Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Jaren Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 1, p. 404–411

Weergave
Passages naar Readwise sturen

Kerk en coalitie1⌫

1

Het is voor onze Nederlandse Hervormde Kerk allerminst onverschillig welke politiek er in ons land wordt gevoerd. Het 'ius circum sacra', d.i. de -bedieningen rondom Gods altaren, is van groot belang voor de kerk zelf. Wanneer iemand op goede stand woont en de reinigingsdienst laat de straat waar hij woont tot een vuilnishoop worden, dan gaat hiermee veel van z'n voorrecht verloren. 'Een gezondheidskolonie midden in een moeras',a zo heeft dr. Hoedemaker zich eens uitgedrukt, is niet van doen. Het zwaard des Woords en het zwaard 'dat niet tevergeefs gedragen wordt' (Rom. 13 : 4) zijn beide van God. Hun hantering behoort onderling niet te vloeken, maar overeen te stemmen.

Als leden der Hervormde-Gereformeerde Kerk hebben we er dus het hoogste belang bij hoe het publieke terrein bediend wordt. Hoe 't op de markt toegaat waarop onze deur uitkomt. Wanneer de Jood in vroeger dagen uit z'n ghetto, het hem toegewezen stadsdeel kwam, ging alles om hem heen christelijk toe. Op zijn eigen klein terrein mocht hij Jood zijn. Daarbuiten was hij genoodzaakt zich naar christelijke zeden te gedragen. In marktverordening, in rechtspraak en koopcontract vond hij de christelijke zeden belichaamd. Op die wijze was het hem niet mogelijk meer dan halverwege Jood te zijn. In 't publiek was hij genoodzaakt als een christen te leven.

Dit kan niet anders. Ook thans niet. Wanneer er sprake zal zijn van volkseenheid, dan kan dit alleen wanneer één beginsel in 't publiek de toon aangeeft. Men kan erover verschillen hoever de 'souvereiniteit in eigen kring' zal mogen gaan. Men kan er verschillend over denken, hoever ieder voor zijn eigen deur de straat zal mogen vegen. Men kan dit zelfs om der vrijheid wille en om des lieven vredes wille zeer ver uitstrekken, maar er moet een publieke markt overblijven, waar men elkaar ontmoet. Anders gaat de volkseenheid teloor. En daar, waar men elkander ontmoet op het terrein dat in volle zin 'publiek' is, kunnen niet alle beginselen tegelijk regeren.

Men heeft gemeend dat dit publieke terrein 'neutraal' zou kunnen zijn, met andere woorden dat daar geen enkel beginsel zou behoeven te heersen. Groter vergissing is nauwelijks denkbaar. In het wetboek voor een geheel volk komen geen 'blanco'-artikelen voor. Wat daar geboekstaafd wordt, moet geschreven worden met vaste hand. Nooit en nergens is er dan ook op publiek terrein neutraliteit geweest, of zal er ooit komen. Waar dit zo genoemd werd, was het slechts schijn. Op schoolgebied, waar de protestant de Jood en de roomse ontmoette, bergde de protestant z'n bijbel weg en werd Jood of rooms, zoals ge't noemen wilt. Dit was alles, wat men wil, maar niet ' neutraal. Dit was anti-nationaal en anti-hervormd. Op publiek terrein heerst altijd een of ander beginsel. Omdat hier alles samenloopt, is hier zelfs in de eerste plaats een beginsel nodig. Wanneer iemand een helder begrip nodig heeft van wat kerk of school of huisgezin betekent, dan is het de staatsman. Het was dan ook een zonderlinge wijsheid van de Antirevolutionaire Partij, toen ze leerde, dat de staatsman moest werken bij 't licht van de natuurlijke Godskennis.b Dat de geopenbaarde Godskennis voor de ‘eigen kring’ was. Dit betekent weinig anders dan een ietwat gematigde neutraliteit. Werkelijk, op publiek terrein, en men merkt dat in onze dagen aan allerlei moeilijke kwesties wel duidelijk, mag wel al het licht gebruikt worden dat men heeft. Het is niet zo gemakkelijk alle dingen te behandelen ‘naar hun aard’.

En dit is het, wat op publiek terrein nodig is. - De dingen tot hun recht laten komen. - De wet legt het recht vast.

En nu werd in de laatste tijd de klacht luide, dat onze Hervormde Kerk zo slecht tot haar recht komt in ons land. Niet dat onze kerk werd gemolesteerd of bedreigd, was de grief, maar dat ze zo weinig de toon mee aangeeft. Dat het buiten de kerk zo anti-hervormd begint toe te gaan. Dat op publiek terrein andere beginselen de toon beginnen aan te geven dan die welke zo nauw verband houden met ons kerkelijk leven. Dat het 'gelaat' des lands bezig is te veranderen en een andere fysionomie zich langzamerhand gaat vertonen. Men wijt dit aan de coalitie

2

De kerk als zodanig drijft geen politiek. Zij heeft in dat opzicht zich het woord van de Heer te herinneren: 'Wie heeft Mij tot een scheidsrechter tussen ulieden gesteld?' (Luk. 12 : 14). Op de kronkelpaden van berekening en tactiek heeft de kerk zich niet te begeven. Zij heeft te leven het leven des geloofs en mag nooit vergeten dat ze gesteld is Jezus Christus uit de hemelen te verwachten. Ze moet 'recht en slecht' de waarheid belijden. De uitkomst behoeft ze niet te verantwoorden.

In De Heraut2 wordt over die toenemende politiek in 'onze kerken' geklaagd. Op deze wijze: "Wie in de pers de verslagen van onze classicale vergaderingen naleest, vraagt zich haast af, of onze kerkelijke vergaderingen soms politieke colleges of antirevolutionaire propagandaclubs geworden zijn. Alle kerkelijke zaken staan op de achtergrond; zelfs terwijl er een Generale Synode op komst is, is er nauwelijks één belangrijk voorstel voor ons eigen kerkelijk leven aan de orde; aller aandacht concentreert zich op politieke kwesties. Er waait door onze kerken een politieke moesson, die voor de ontwikkeling van ons kerkelijk leven verre van gunstig is, en die naar buiten een weinig verheffende indruk maakt."c

Een woord van hulde mag hier wel staan voor de eerlijkheid van deze bekentenis. Maar dan sta hier tegelijk dadelijk de verzekering dat we, wanneer soms het gevoel ons bekruipt dat de Hervormde Kerk weinig de toon mee aangeeft, ons tot onze troost deze bekentenis zullen herinneren. Wanneer er om het resultaat te bereiken waarop nu reeds menig lid der Gereformeerde Kerken groot gaat nodig is dat de kerk half een politiek lichaam wordt, dan moge onze Hervormde Kerk zich getroost achten. Wanneer alles. kerk, school, jongelingsvereniging het karakter moet krijgen van propagandamiddel voor een politieke partij, dan kunnen we zonder te grote zelfverloochening zeggen: I'honneur à vous, aan u de eer. Wie dan z'n kerkelijk en verenigingsleven bewaart bij wat het zijn moet" die moge een tijdlang zich overtroefd voelen, op den duur zal hij blijken vruchtbaarder werk te hebben verricht. Trouwens De Heraut behoeft ons dat niet te vertellen.

Iedereen kan weten dat de misschien buitengewoon grote invloed die de Antirevolutionaire Partij verkreeg, voor zover deze partij in de personen samenvalt met de leden der Gereformeerde Kerken, niet zonder geestelijk offer verkregen werd. De geestelijke energie in die kringen is veel meer aan de politiek dan aan de kerk ten goede gekomen. We willen daarmede niet over 't hoofd zien dat ook in de theologie, wetenschappelijk, een bedrijvig leven gezien werd, maar dat de beweging van 1886 iets van een geestelijk réveil zou hebben gehad, is ons nooit gebleken.

We zijn er dan ook heilig van overtuigd dat in onze Hervormde Kerk met veel meer waarheidsdorst geworsteld wordt met de grote geestelijke vragen van onze tijd dan in de gescheiden kerken. We geloven dat de dampkring in onze kerken voor geestelijk leven gezonder is.

Men mag deze dingen bij het meten en wegen van politiek succes en nationale invloed niet over 't hoofd zien. - Men moet de prijs mee in rekening brengen waarvoor iets gekocht is en die prijs kan tot nadenken stemmen.

Mocht dus iemand langzamerhand in ons land de indruk niet kunnen weren dat de gescheiden kerken (en de Roomse Kerk) tot machtige politieke lichamen zijn geworden, dan ligt daarin op zichzelf reeds een oordeel opgesloten. Wanneer het zo ver mocht komen dat de kerk zelf om haar publieke eer te krijgen en haar plaats op het staatkundig terrein te handhaven een politieke strijdkolonne moet worden, dan is het maar beter dat ze wat meer op de achtergrond staat. Het ergste wat een kerk kan overkomen is dat ze haar geestelijk karakter inboet. Haar dienend karakter vergetende gaat twisten over wie de meeste is en de vooraanzittingen begeert. In haar geestelijk bestaan is de kerk tenslotte onafhankelijk van de staat. Haar plaats op publiek terrein is geen onverschillige zaak, maar kan haar leven niet bedreigen. Wat haar leven bedreigen kan, is alleen wanneer de belangstelling in geestelyke dingen dooft, het orgaan voor het waarnemen der onzienlijke dingen verzwakt en ze op machtsbezit belust een koninkrijk wordt van deze wereld.

3

In ons eerste artikeltje wezen we aan hoe het van groot belang is voor de kerk welke geest er heerst op publiek terrein waar de deur der kerk uitkomt. In het vervolg trachtten we te laten voelen dat er een gevaar bestaat dat de kerk in haar strijd om het politieke deeg te doorzuren haar geestelijk en dienend karakter vergeet en gaat twisten over de voorrang. We wezen in dit verband op de gescheiden kerken.

Wat echter in de gescheiden kerken nog als een krankheid gevoeld wordt, dat is in de Roomse Kerk natuur geworden. De Roomse Kerk is een politiek lichaam. Geestelijke groei kent de Roomse Kerk niet meer. De tijden waarin de Roomse Kerk Europa opvoedde, de beweging der geesten leidde, zijn voorbij. Sedert doet ze niet anders dan schelden op degenen die de leiding hebben overgenomen. Ze heeft daarmee ook de onderscheiding der geesten verloren en verwart altijd reformatie en revolutie. Rome blijft, wat het is.

Het gevolg is duidelijk. Een innerlijke ontwikkeling is niet meer mogelijk. Er blijft dan alleen uitbreiding naar buiten over. Zo is Romes kerk hoe langer hoe meer een politiek lichaam geworden. Gelijk om gelijk staat ze met staten en vorsten, ontvangt gezantschappen, onderhandelt, dreigt of veinst, verliest of wint.

Een sprekend voorbeeld van het politieke karakter der Roomse Kerk is de kwestie die thans in Duitsland aanhangig is, de modernisteneed.3 De paus vraagt nl. van de geestelijken die onderwijs geven een eed waarin ze zich verklaren tegen gevoelens die in de kerk niet zijn toegelaten. Bedoelde geestelijken geven onderwijs aan Duitse hogescholen en scholen voor middelbaar onderwijs. Ze zijn werkzaam op publiek terrein. Ze doen echter hun eed, hun onderwijseed aan de paus. Maar dit toont ten duidelijkste aan dat de Roomse Kerk een staat in de staat is.

In de kerk zweert men niet. Men zegt ja of neen, naar luid van het Evangelie. Alleen voor de overheid zweert men, om der zonde wil. Zo zweert Jezus voor Kajafas. - De Roomse Kerk keert het om en laat een Pruisisch burger zweren aan de kerk en verraadt zo ten duidelijkste haar politiek karakter. Dat deze inbreuk van Rome op de rechten der overheid in Pruisen slechts op zwakke tegenweer heeft gestuit, is een veeg teken. We hebben daarin een echte overwinning van roomse politiek te zien.

Dat de Roomse Kerk vrijheid geniet, daartegen is niets te zeggen. Dat komt haar in een protestants land toe. Daarin ligt juist een bewijs dat de hervormde beginselen in de staat gehuldigd worden. Rooms zou het zijn die vrijheid te besnoeien. De vrijheid der Roomse Kerk is een hulde aan de hervormde beginselen. Maar wanneer op publiek terrein, zoals in Pruisen bij het onderwijs, een rooms beginsel wordt toegepast en geduld; wanneer niet de christen aan de overheid, maar de burger aan de kerk begint te zweren, dan ligt daarin een echt roomse overwinning voor ons. Dan wordt het protestants beginsel verruild tegen het roomse. Hiertegenover hebben we bovenal op onze hoede te zijn. Dit is slechts een voorbeeld. Maar zulk een ruiling is op allerlei gebied mogelijk.

Rome is hier in z'n kracht. In nog veel sterker mate dan de gescheiden kerken heeft het opgehouden aan z'n dogmatiek te werken. Geestelijke, innerlijke arbeid heeft het niet meer. We bedoelen daarmee niet dat het niet werkzaam kan zijn, ook veelzijdig, met persoonlijke zelfverloochening, maar centraal is het afgesloten. Van Rome geldt het woord van de bekende Jezuïetengeneraal uit de geschiedenis: 'Het moet zijn, zoals het is, of het verga.'d

Dat geeft Rome een rustige houding in het publieke spel. Het heeft een scherpe, ongestoorde aandacht. Romes gemoedsrust wordt bij z'n spel niet gestoord. Als bij een spelen aan het schaakbord is z'n spelen wachten en z'n wachten spelen. Een verkeerde zet van de tegenpartij wordt altijd benut. Na het verloren spel begint het dadelijk een ander. Zo wint Rome. De schoolwet komt z'n kloosters ten goede. De wet op 't hoger onderwijs laat z'n leerstoelen opkomen. Door z'n arme over te laten aan het burgerlijk armbestuur, spaart het voor z'n kerken.

Dit alles kan het echter alleen doen, omdat het leeft onder hervormde beginselen. Dit is geen inbreuk op hervormde beginselen. Dat het onder dit alles scheldt op hervormde vorsten en volken maakt geen verheffende indruk. Dat de paus die in z'n eigen rooms land gevangen zit, in Frankrijk onterfd is, in Portugal de deur uitgeworpen is, altegaar roomse landen, naar die landen die hem logeren en aan z'n Pieterspenning meehelpen z'n banbliksems slingert, heeft iets verbazingwekkends. Zulke dingen worden echter niet bij de wet verboden, maar behoren thuis in de codex van goede en slechte manieren.

De Roomse Kerk leeft van het hervormd beginsel. Overal waar ze onder eigen hemel moet leven vervalt ze. Na de Reformatie is de Roomse Kerk parasiet geworden. De volkeren die een toekomst hadden, hebben zich van haar afgewend. Sedert bloeit de Roomse Kerk bij toeneming alleen in protestantse landen. Hier nu geldt de gelijkenis van het onkruid en de tarwe. Men kan ze niet anders dan ze beide te zamen laten opwassen. Niet de Roomse Kerk is het grootste gevaar, maar de roomse zuurdesem: machtzoeken zonder geestelijke wasdom.

4

Het is zeer begrijpelijk dat de coalitie ons, hervormden, tot zelfbezinning dringt. Wanneer verschillende dieren voor één ploeg gespannen worden, merkt men hoe ongelijk ze trekken. Het zou, echter jammer zijn wanneer die zelfbezinning tot resultaat had dat we nu zoveel mogelijk trachtten de andere gelijk te worden. Wanneer, zoals ds. Van Hoogenhuyze4 't noemde, de Hervormde Kerk 'mobiel' moest worden, omdat de roomse en gescheiden kerken politiek-mobiel zijn. We zouden dan juist in een hoek gedrongen worden waar we niet willen zijn. We zouden worden anti-rooms, anti-dolerend enz. In deze wedstrijd van drie kerken in een politiek perk zou de Hervormde Kerk ondanks haar meerderheid in getal overtroefd worden. Om in die zin 'mobiel' te zijn, daarvoor ontbreekt ons de gesloten organisatie, de strenge discipline, de geslepen politiek. Daarvoor zijn we te veel kerk.

Wat de coalitie-ervaringen ons daarom ook te leren hebben, voor zover we er kerkelijk mee gemoeid zijn, niet dit dat we meer dan tot nog toe als kerkelijke partij ons hebben te groeperen. We menen nog altijd dat het woord klerikalen, dat aan de rechtse partijen wordt vereerd, ons zo heerlijk niet raakt. Wil Rome klerikaal zijn, willen de gescheiden kerken klerikaal worden, dat is hun zaak. Laten wij on-klerikaal blijven.

Er zijn allerlei dingen die ons reeds in die richting drijven. Klerikaal is een partij wanneer ze in kerkelijk gewaad op onkerkelijk terrein verschijnt. Dit is in de ruimste zin klerikaal. Nu dringen de klerikale of half-klerikale groepen ons reeds vrij sterk die kant op. Het drijven van de gescheidenen bracht ons tot hervormde scholen en tot hervormde arbeidersverenigingen. Moeten we die weten einde toe aflopen, dan komen we juist in de hoek te staan waar men ons hebben wil. Tenslotte komt dan tegenover een gereformeerde universiteit een hervormde universiteit. Een hervormde universiteit echter is een seminarie.

Het zou ons dan gaan zoals het de Syriërs verging die toen hun ogen geopend werden merkten dat ze gekomen waren juist daar waar ze niet wilden zijn, - midden in de vijandelijke stelling (2 Kon. 6). Het is erom te doen z'n invloed op de markt des levens te laten gelden, om in de poort niet beschaamd te worden. Op de bovenomschreven weg zouden we echter eindigen klerikalen te worden wier kerkelijk kleed hen zou beletten de publieke markt over te steken en die zich zouden opsluiten in een seminarie. Dit alles zou het gevolg zijn van een louter negatieve gedragslijn wanneer we de zwakte van onze tegenstanders navolgden zonder hun kracht te kunnen overnemen. We hebben juist uit de coalitie-ervaringen te merken dat wij anderen zijn. We hebben dat andere te bewaren en te ontwikkelen.

Voor Rome is een seminarie de dampkring waarin men zich wel gevoelt. Romes starre geest wordt daar 't best bewaard en z'n sektegeest wordt daar 't best gekoesterd. Voor de gescheiden kerken is een vereniging op stevige grondslag met versterkte muren en een kort wachtwoord een gewenste kweekplaats van clubgeest. Dit kan echter nooit ons ideaal zijn. En als de coalitie-ervaringen ons tot bezinning dringen, zullen we 't beste doen ons rekenschap te geven van de aard van ons eigen standpunt. Vrees is altijd een slechte raadgeefster geweest. Onze zwakheid dreigt te worden dat we op allerlei gebied een namaak en dan een slechte namaak produceren van wat door de gescheiden kerken gedaan wordt. Dit maakt wel eens dezelfde indruk als wanneer men onze Hollandse jongens in kaki-uniform zich ziet bewegen.

Over eigen aard hebben we ons te bezinnen. Ons eigen beginsel te bestuderen en tot ontwikkeling te brengen. Alles, wat ons tot een klerikale partij wil maken, brengt ons van het doel af. Wanneer wij in kwaliteit van hervormden als derde klerikale groep naast roomsen en gescheidenen gaan optreden, hebben we van meet af verloren spel.

Het duidelijkst voelen we dit nog op 't gebied van 't hoger onderwijs. Roomsen en'gereformeerden'zouden er niets tegen hebben wanneer op dit gebied een soort boedelscheiding plaatsgreep. Wij echter voelen ons alleen thuis aan lands-universiteiten. We wensen niet te worden 'gegadigde theologen', zoals onder het ministerie-Kuyper bij de behandeling van de Hoger Onderwijswet de hervormde kamerleden werden betiteld met de bijvoeging dat ze dan maar zeggen moesten, welke drank zij zich uit de ministeriële brouwketel wensten te zien opgeschept.5 Alsof een minister op bestelling werkt. De inwilliging of niet-inwilliging van enige bijzonder hervormde eisen heeft met ons beginsel weinig te maken.

Wanneer we ons op voorbeeld van roomsen en gescheidenen laten verleiden op buit uit te gaan en ons gaan opsluiten in eigen kring, zullen we langzamerhand datgene verliezen waardoor de Hervormde Kerk thans nog in de natie de ruimste en onbekrompenste invloed heeft. Een hervormde die een publieke post gaat bekleden, komt daar thans gelukkig nog anders dan een roomse of 'gereformeerde', van wie men vaak de indruk krijgt dat ze zulks begeren tot meerdere glorie van hun groep.

Onze kerkpleinen zijn meestal nog de stads- en dorpspleinen ook symbolisch. Tegen-kerk zijn we nog niet.

Bij zulk een positie past een onbekrompen houding. Een zoeken om allen tot zegen te zijn. Een verband houden met alles wat er leeft in land en volk. Werden we op politiek gebied klerikale partij, dan zouden we juist daardoor het beste van onze positie en invloed inboeten. Die partij zal de beste houding hebben die 't minst partij is en zich op publiek terrein niet als op vreemd maar op eigen grondgebied beweegt.

Voetnoten

  1. a

    Vindplaats onbekend↩

  2. b

    A.Kuyper,"Ons program", Hilversum 19075, p.97v. (par.64).↩

  3. c

    H. H. K(uyper) in De Heraut van 5 maart 1911.↩

  4. d

    Zie p. 111.↩

Eindnoten

  1. 1

    Kerken coalitie was het eerste artikel, dat N. publiceerde in het Hervormd Zondagsblad voor de Provincie Friesland. Orgaan van de Friesche Predikantenvereeniging. Het blad werd in 1907 opgericht door J. W. Groot Enzerink, die er ook eindredacteur van werd. Van de redactie maakte o.a. N. enige tijd deel uit. Onder A tot en met R worden hier alle artikelen(series) herdrukt die N. in het HZ heeft gepubliceerd, voor zover deze álthans waren te achterhalen. Weggelaten zijn de jaarverslagen die N. in het blad publiceerde als secretaris van 'Kinderzorg'. Zie daarvoor E noot 2.

    J. W. Groot Enzerink (1874-1939), vanaf 1907 hervormd predikant te Leeuwarden, vanaf 1921 te Leiden, was een van de leidende confessionele predikanten in Friesland.

    Kerk en coalitie verscheen in vier afleveringen, 1. in HZ 4 (1911) nr. 9; 2 in nr. 10; 3 in nr. 12; 4 tenslotte in nr. 14.

    Met 'coalitie' doelt N. op het akkoord, dat vanaf 1888 bestond tussen de (later zo genoemde) Rooms-Katholieke Staatspartij en de Antirevolutionaire Partij en dat een stembusakkoord van 'rechts' inhield tegen 'links'. Hieruit resulteerden diverse coalitie-kabinetten, zoals het kabinet-Kuyper (1901-1905) en het kabinet-Th. Heemskerk (1908-1913). Ook de (voorlopers van de) Christelijk-Historische Unie ondersteunden min of meer de coalities coalitie bleef, ook al werd ze in de jaren twintig reeds ernstig geschokt, tot in de jaren dertig functioneren.↩

  2. 2

    De Heraut werd in 1850 opgericht door C. Schwartz (1817-1870) en voerde, al snel een weekblad geworden, vanaf 1854 de titel De Heraut, een Nederlandsche stem voor Israëls Koning, het Hoofd der Gemeente. Vanaf 1871 was A. Kuyper er hoofdredacteur van en had het als ondertitel 'voor vrije Kerk en vrije School in het vrije Nederland', wat in 1887 weer vervangen werd door 'van de Gereformeerde Kerken in Nederland'. Als hoofdredacteur werd Kuyper opgevolgd door zijn zoon H. H. Kuyper (1864-1945). Het blad hield in 1945 op te bestaan.↩

  3. 3

    Nadat hij reeds in 1907 het modernisme veroordeeld had, deed Pius X (paus van 1903-1914) ten overvloede nog het voorschrift uitgaan, dat allen die een verantwoordelijke kerkelijke positie bezaten de anti-modernisteneed moesten afleggen. Dit voorschrift was neergelegd in het motu proprio Sacrorum antistitum (1 sept. 19 10).↩

  4. 4

    A. G. H. van Hoogenhuyze (1871-1941), hervormd predikant, vanaf 1912 te Amsterdam.↩

  5. 5

    In 1903 diende A. Kuyper als minister van Binnenlandse Zaken een wetsontwerp in tot wijziging van de Hoger Onderwijswet. Daarin stelde hij onder andere voor om aan bijzondere universiteiten (i. c. de V.U,) het ius promovendi cum effectu civili toe te kennen en de mogelijkheid te openen om aan rijksuniversiteiten bijzondere leerstoelen in te stellen. Tijdens de behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer in 1904 merkte Kuyper op dat de overheid machteloos is om van de huidige theologische faculteit (een 'doodshoofd') weer een organisch levende faculteit der godgeleerdheid te maken. Daartoe behoeft de overheid "de voorlichting, de steun en de medewerking der kerkelijke besturen, wier belangen hierbij op het spel staan." Daarom roept Kuyper "de gegadigde theologen op om hun denkbeelden op zulk een wijs concreet te formuleren, dat de Regering weet wat begeerd wordt en met een vast gegeven kunne rekenen." Deze oproep deed Kuyper in de zitting van 10 maart 1904. Het wetsontwerp werd tenslotte in 1905 aangenomen. (De citaten naar De universitaire vorming van de aanstaande predikanten der Nederlandsche Hervormde Kerk. Een woord bij de komende reorganisatie van ons hooger onderwijs, Utrecht 1904, p. 80, door F. E. Daubanton, die vrijwel als enige op Kuypers oproep reageerde.)↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet onder Weergave de correcties aan om de verbeterde OCR-fouten en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← De reorganisatiebeweging in de Hervormde KerkDeel 1Protestantse katholiciteit →