O. Twee kruisridders1
In het laatste rapport van mr. De Graaf,2 inspecteur van de Centraal-Bond van Christelijk-Philantropische Inrichtingen in Nederland, komen een paar bladzijden voor, die ik gaarne onder de ogen van de lezers van dit blad ook wenste te brengen.
Mr. De Graaf heeft een bezoek gebracht aan het grote diaconessenhuis 'Kaiserwerth' in Duitsland en hij geeft in bovengenoemd rapport z'n indrukken weer.a Hij vertelt hoe het werk te Kaiserwerth geheel in het teken staat van de traditie. Ook al gaat de stichting niet ondankbaar alles voorbij wat de nieuwere tijd bracht, de opvatting van het diaconessenwerk blijft dezelfde. Daarop laat men geen inbreuk toe.
Een bezoek aan 'Kaiserwerth' begint dan ook, heel eigenaardig, met een rondgang op het kerkhof. Daar wordt aan de bezoeker het graf getoond van de eerste vrouw van Fliedner,3 die 'Kaiserwerth' stichtte. Fliedner heeft van haar getuigd dat zij nog meer moed had dan hij zelf. Op 20 april 1836 kocht Fliedner het grote huis waar hij z'n werk begon. Over 2 maanden moest de som van fl 6900,- worden betaald en Fliedner had geen cent. Z'n vrouw, drie dagen te voren bevallen, ried hem in rustig vertrouwen het toch te doen. Uit de geloofsdaad werd 'Kaiserwerth' geboren.
Het werk ontstond door het gebrek dat er in Rijnland-Westfalen aan goede ziekenverpleegsters bestond. De dokters klaagden er over. Geestelijke hulp was er weinig. Fliedner woog het op de ziel dat de oudchristelijke krankenzorg zo droevig in verval was gekomen. Hij klopte bij z'n collega's aan. Zij wilden dat Fliedner 't zou beginnen. Zo merkte Fliedner dat de Heer deze last op zijn schouders wilde leggen. 'Gewillig bood ik m'n schouders', zegt Fliedner. Echt profetisch voelt hij het werk als een 'last', een kruis, dat de schouders drukt en niet voor eigen genoegen begonnen is.
Mr. De Graaf heeft dan in 'Kaiserwerth' het portret van Fliedner gezien en peinzend geeft hij er de volgende beschrijving van, waarom het mij mede te doen is:
"Het portret van Fliedner is zeerzwak getekend; men ziet hem dus als door een mist en moet half raden naar de ziel die gehuisd heeft in dit schijnbaar onbeduidende, goedige, echt-achttiende eeuwse gezicht, waarin alles vlucht: de kin wijkt naar achteren, het voorhoofd is laag en vliedt zo snel mogelijk naar de kruin, ook de oren staan schuin en doen mee aan die algemene terugtocht. Alleen de verrassend krachtige, even gebogen neus houdt stand en schraagt de overgevoelige, bijna wenende ogen. Wij zijn in de tijd van het Duitse romantisme van het Leiden des jungen Werthers met al zijn neiging tot sentimentalisme, maar toch met zijn heerlijke poëzie, met zijn kinderlijkheid, de tijd van Novalis, van Jung-Stilling, de tijd der zelfcontemplatie, van onvruchtbaar mijmeren, van verheerlijken van de zelfmoord, maar ook de tijd van de grote denkers, van Kant en Schleiermacher, de tijd van Beethoven. En zie nu, dit alles bedenkende, wéér eens naar het portret van Fliedner, het is of er een sluier van weg is gevallen; wat een kracht in de bouw van de wenkbrauwen, wat een trek van diep denken op het voorhoofd bij de wortel van de neus en de ogen, wat een zielvolle uitdrukking in het brede vliedende hoofd met de ver ingeplante haren boven de oren, wat een breedheid en wat een idealisme; dit gedeelte van het gelaat doet, wonder genoeg, aan Richard Wagner denken. Maar nog altijd blijft gij in het gelaat missen de uitdrukking van wilskracht, van beslistheid, dat wat tot daden voert, wat men voor alle dingen verwacht zou hebben van iemand, die zulk een leven vol werk tot stand heeft gebracht. Maar als gij dan de woorden onder het portret ziet, dan hebt gij de sleutel tot de buitengewone persoonlijkheid gevonden: 'Er musz wachsen, ich aber musz abnehmen.' En nu nog eens naar het gelaat ziende, komt de eerste indruk weer boven, van vluchten, maar nu niet meer als een zwakke, maar als de edelste zelfverloochening, als het offer van de eigen persoonlijkheid, en gij denkt aan het zaad dat sterven moet om vrucht voort te brengen en gij denkt aan al die krachtige persoonlijkheden, wier sterke wil hen zelf in de weg zit, die hen wel in staat stelt zich zelf op de voorgrond te brengen in de wereld, maar die hen belet iets van blijvende waarde tot stand te brengen. Deze man met zijn stille, bescheiden, mijmerende, gevoelige natuur heeft zich als instrument laten gebruiken en hoe vruchtbaar zijn al die kostelijke, maar voor de praktijk van het leven zgn. onbruikbare eigenschappen gebleken te zijn. Niets heeft de praktijk van het leven meer nodig dan zuiver idealisme, zelfverloochening, diepe gedachten, vooral stille vroomheid."
Na deze beschrijving beziet rnr. De Graaf het portret van Fliedners schoonzoon en opvolger. "Om u nu terstond van alle eenzijdigheid te genezen", zo gaat hij voort, "van de gedachte, dat voor dit soort werk alleen mensen als Fliedner te gebruiken zijn, hebt gij u slechts om te keren. Aan de andere muur hangt het portret van Fliedners opvolger, zijn schoonzoon, pastor D. J. Disselhoff,4 ook reeds overleden. Sterker contrast is niet denkbaar. In plaats van de zwakke aflopende schoudertjes van Fliedner die hij Iso willich herreichte', schouders, die aan Atlas doen denken, volkomen geschikt om de aardbol te torsen. En het gelaat wel niet een uitdrukking van bewuste wilskracht in de eerste plaats, maar toch een heersersnatuur. Een hoog gewelfd voorhoofd, een grote breeduitgevleugelde neus, wat, met de groeven om de neus en de brede mond, met de enigszins vooruitstekende onderlip, verborgen onder een lange baard en brede snorren, een martiale en bijna wrede uitdrukking geeft en een hartstochtelijke natuur verraadt. Oppervlakkig gezien zou men wel even aan het uiterlijk van een roverhoofdman kunnen denken en al weer wordt men herinnerd aan de tijd waaruit deze man voortkwam, de revolutietijd van 1848, die heel Europa in beroering bracht, toen, meer nog dan in 1792, de beweging alle volkeren aanstak en overal mannen opstonden die de oude wereld omver wilden werpen. Maar deze oppervlakkige indruk verdwijnt terstond en, veel sneller dan bij Fliedners portret, wordt die eerste indruk verdrongen door de indruk, die de ware of de vernieuwde persoonlijkheid, die in deze man moet geleefd hebben, maakt. De ogen zijn niet langer heersers-ogen, maar zij zijn vol goedheid, het ene oog als in vertedering een weinig dichtgeknepen, het andere oog enigszins angstig starend en smartelijk een weinig naar beneden hangend, de mond niet meer wreed, maar integendeel mild en vol deernis, het hoge gewelfde voorhoofd verheven, met de rustig naar achteren gekamde haren, wat iets van resignatie geeft, het gehele gelaat, van verderaf gezien, zeer geprononceerd de kruisvorm vertonend, en de uitdrukking van het geheel zulk een mengsel van goedheid en smart, zo iets gecrucificeerds, dat men denkt aan de Gekruisigde, en herinnerd wordt aan de middeleeuwse, een Oudduitse Christus-kop ...
Ook van deze man is de eindindruk: een die niet zijn eigen leven heeft uitgeleefd, maar een die zich als een instrument heeft laten gebruiken, of een beter beeld, als een rank in de wijnstok zich heeft laten inenten en veel vrucht heeft gedragen en die daarom het recht had onder zijn eigen portret te plaatsen de woorden: 'Alles und in Allem Christus'."
Dit zijn de beide kruisridders, waarvan mr. De Graaf voor hun portret staande een zo treffende tekening gaf.