijk initiatief grote speelruimte blijft.

Tegelijk is daarmee aan de arbeid de haar toekomende plaats verzekerd in de humaniteitsidee. Het antieke renteniersideaal, dat bij Luther nog nawerkt en in de gehele Europese beschavingsgedachte nog niet geheel is overwonnen' wijkt hier voor een waardering van de arbeid als echt humaan, die door Carlyle29 later tot zo krachtige uitdrukking is gebracht.

Zo betekent de Reformatie een humanisering van het leven. De persoonlijkheid wordt er losser van de natuurbasis met de natuurlijke zedewet. Zij wordt vrijer in God en de historie, in de wereld der geesten. Tegenover sacramentele krachten zien we historische machten, allereerst de bijbel, op de voorgrond treden. En voor de afgestorven heilige komt ... de dominee, de mens. Hoor! met hoeveel verontschuldigingen Calvijn hem inleidt in 't begin van boek IV der Institutie.

De Hervorming is de laatste grote crisis geweest in de wereldhistorie, waarbij vergeleken de Franse revolutie klein blijft. Misschien beleven wij een gelijkwaardige crisis, maar nu op de andere pool des levens, de gemeenschapszijde. Wanneer deze zich gaat voltrekken onder de wet, met uitschakeling der persoonlijkheid, dan schijnt inderdaad het einde der cultuur gekomen. Dat is echter veler bedoeling niet. Men zoekt, schreef Just Havelaar in De Gids van 1918,30 een gemeenschap van persoonlijkheden. En ook Roland Holst en de religieuze socialisten31 zoeken 'stijl', houding voor de persoonlijkheid. En wanneer men daarbij allicht een: 'Excusez du peu!' laat horen, dan zal men toch merken, dat de zoekers daarbij de machtigste kracht der wereld, de religie, niet ter zijde wensen te laten. In wijde kring ontwaakt de begeerte naar religieuze vorming. Men wenst dan echter ook werkelijke vorming; een religieuze ethiek; een waarachtige beschaving; een theologie, die gericht is op karakter.

Dit alles zal geen maakwerk kunnen zijn. Ethiek en mystiek zullen elkander hier de hand moeten reiken. Alleen in de broeiing der christelijke mystiek ontstaan de edeler humanitaire vormen die op de koude intellectualistische en moralistische grond niet gedijen. De fijnere structuur der menselijke persoonlijkheid wordt ontdekt bij het vonken van een spiritualisme, dat op protestantse bodem mystiek en ethiek heeft verenigd.

Op welke wijze zal de kerk daartoe kunnen medewerken? Zij heeft dit te dikwijls beproefd op de wijze van de staat. De staat, wanneer hij 'stijl' zoekt en houding voor de enkeling, groepeert de individuen ruimtelijk, schematisch. Zij moeten op één tijdsgewricht, naast elkander kunnen leven en werken, zonder elkaar te zeer te storen. Globaal gesproken maakt de meerderheid wet, de minderheid wordt gebannen. - Precies zo doet, wanneer men haar laat begaan, meestal de kerk. Wanneer echter de kerk tot roeping heeft de religieuze persoonlijkheid te vormen in scheppende gemeenschap, dan is niet de ruimte, maar de tijd, de historie, haar element. Dat betekent een geweldige levensverruiming, die de kerk in de verbondsgedachte heeft vastgelegd, maar weinig in toepassing gebracht. Het Oude en het Nieuwe Verbond zijn tijdsruimten. Het fundament, waarop de kerk gebouwd is, is geen statuut, geen grondwet, maar het zijn historische personen; apostelen en profeten. Als contemporaine verschijning heeft ze geen gedaante of heerlijkheid. In de historie imponeert ze altijd.

Het concilie, waarvan de evangeliën de akten bewaard hebben, wordt gehouden op de berg der verheerlijking. Met Jezus zijn er tegenwoordig Mozes en Elia (Matth. 17 : 1-13). De beslissing, die genomen wordt, valt over het machtigste religieus-ethische gebeuren, dat de wereld kent: zijn uitgang te Jeruzalem. - Stel daartegenover nu het concilie van tijdgenoten uit de Handelingen, nog wel van apostelen, waar het liep over het rituele slachten (Hand. 15).

Ook onder ons wordt de plaats, die de enkeling in de kerk inneemt, overwegend onpersoonlijk bepaald. De gemeenschap betekent systeem en het individu vertegenwoordigt een opinie. Een afwijkende opinie brengt de band met't geheel in gevaar. En naarmate dit meer't geval is achten velen de kerkelijke situatie volmaakter. - De religieuze persoonlijkheid blijft daarbij echter buiten spel. Haar krachten en gaven, haar charismata, worden niet ten dienste van de gemeenschap aangelegd. Gemeenschap van persoonlijkheden ontstaat hier niet. Organiseren is op die wijze onmogelijk. De kerk interesseert zich voor de opinie. Zij systematiseert. En veler verlangen naar reorganisatie bedoelt eigenlijk geen organisatie in enig opzicht, maar systematisatie.

Wanneer het echter om de versterking van de persoonlijkheid te doen is tegenover de egalisering in de staat; wanneer de socialisering de humanisering niet zal beletten en zo de cultuur haar lijkwade weven, dan moet de kerk zich van haar karakter bewust worden. Naarmate de staat duidelijker z'n ruimtelijk-schematisch karakter gaat vertonen, moet de kerk zich bezinnen op haar eigenlijk element, de historie, die zoveel meer ruimte biedt en vrijheid. Zij moet voor de persoonlijkheid ruimte laten en de religieuze individualiteit aankweken en waarderen.

Volkomen zal zij dit wel niet kunnen. Een volkomen gemeenschap van persoonlijkheden blijft voor de eeuwigheid weggelegd. Maar wanneer het staatkundig element in de kerk dan niet geheel is uit te zuiveren, dan heeft zij dit toch niet te koesteren, maar als de oude Adam te haten en te vlieden. Naarmate zij jaloers blijft op de egalisering in de staat, zal zij doorgaan profeten te doden en martelaren te maken, en deze zullen buiten haar komen te staan daar, waar ze thuis behoren; in de historie. Deze wordt dan echter ook geheel door hen beheerst.

Gemeenschap is geen gegeven ding, evenmin als persoonlijkheid. Geen natuurlijk of intellectueel substraat; geen grondslag; geen statuut; geen basis om op te staan. Alles wat daarop gewonnen wordt zijn leden, dwz. individuen; geen persoonlijkheden. Zo kweekt men het individualisme dat men wenst te ontgaan. Wanneer de kerk, naar een thans gebruikelijke uitdrukking, een 'karakter' zal verkrijgen, dan ligt de weg daarheen niet in het besnoeien, maar in het versterken der religieuze individualiteit. Het karakter, dat de kerk verkrijgt door het verzwakken daarvan, heeft geen waarde. Karakter betekent hier niet het vastleggen van een gegeven richting, maar het vrije en ⚑heerlijke vermogen om telkens, met de hoogste geestelijke bewegelijkheid en het fijnste geestelijke onderscheidingsvermogen, met behoud van volle ontvankelijkheid, zich toe te eigenen en te assimileren wat God als waarheid openbaart. Voor de directie der kerk geldt hetzelfde, wat Saint-Cyran32 eens opmerkte als directeur van een enkele ziel: "Vous voulez que je vous assure votre condition: je n'aime pas cette demande. Les âmes qui sont à Dieu ne doivent avoir ni assurance ni prévoyance; elles doivent agir par la Foi, qui n'a ni clarté ni assurance dans la suite des bonnes oeuvres; elles regardent Dieu et le suivent à tout moment, dépendant des rencontres que sa Providence fait naitre ... Il faut une flexibilité nonpareille et universelle à une âme chrétienne. " In deze woorden is de aard van het religieuze karakter op onovertroffen wijze beschreven. Het is principieel onderscheiden van het filosofisch karakter, dat men zou kunnen noemen een conglomeraat van aangeboren en verworven intellectuele en zedelijke gedetermineerdheden. Ook de kerk heeft nodig, geen filosofisch, maar een religieus, een christelijk karakter. Dezelfde 'flexibilité nonpareille et universelle', die de enkele christelijke ziel moet kenmerken, behoort ook een eigenschap te zijn van de christelijke gemeenschap. Dit is echter alleen mogelijk wanneer die gemeenschap haar eigenlijk wezen leert zien in het kweken, beschermen en versterken der christelijke individualiteit of persoonlijkheid.

Voor een ontwikkeling in deze richting valt één bijzonder gunstige omstandigheid op te merken. Het feit, dat de arbeid steeds duidelijker in de humaniteitsgedachte wordt getrokken. Geen ledige arbeiders op de markt. Maar allen in de wijngaard. En voor allen: arbeid en loon. Hierdoor worden we aangewezen op een werkelijke organisatie; het groeperen van personen. Want de arbeid in hogere zin, als deel van de humaniteit, verliest z'n bloot-zakelijk, indifferent en geestdodend karakter, en eist betoning van persoonlijkheid. En deze laatste zal daarbij niet kunnen blijven wonen in een systeem, een tijdeloos rijk van opinies, maar zal aandacht moeten schenken aan een wordende wereld, een historisch proces. Zij zal behoefte gevoelen aan verwante, maar niet met haar zelve idente krachten. Aan een hulpe tegenover zich. Zo ziet ook Paulus Christus en de gemeente naar analogie van het eerste mensenpaar; een ideale, scheppende arbeidsgemeenschap. Daarin wordt men niet uit elkander afgeleid, maar uit elkaar genomen en geschapen. En ieder lid van zulk een gemeenschap is een nieuwe en vrije gedachte Gods. Niet het 'more geometrico' mag ons kerkelijk leven beheersen. Wel is God de grote 'Geometer', maar als zodanig eert Hem de natuurwetenschap. De kerk aanbidt z'n vrije, spontane, persoonlijke, scheppende wil. De christen voelt zich geschapen in Christus Jezus en niet door deductie uit Hem afgeleid. En daarin ligt een rijk program voor de toekomstige ontwikkeling van de verhouding tussen gemeenschap en persoonlijkheid, een ontwikkeling, die in beginsel reeds bij Calvijn ligt aangeduid.

Eindnoten

  1. 1

    N. publiceerde Gemeenschap en persoonlijkheid in twee gedeelten in Stemmen voor Waarheid en Vrede, dl. 1 in 56 (1919) nr. 7, p. 481-50l; dl. 2 in 56 (1919) nr, 8, p. 571-592. Dit artikel gaf in gewijzigde vorm de inhoud weer van het referaat, dat N. hield op 30 april 1919 in de vergadering van de Nederlandse Hervormde Predikantenvereniging.

    Deze vereniging was in 1862 opgericht onder de naam Evangelisch-Confessioneele Predikantenvereeniging en omvatte ethische en confessionele predikanten. Vanaf 1865 heette ze Nederlandse Hervormde Predikantenvereniging. Zie voor haar geschiedenis W. F. Dankbaar, Onbekrompen en ondubbelzinnig. Herdenkingsrede ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan van de Nederlandse Hervormde Predikantenvereniging uitgesproken op 1 mei 1962 in de Domkerk te Utrecht,'s-Gravenhage 1962. Hierin is ook een lijst van de in de loop van de eeuw voor de vereniging gehouden referaten opgenomen.↩

  2. 2

    J. R. Slotemaker de Bruine (1869-1941), hervormd theoloog en politicus, vanaf 1916 hoogleraar te Utrecht (zie de bespreking van zijn inaugurele door N., p. 368), vanaf 1926 enkele malen minister. S. stond in de traditie van de ethische theologie. Met zijn Christelijke sociale studiën (3 dln., Utrecht 1915-1917) leverde hij pioniersarbeid op het gebied van de christelijke sociale ethiek.↩

  3. 3

    Marie de Rabutin Chantal, marquise de Sévigné (1626-1695), Frans schrijfster. Toen haar dochter, echtgenote van de comte de Grignan, gouverneur van de Provence, in 1671 naar de Provence ging, ontwikkelde zich een briefwisseling tussen moeder en dochter die 25 jaar zou duren. De brieven van de moeder munten uit in vorm en stijl. De ongeveer 1500 bewaarde brieven zijn van groot belang voor de kennis van het Parijse leven en het hofleven van de zeventiende eeuw.↩

  4. 4

    G. Busken Huet, E. J. Potgieter. Brieven aan Busken Huet, 3 dln., Haarlem 1901-1902.

    (A. Verwey publiceerde de brieven van Busken Huet aan Potgieter onder de titel Cd. Busken Huet. Brieven aan E. J. Potgieter, 3 dln., Haarlem 1925. De volledige briefwisseling van E. J. Potgieter en Cd. Busken Huet, J. Smit ed., verscheen in 1972 te Groningen in 2 dln.).

    Brieven van mr. Isaac Da Costa, medegedeeld door mr. Groen van Prinsterer, 2 dln., Amsterdam 1872-1873. Brieven van J. A. Wormser, medegedeeld door mr. Groen van Prinsterer, 2 dln., Amsterdam 1874-1876. De twee door Groen uitgegeven brievenverzamelingen bevatten zowel brieven aan hem als van hem.↩

  5. 5

    Boëthius (480-524), Romeins filosoof en staatsman, speelde een zeer belangrijke rol in de overdracht van de antieke cultuur aan de middeleeuwen, met name van de aristotelische logica.↩

  6. 6

    Kant wordt zo geïnterpreteerd door F. Paulsen. Vgl. p. 56 nootf.↩

  7. 7

    Theodorus Beza (1519-1605), Frans calvinistisch theoloog, vanaf 1558 werkzaam te Genève als predikant, als hoogleraar en als eerste rector van de in 1559 aldaar gestichte academie. Hij heeft als medewerker van Calvijn na diens dood zijn werk voortgezet.⚑

  8. 8

    G. E. B. Clemenceau (1841-1929) speelde in de periode 1917-1920 een belangrijke rol als de Franse minister van Oorlog. In de onderhandelingen over het verdrag van Versailles, die eind 1918/begin 1919 gevoerd werden, bepleitte C. de definitieve vernietiging van de Duitse macht. Mede door zijn harde opstelling en diplomatieke kwaliteiten kwam er weinig terecht van het vredesprogram, dat de Amerikaanse president Wilson (1856-1924) voor ogen had. Op talrijke punten moest Wilson toegeven aan C. en de Engelse onderhandelaar Lloyd George.⚑

  9. 9

    L. N. Tolstoj (1828-1910), Russisch schrijver, Met name in zijn werk na 1880 bepleitte T. een praktisch christendom, een eenvoudig en nederig leven. Een duidelijk voorbeeld van een door deze tendens beheerste roman is Opstanding (1899).↩

  10. 10

    G. Bäumer (1873-1954), Duits schrijfster, actief in de Duitse vrouwenbeweging. Samen met F. N aurnann stichtte zij in 1920 de Deutsche Demokratische Partei.↩

  11. 11

    C. J. Snijders (1852-1939)werd tijdens de Eerste Wereldoorlog de opperbevelhebber van de Nederlandse Land- en Zeemacht. In 1918 kreeg hij ontslag, omdat de minister van Oorlog niet instemde met zijn beleid ten aanzien van de ongeregeldheden onder de militairen in de Harskamp.↩

  12. 12

    J. E. Butler (1820-1906) kreeg niet alleen in Engeland, maar in heel West-Europa bekendheid vanwege haar strijd tegen de prostitutie. Haar kritiek richtte zich met name op de reglementering ervan, die bestond uit verplichte inschrijving en keuring van de vrouwen. In Nederland trad ze herhaaldelijk samen met H. Pierson op.↩

  13. 13

    J. H. Poincaré (1854-1912), Frans wiskundige, vanaf 1881 hoogleraar te Parijs. P. was een belangrijk criticus van de klassieke wiskunde en verwant met de zogenaamde 'semi-intuïtionisten', hij bestreed de alleenheerschappij van de logica in de wiskunde en nam stelling tegenover wat hij de 'overdrijvingen' in de leer der verzamelingen noemde. De inzichten van P. zijn met die van de genoemde intuïtionisten meer samenhangend uitgewerkt door de Nederlandse wiskundige L. E. J. Brouwer (1881-1966). Aanrakingspunten tussen P. en de theologie van N. vinden we vooral in de kritiek op de klassieke logica en in de rol van de intuïtie in het kenproces.↩

  14. 14

    A. van Hogendorp (1841-1915), kleindochter van G.K. van Hogendorp, opgegroeid in de sfeer van het Réveil. Onder de indruk van het werk van Josephine Butler, H. Pierson en O.G. Heldring behoorde zij tot de medeoprichtsters van de 'Nederlandsche Vrouwenbond ter Verhooging van het Zedelijk Bewustzijn' (1884).↩

  15. 15

    Onder 'bovengenoemd referaat' verstaat N. kennelijk het referaat, dat hij gehouden heeft voor de Predikantenvereniging (vgl. noot 1) en dat hij blijkbaar niet integraal heeft willen opnemen.↩

  16. 16

    W.A. Hoek (1885), hervormd predikant, vanaf 1922 te Amsterdam. H. begon als ethisch theoloog, was secretaris van de Ethische Vereeniging, maar maakte onder invloed van de prediking van Kohlbrugge een doorbraak naar de dialectische theologie. Hij voert zelf deze verschuiving terug op de invloed die hij van N. onderging. Zie daarvoor zijn H.F. Kohlbrugge. De onheilige heilige, Amsterdam 1964.↩

  17. 17

    E. Troeltsch hield op 3 april 1919 te Leiden voor de Theologische Faculteitsvereniging een rede over Individualismus und Sozialismus.↩

  18. 18

    W. von Humboldt (1767-1835), Pruisisch filosoof en staatsman. Hij stond sterk onder invloed van Kant en was bevriend met Schiller en Goethe. Von H. koesterde de klassieke idee van de humaniteit en leerde een humanistisch individualisme. Zag hij in zijn vroege periode in de staat een gevaar voor de humaniteit, later ontwikkelde hij een conceptie waarin de staat organisch aansluiting vindt bij de volksgemeenschappen.↩

  19. 19

    Chr. G. Körner (1756-1831), Duits rechtsgeleerde, die grote belangstelling had voor filosofie en letteren. Nog altijd van betekenis is zijn correspondentie met Schiller en Von Humboldt.↩

  20. 20

    S. Eck (1857-1919), Duits theoloog, vanaf 1904 hoogleraar in de systematische theologie aan de (in 1945 opgeheven) theologische faculteit van Giessen. Theologisch kan hij als ritschliaan worden beschouwd.↩

  21. 21

    August Wilhelm (1767-1845) en Friedrich Schlegel (1772-1829), Duitse taal- en letterkundigen. In Jena behoorden zij tot de leidende figuren van de opkomende romantische beweging, waartoe ook Novalis, Tieck. Brentano, Schelling en Fichte behoorden. Zij werkten samen in het tijdschrift Alhenäum (1798-1800), waarin A. W. Schlegel de theoretische grondslag legde voor de romantische school. Karoline. de vrouw van A. W. Schlegel, scheidde in 1802 van hem en trouwde met Schelling.

    H.W. von Kleist (1777-1811), Duits schrijver. Hij werd op zijn reizen dikwijls vergezeld door zijn halfzuster Ulrike, die hem trouw bijstond in zijn moeilijkheden.↩

  22. 22

    Gästa Berlings saga (1891) is de roman waarmee de Zweedse schrijfster Selma Lagerlöf (1858-1940) debuteerde. Op dit boek, dat het in haar tijd geldende literaire romanschenla doorbrak, zal N. ook later nog dikwijls terugkomen.↩

  23. 23

    R. Rothe (1799-1867), Duits theoloog. vanaf 1837 hoogleraar te Heidelberg, behoudens een kort hoogleraarschap te Bonn van 1849-1854. R. ontwikkelde met behulp van speculatieve constructies een theologisch systeem waarin hij het zijns inziens intrinsieke verband van geloven en weten, christendom en cultuur zocht te verwoorden. Zijn hoofdwerk is Theologische Ethik, 3 dln., 1845-18481, 5 dln., 1869-18722.↩

  24. 24

    N. doelt hier op de Monologen, waarvan de volledige titel is Monologen. Eine Neujahrsgabe, Berlijn 1800.↩

  25. 25

    Nikolaus Ludwig graaf von Zinzendorf (1700-1760), stichter van de Evangelische Broedergemeenten. De eerste gemeente werd gevormd door Boheemse broeders, die naar Z.s landgoed Berthelsdorf waren gevlucht en daar de kolonie Herrnhut stichtten. Z. stond een christocentrisch gerichte 'Herzensreligion' voor.↩

  26. 26

    Johannes Hermanus Gunning Wzn. (1859-1951), pedagoog, neef van J. H. Gunning Jr. Werd in 1923 als eerste in Nederland benoemd tot buitengewoon hoogleraar in de pedagogiek (Utrecht).

    Synthese, uitgegeven te Haarlem, was de naam voor een brochurereeks, die in 1914 opgericht werd door en onder redactie stond van A. J. de Sopper en Ph. A. Kohnstamm. De brochures waren meestal politiek of populair-wetenschappelijk van strekking.↩

  27. 27

    R. Burns (1759-1796), Schots dichter, werd beroemd door zijn in 1786 verschenen bundel Poems, chiefly in the Scottisch dialect. Zijn gedichten hebben veelal betrekking op het leven van de kleine Schotse boer, waarvan sommige echte volksliederen zijn geworden.↩

  28. 28

    John Wiclef (ook wel: Wyclef) (ca. 1328-1384), Engels theoloog, die in een tijd waarin er steeds meer kritiek kwam op de pauselijke machtspolitiek in Engeland, deze kritiek theologisch gestalte gaf en ontwikkelde.↩

  29. 29

    Th. Carlyle (1795-1881), Schots geschiedschrijver en filosoof. C., van calvinistische komaf, onderging romantische invloed onder andere van Goethe en Richter, maar wist deze in een puriteinse levensoriëntatie op te nemen. De basis van C.s filosofie vinden we reeds in zijn eerste werk Sartor resartus (1833-1834). C. zag in de daad. in de praktijk van het leven heel de zin van het menselijk bestaan. Geschiedenis was voor hem essentieel een strijd tussen God en de duivel, die zich in en door grote persoonlijkheden en helden voltrok.↩

  30. 30

    J. Havelaar (1880-1930), Nederlands schrijver. H. hield zich met name bezig met de verhouding tussen beeldende kunst en maatschappij. N. doelt hier op het artikel Persoonlijkheid dat H. schreef in De Gids 82 (1918) nrs. 6 en 7.

    De Gids, literair-cultureel tijdschrift. vaak met een sterk sociaal-politieke interesse. Het werd in 1836 opgericht, verscheen voor het eerst in 1837 en bestaat ook nu nog. Bekende redacteuren waren Potgieter, Bakhuizen van den Brink, Busken Huet en Van Duinkerken.↩

  31. 31

    H. G. A. Roland Holst-Van der Schalk (1869-1952), Nederlands schrijfster. Zij kwam op ethisch-esthetische motieven tot het inzicht van de wenselijkheid van de socialistische maatschappij. De tegenstelling individu-maatschappij is een van de grondthema's van haar werk.

    N. heeft zijn typering van haar vermoedelijk ontleend aan De revolutionaire massa-aktie, Rotterdam 1918. Roland Holst signaleert in de inleiding van dit werk dat de nieuwe generatie marxisten weer nadruk legt "op de eigen activiteit van de mens, op zijn zedelijk-geestelijke eigenschappen, zijn inzicht, zijn wil en zijn liefde, als op de werkelijke krachten ter vervorming van de maatschappij en ter verheffing der mensheid" (P. l). N. schreef bij deze passage in de kantlijn: 'persoonlijkheid'.

    Onder de religieus-socialisten verstaat N. waarschijnlijk de Woodbrookers-beweging, die vanaf 1912 haar centrum had in Barchem.↩

  32. 32

    Saint-Cyran (1581-1643), Frans theoloog. S-C. werd na zijn priesterwijding in 1620 benoemd tot commanditair abt van het klooster Saint-Cyran; in 1635 werd hij geestelijk leidsman van de nonnen en 'solitaires' van Port-Royal. S-C. was een van de hoofdvertegenwoordigers van het jansenisme, een religieuze beweging, die de door het concilie van Trente beheerste theologie wilde omvormen in de richting van een streng antipelagiaanse genadeleer, zoals Jansenius (1585-1638) die bij Augustinus had gevonden.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet onder Weergave de correcties aan om de verbeterde OCR-fouten en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Historisch spiritualismeInhoudHet leven in de zonde →