Iets over volkskerk1
Geachte collega's. Toen de secretaris mij verzocht om voor deze vergadering een onderwerp in te leiden heb ik dat op mij genomen ofschoon ik wist dat in deze tijd van het jaar niet altijd zo veel tijd van voorbereiding overblijft als men wel zou wensen. Bij het opgeven van de titel van mijn referaat heb ik dan ook de wijste partij gekozen en laten drukken: Iets over volkskerk. Ik wil ook thans niet gaarne beloven dat ik genoeg laat staan veel zal geven. Ook het onderwerp noopt tot een bescheiden titulatuur, wanneer men erover gaat spreken. De locus de ecclesia is een lastige plaats in de dogmatiek. Het is zeer moeilijk zich daarover zo uit te drukken.dat misverstand blijft uitgesloten. Drukt men zich al te concreet uit, tracht men de lijnen zo te trekken dat ze voor de praktijk toepasselijk zijn zonder een te grote rest over te laten, dan loopt men gevaar om het ideële uit 't oog te verliezen. Blijft men in de ideële sfeer, dan wordt men licht zwevend zonder de werkelijkheid te raken. Aan de ene zijde is de kerk een geloofsartikel, één van de twaalf; aan de andere zijde lichaam, waarvan men in onze dagen soms zou kunnen denken dat de politiek er zich om beweegt. Enerzijds een corpus mysticum waartoe in de middeleeuwen en ook later zowel engelen als mensen gerekend werden, maar ook een corpus politicum, een instelling van publieken rechte, die - ik denk aan onze spreker van november1 - zich de kaas van 't brood niet laat eten.
Soms zou men zeggen dat de kerk is een 'quantité négligeable' waarom niemand zich behoeft te bekommeren, die altijd het onderspit delft, tussen de grote mogendheden in het menselijk leven de kleine mogendheid, en dan weer merkt men ineens dat in de grond der zaak ontzaglijk veel om de kerk draait. Het scheelt dan ook ontzaglijk veel welke schrijver over de kerk men gaat naslaan.
Het scheelt veel of men raadpleegt een confessionele idealist als dr. Hoedemaker2 die z'n ganse leven (sit venia verbo) over de kerk gedroomd heeft zonder dat iets daarvan praktisch werd uitgevoerd, of een confessionele realist als dr. Kuyper die z'n gehele leven besteed heeft om z'n gedachten werkelijkheid te laten worden. Het maakt groot verschil of men naleest de sceptische dogmaticus prof. Bavinck die de begrippen ontleedt zonder ze een ogenblik uit de oude voegen los te maken, of de dogmatische scepticus Chantepie de la Saussaye die ook bij behoud van oude terminologie de lezer in geheel andere dampkring brengt.
Ook kan men zich er niet afmaken met te zeggen dat deze verschillen betekenis hebben voor de studeerkamer en niet voor het leven. Ze hebben meer dan academische waarde. Ze bepalen de houding in het leven en hebben voor een groot deel de geschiedenis der negentiende eeuw gemaakt. Om ons tot de vier zoëven genoemde namen te bepalen. Dr. Kuyper is de vader van de Gereformeerde Kerken tussen aanhalingstekens. Dr. Hoedemaker een soort kerkvader van de Gereformeerde Kerk zonder aanhalingstekens. Professor Bavinck heeft weer dogmatiek gebracht in de kasten en hoofden van hervormde en gereformeerde predikanten en is een levende trait d'union tussen kerk en wetenschap. Hij opent een venster in de kerk naar de wetenschap toe. Chantepie de la Saussaye tracht belangstelling te wekken voor kerkelijke en christelijke dingen in wetenschappelijke kringen en opent dáár een venster naar de zijde der kerk. Zijn houding blijft daarbij enigszins sceptisch. Hij is scepticus tegenover menig kerkelijk vraagstuk, sceptisch zelfs tegenover de personen der predikanten. Academische waarde alléén hebben dus de houdingen der verschillende toonaangevende persoonlijkheden niet. Zij grijpen diep in de praktijk van 't leven.
Iets hebben we gewonnen wanneer we de kerkgedachte nader bepalen en gaan spreken over volkskerk. Daarmee zijn we op hervormd terrein. Voor dr. Kuyper en de zijnen heeft het woord volkskerk een hatelijke klank. Minachting komt er over hen wanneer ze het horen noemen. Voor hen heeft het de betekenis van 'gemengde hoop', 'Jan Rap en z'n maat', 'wilde vermenging van ethischen en modernen'.a Bij dr. Kuyper is het begrip volkskerk doorzichtig. "Behoorde in de dagen der vervolging slechts één tiende van de bevolking tot de gereformeerde religie, nu kwamen er plotseling nog vijf andere tienden bij, en die vijf andere tienden hebben onze kerken verdorven."b Voor dr. Kuyper was het kwaad dat alles gedoopt werd en alles aan het Avondmaal kwam, waarbij nog kwam de verleiding die door de band met de staat ontstond. In 1834 en 1886 is dit veelszins gebeterd. "Terwijl omgekeerd in de gemengde hoop die nog onder de synodale organisatie voortleeft, de oude ellende in elk opzicht bestendigd blijft ... Dit nu kan tot geen andere conclusie leiden, dan dat de gemeenmaking van het heilig Avondmaal, en alzo de ontheiliging van het Verbond des Heren, het rechtstreekse gevolg is van het optreden der dusgenaamde volkskerk. Beide denkbeelden toch, enerzijds het heilig Avondmaal en anderzijds een kerk, die er op aangelegd is om alle inwoners van een plaats te omvatten, sluiten elkander uit ... Een volkskerk strekt, om elke scheiding tussen de kinderen des Heren en de wereld tegen te gaan, geloof en ongeloof dooreen te mengen, en de trouw aan onze Heiland tot iets bijkomstigs te verlagen. Wie de Here verloochent, is ook welkom, mits hij de volkskerk maar steunt."c Het genootschap, zo schreef De Standaard3 nog de vorige week, telt 200.000 zielen in Amsterdam. De Gereformeerde Kerken 20.000. En toch is nageteld, dat kerkgangers en collecten soms in de kleine kring hoger waren. Zij vergelijkt de Hervormde Kerk bij een 97-jarige bejaarde kranke, iets als een Turkse zieke man, en verwijt de confessionelen - van modernen en ethischen begrijpt ze dat -, dat zij dit steeds meer wegstervende genootschap door politieke machtsmiddelen weer wil galvaniseren.d Hierin is zeker spijt te beluisteren over de spaak die in 't wiel kwam bij de voorstellen tot wijziging van art. 171 van de grondwet.4 Toch doet het zeer onaangenaam aan. 't Is of we Simeï met stof zien stuiven en met stenen gooien (2 Sam. 16 : 5 vv.). We weten nu wel voldoende dat men in gereformeerde kring van volkskerk niets moet hebben.
Nu is 't met die term volkskerk ook enigszins wonderlijk gesteld. Wie heeft dat woord toch uitgevonden? In oude dogmatieken treft men het niet aan. Wie het woord gebruikt, heeft althans de schijn tegen. Het lijkt een nieuwe vondst te zijn en dat is op kerkelijk terrein de ergste zonde. Daar geldt het 'quod semper, quod ubique, quod ab omnibus'.e Verschillende vragen laten zich in dit opzicht stellen. Is het misschien een theorie, opgesteld om de bestaande toestand in de Hervormde Kerk te rechtvaardigen? Behoort die theorie thuis in de Hervormde Kerk van na 1816? Is het een synodale leuze? Of wil volkskerk uitdrukking -even aan een ruim standpunt dat onze vaderen in de praktijk hebben ingenomen ten opzichte van Doop en Avondmaal? Een gereformeerde leuze? Of is volkskerk misschien een woord dat ontstaan is na 1886 in tegenstelling met de vrije kerkgedachte, door dr. Kuyper géïmporteerd? Een hervormde keuze? Van alle drie zal iets waar zijn. Dr. Kuypers antipathieën gaan verder dan 1816. Hij spreekt afkeurend over de massale staats- of volkskerk, waar men alles doopte in tegenstelling met de anabaptisten, die niets doopten. Na 1816 komen echter wel nieuwe motieven. We denken aan 'gedoopte natie', in Wormsers5 kring een geliefde term. Aan Da Costa's
"God zal uw Kerk met licht omgorden, ⚑uw Koningen met Davids eer!"f
Hierin begint iets nationaals door te schemeren op de wijze van Israël. Wij denken aan de uitdrukking 'de vaderlandse kerk', bij dr. Vos geliefd. Er zouden meer zulke expressies te verzamelen zijn die ons laten gevoelen dat een eigenaardige nieuwe toon gehoord wordt, waarbij land, kerk en doop in nauw verband met elkander optreden. Tegen dit alles toornt dr. Kuyper. Hij zegt: men paste de regels van Israëls kerk op de wereldkerk toe; men poogde in onderscheiden landen aan de kerk een nationaal karakter te verlenen; spreken van vaderlandse kerk is verscheuren van het lichaam van Christus; schermen met volkskerk is Joodse geest.g De volle tegenstelling is echter pas na 1886 ontstaan en in verband daarmede is ook de benaming 'volkskerk' eerst recht en vogue gekomen. Ik denk dat het frequente gebruik daarvan van jonge datum is, als tegenstelling tot gescheiden kerk, waarbij we slechts hebben te denken aan de leuze van dr. Hoedemaker: 'Heel de kerk en heel het volk', waarin beide woorden aan een parallellisme doen denken, waarin ze identiek zijn. Tegen de volkskerk van na 1886 is dr. Kuypers boosheid eerst ten volle ontbrand, tegen die oude 97-jarige kranke.
We willen dus trachten een paar tegenstellingen te maken. Tegenover staatskerk staat vrije kerk, église libre. Voor ons land is deze tegenstelling eigenlijk niet zuiver, een echte staatskerk hebben we hier nooit gehad. Die tegenstelling is eigenlijk Zwitsers, waar bij Zwingli burger en christen samenvielen. Tegenover katholieke kerk staat landskerk. Deze tegenstelling is bij ons eigenlijk ook niet op z'n plaats, ze is meer Duits. Tegenover volkskerk staat gezuiverde kerk, waar vlijtig de sleutel gebruikt wordt om de gemengde hoop buiten te sluiten.
Van de beide eerste tegenstellingen trekken we ons dus thans niet buitengewoon veel aan. Staatskerk zijn we niet en met de staatsruif staan of vallen we niet. Al te veel van 'vaderlandse kerk' te spreken vind ik ook niet wenselijk. De kerk is algemeen en in die zin schermen met volkskerk is Joodse geest. (Ik moet daarbij denken aan sommige onaangename noten uit de Transvaaloorlog, toen de Engelsen de 'Engelse Christus' naar Afrika wilden overbrengen.)
Het is niet overbodig hierop de nadruk te leggen. Enige tijd geleden kwam in De Gereformeerde Kerk6 een ingezonden stuk voor waarin de inzender, een predikant, ter afwering van beschuldigingen van gereformeerde zijde betoogde dat volkskerk betekende: de Gereformeerde Kerk onder een bepaald volk. Dr. Kromsigt7 sprak daarmee z'n instemming uit en loofde deze definitie. Wanneer volkskerk niets anders betekent, dan is het de moeite niet waard er zoveel drukte over te maken. Neen, volkskerk is niet gelijk aan landskerk, maar wil zeggen: in tegenstelling tot de gezuiverde kerk waar de gemengde hoop buiten gehouden wordt door de sleutelmacht. Dr. Kromsigt te Leeuwarden op de vergadering der Christelijk-Historische Unie gaf een daarmee overeenkomende bepaling. De gereformeerden met aanhalingstekens hebben een elite, zo ook remonstranten, doopsgezinden. Bij ons is het volk. Dat slaat dus niet op de nationaliteit, maar op de aard van het gezelschap.
Ik acht het van belang dat de spraakverwarring die hier bestaat wordt opgehelderd. Volkskerk in de zin van landskerk heeft meer z'n betekenis voor de politiek dan dat het een zuiver kerkelijk vraagstuk zou zijn. We houden ons dus aan de betekenis van volkskerk tegenover gezuiverde kerk. Zes tiende tegen één tiende. 200.000 tegen 20.000. 'Heel de kerk en heel het volk' tegenover 'wij calvinisten'. Dat in deze zin de Hervormde Kerk een andere idee vertegenwoordigt dan de Gereformeerde Kerk betoogde ook De Savornin Lohman8 onlangs te Leeuwarden en zei voor beide wel iets te gevoelen. Naast elkander konden ze bestaan. De volkskerk en de belijdeniskerk. En beiden hadden recht. Hij zou persoonlijk de belijdeniskerk kiezen. Hij verblijdde zich echter dat daarnaast de volkskerk bestond.
Ook in die geest, maar met een ander accent heeft zich kortgeleden uitgelaten dr. Slotemaker de Bruine in enige artikelen in de Nederlandsche Kerkbode. Het zoeken van de belijdende volkskerk noemde hij het zoeken van de kwadratuur van de cirkel.gg Juist andersom als de heer Lohman gunde hij gaarne aan de belijdeniskerk een plaats, maar gevoelde zelf meer voor de volkskerk. In deze twee uitlatingen komt volkskerk althans in de juiste tegenstelling voor, in tegenstelling met gezuiverde kerk waarin voor de vijf tiende of de gemengde hoop geen plaats is. Wanneer iemand de tegenstelling zo niet aandurft, laat hij dan ophouden te spreken van volkskerk. Het sticht slechts verwarring. Dat de volkskerk niet meer het gehele volk omvat, is geen beletsel om haar volkskerk te noemen. Het is hier niet een vraag naar kwantiteit maar naar kwaliteit. Niet naar omvang van werkkring, maar naar methode.
Ik acht het zeer gewenst dat dit verschil in methode meer tot het bewustzijn van ons, hervormden, doordringe. Zolang dat niet het geval is, zullen we in vele gevallen 'een slechte namaak' leveren van de gescheidenen. Op politiek gebied gaf onlangs dr. Kromsigt zulk een toon aan, een idee die de christelijk-historischen zou kunnen bezielen: plaats voor de Christus ook aan de publieke instellingen! Hij geloofde dat de christelijk-historischen meer kracht zouden ontwikkelen wanneer ze van een eigen beginsel zich duidelijk bewust werden.
Welnu, zo geloof ik met Slotemaker de Bruine dat op kerkelijk terrein onze zwakheid in te geringe bewustheid ligt van een eigen idee die we vertegenwoordigen. Wanneer men zeer vele hervormden vraagt: wat is uw kerkelijk ideaal?, dan zullen ze eigenlijk moeten antwoorden: een kerk op de wijze van de gescheidenen met de Dordtse kerkenorde waarmede we dan zorg zullen dragen de kerk te zuiveren en vijf tiende te verwijderen. We kregen dan een ander één tiende deel. De gemengde hoop van voor 1816 zou worden uitgeworpen en straks zouden de belde tienden zich verenigen. Want dat op de eerste bijeenkomst van classicale vergaderingen naar Dordtse kerkenorde alle harten in onze kerk ineen zouden smelten, dat is toch wel een verwachting die geen ernstige man mag koesteren. Ook Chantepie de la Saussaye staat daar sceptisch tegenover. Men moet dan toch een van beiden zeggen: we zouden (als we 't konden) de gemengde hoop uitwerpen, de vijf tiende van de Republiek, het volk, de schare die de wet niet weet - óf we zouden 't niet doen. Wenst men 't te doen, dan wil men van volkskerk niet weten en is in beginsel dolerend. Men is het dan met dr. Kuyper eens dat het toestromende volk de kerk bedorven heeft en men zou ze 't liefst zo spoedig mogelijk weer lozen. 't Bezit van goederen maakt ons niet tot volkskerk. Wel is deze gedachte van dr. Kromsigt uitnemend dat we meer geld nodig hebben omdat we volkskerk zijn en omdat in onze kerk allerlei elementen zijn die meer bearbeid moeten worden dan dat ze zouden meewerken. De volkskerk, dat is het waarop het aankomt, vertegenwoordigt tegenover de kleinere, gezuiverde belijdeniskerken een zelfstandige idee. Die idee staat in verband met de praktijk van onze vaderen die die idee hebben toegepast en waartegen thans de belijdeniskerken reageren. Die idee moet streng onderscheiden worden van een half politieke leuze, die uitkomt in 'vaderlandse kerk' en 'gedoopte natie'. Die idee treedt na 1886 hoe langer hoe duidelijker naar voren. Na 1886 was dr. Hoedemaker de man die die idee rusteloos propageerde. Ze wordt elk op zijn wijze erkend door De Savornin Lohman, Kromsigt, Slotemaker de Bruine, Chantepie de la Saussave. Van dr. Hoedemaker, De Savornin Lohman, dr. Kromsigt en Slotemaker de Bruine behoeven we dat hier niet nader te adstrueren. Chantepie de la Saussaye is hier weer de dogmatische scepticus. Als we dat in 't oog houden, kunnen we ook hem in dit verband noemen. 'Zuivere leer', 'een geheel der uitverkorenen' en 'een afgerond geestelijk bezit der kerk' noemt hij ficties. 'Het gemengde karakter behoort tot 't wezen der kerk'h (tussen twee haakjes: dat is minder ongereformeerd dan 't lijkt). Waar weerzin is tegen de kerk, "kome de kerk niet als kerk ... In sociaal werk, waarbij men de kerkelijke manieren thuislaat, ligt heden ten dage de voornaamste geestelijke roeping."i
Van rechts naar links, waarbij we met links niets kwaads bedoelen, zouden we bovengenoemde namen in deze volgorde zetten: Lohman, Hoedemaker, Kromsigt, Slotemaker de Bruine, Chantepie de la Saussaye. Allen volkskerk ... In deze namen valt echter een zekere gradatie op te merken, Lohman wenst voor zijn persoon tot de volkskerk niet te behoren, maar ziet daarin de verwezenlijking van de gedachte van Oldenbarnevelt: een staatskerk, waarin het godsdienstig leven op en neer kan gaan. Hoedemaker houdt de gereformeerde gedachte van kerk vast, maar zou de gemengde hoop, de vijf tiende van de Republiek niet willen missen. In 't wezen der kerk wenst hij het gemengde karakter niet op te nemen. Hij is echter idealist, gelooft alles goeds, wil hopen en alles verdragen en gelooft dat de liefde tenslotte 't langst duurt en wil op de massa inwerken. Kromsigt wenst deze gedachte vast te houden en rekent vooral met de grote steden en de nood des tijds, terwijl een sociaal element er zich bijvoegt. Slotemaker de Bruine gevoelt geheel sociaal en laat meer de theorie van het gereformeerde kerkrecht los. Hij wil niet van zulke deftige ambten weten en wenst de tucht alleen als zedelijk machtsmiddel. Bij Chantepie de la Saussaye ligt de oudgereformeerde formulering nog veel verder uit't gezicht. Bij hem wordt de kerk een maatschappelijk, sociaal, geestelijk werkmiddel.
Dat al deze mannen behalve Lohman in één kerkverband kunnen samenwerken is geen ziekelijke, maar een natuurlijke toestand. Ze behoren bij elkaar. Het is een spectrum. De toon van 't geheel is volkskerk. We moeten daarbij echter oppassen dat we niet trappen in de klem die De Savornin Lohman zet. Oldenbarnevelt is onze man niet. Daarmee zouden we onze gereformeerde traditie prijsgeven. Met Oldenbarnevelt heeft de organisatie van 1816 te maken, de bestuursinrichting en niet de idee volkskerk. We moeten de aansluiting zoeken tussen onze kerkelijke praktijk en de praktijk van onze vaderen. Met onze organisatie heeft dat niets te maken. Dat we een zo kleine en permanente synode hebben is van allerlei uitwendige omstandi-heden afhankelijk, onder andere dat 'die Kneipe'9 niet meer ruimte biedt dan voor de negentien stamgasten. Onze tegenwoordige bestuursinrichting heeft met onze kerkelijke praktijk van voorheen en thans niets te maken. Ze is een unicum in de kerkelijke wereld. Haar bestand heeft veel meer te maken met een lutherse dan met een gereformeerde gedachtenwereld, zoals dr. Hoedemaker op zeer duidelijke wijze heeft uiteengezet in De kerk en het moderne staatsrecht. Volkskerk en belijdeniskerk of gezuiverde kerk is een verschil in de gereformeerde kerk. Dit is nu een echt Nederlands probleem. In de lutherse kerk heeft men van den beginne af meer genoegen genomen met de vrijheid om Gods Woord te prediken. Luther verbrandt het corpus iuris canonici. Kerkrechtelijke vragen zijn er veel minder brandend dan bij ons. De kerk werd om haar geestelijk karakter geacht 'der rechtlichen Oroanisation unfähig zu sein'j (R. Sohm).10 Kerkregering is een soort kruis dat de kerk draagt. Zo is 't bij ons nooit geweest. Ons volk mag zich bijzonder graag met kerkrechtelijke vragen bezighouden. De regering der kerk is een echt Hollands probleem.
Dit probleem vertegenwoordigt voor een deel de hele spanning die er in onze geschiedenis is. Opgelost is dat probleem niet, nooit en nergens. Maar ik ben het eens met Chantepie de la Saussaye: kwesties van kerk en staat worden niet 'eenvoudig' of 'in beginsel'k opgelost. Ze kunnen wel een stap verder gebracht worden, naar de oplossing toe zou ik niet durven zeggen, maar toch een schrede verder.
Een oplossing had in 1886 plaats. Volgens het ambt der gelovigen had een grote zuivering plaats in de vorm van een exodus op grote schaal. Met deze opvatting sympathiseren we niet. Dat mag niet alleen liggen in het feit dat,A, ij ons niet binnen de muren van die gezuiverde kerk bevinden. De personen maken hier minder uit. De idee doet het. Zijn de Gereformeerde Kerken met één slag bij het ideaal gekomen, dan voege men zich bij hen. Mij lokt dit ideaal niet. Anderen vinden daarin eigenlijk wel hun ideaal, maar willen eerst een poging wagen om op de gemengde hoop in te werken. Voor hen is het bezwaar dat de eerste en tweede vermaning niet hebben plaatsgehad. Maar tenslotte zou de executie hun goedkeuring hebben. Hun bezwaar ligt hierin dat het vonnis geveld werd zonder vorm van proces. Men gaat er dan van uit dat na voldoende aanmaning de inkeer zou volgen. Dat bij wettige vorm van proces het vonnis geaccepteerd zou worden. Dat vroeger onder de Republiek bij de toenmalige zes tiende een zuivere toestand bestond. Dat het proces acuut zou wezen en niet chronisch, met andere woorden dat, wanneer men was waar men wezen wil, er eigenlijk geen volkskerk meer zou behoeven te bestaan.
We hebben gehoord dat dr. Kuyper het hiermee niet eens is. Zijn gravamina gaan ook tegen de kerk van vóór 1816. Zijn ideaal betekent een belijdeniskerk zoals die vroeger, ook volgens hemzelf, nooit bestaan heeft. De gezuiverde kerk, zoals die bedoeld wordt in de neogerefornieerde kringen, is wat nieuws. Dr. Slotemaker de Bruine heeft hierop nog pas gewezen in een brochure. Hij haalt daarin ook De Waarheidsvriend11 aan die zegt: "Een gereformeerde volkskerk is praktisch een onmogelijkheid." Slotemaker antwoordt: "Het is onwaar, dat de Gereformeerde Kerk 'gereformeerd' was in de bekrompen zin van de Bond."l Maar dat is dan toch de gedachte. hetzij dat men er meent te zijn, of dat men eerst enkele stadia wil doorlopen. Een gezuiverde kerk in tegenstelling met de volkskerk.
Ik zou daartegenover willen stellen dat ons ideaal geheel anders moet zijn.
Wij moeten poneren, niet beschroomd maar met bewustzijn, dat onze oplossing van het kerkprobleem een andere is en dat we ook niet, al werd ons beter vorm van proces gegund, willen komen waar de Gereformeerde Kerken zijn. Wij poneren dat een volkskerk schriftuurlijk en gereformeerd is en in geestelijke zin belijdend kan wezen. Ons staat niet voor de geest het beeld van de Gereformeerde Bond. Een burcht, die wél ommuurd is en waaruit het licht uitstraalt over de donkere wereld. Maar we willen bij de kerk meer denken aan de Heiland naar Thorwaldsen,12 met de geopende armen, of aan een moeder en de schoot der kerk.
De vraag is of er niet een betere oplossing te vinden is dan bij de Gereformeerde Kerken. Maar dan moet men ophouden over buitengewone kerkelijke ellende te spreken in een toestand waarin het gemengd karakter der kerk sterk uitkomt, óf men moet ophouden te spreken van volkskerk. Laat men hervormd zijn, maar dan ook con amore of anders niet.
Voor ons is het een belangrijke vraag of er tussen de gereformeerde gedachte over het wezen der kerk, door dr. Kuyper - tenminste naar hij voorgeeft - overgenomen, én tussen de oudgereformeerde praktijk die hij wraakt, strijd is of niet. Dr. Kuyper c.s. hebben die praktijk gewijzigd en de idee bijbehouden, naar zij voorgeven. Wij volgen meer de praktijk. Het is een belangrijke vraag of er strijd tussen die beide bestaat. Mannen als Slotemaker de Bruine en Chantepie de la Saussaye wraken eenvoudig de oudgereformeerde theorie over 't wezen der kerk. Hoedemaker en Kromsigt doen dat niet. Ik meen dat in elk geval in de oudgereformeerde theorie over kerk vele elementen zijn die wijzen naar een ruime praktijk. We zouden het daarbij moeten hebben over het ambt, over wezen en welwezen der kerk, over het verband tussen organisme en instituut, over de verhouding tussen Koninkrijk der hemelen en Lichaam van Christus, over de betekenis van de sleutelmacht. Op de behandeling van die vragen gaf ik hier een inleiding. Wilde ik thans nog tot die vragen zelf overgaan dan zou ik de aandacht van de vergadering te lang in beslag nemen. Bovendien heb ik niet gezegd alles, maar 'Iets over volkskerk' te geven.