Pragmatische houding1
1
Een karakteristiek te geven van de ethische richting is meermalen beproefd, maar het is misschien niet overdreven te zeggen dat ze even vele malen minder gelukkig als wel gelukkig uitviel. Er schijnen bezwaren aan zulk een ondernemen te kleven welke men gewoonlijk onderschat. Daarbij komt dat zulk een karakteristiek vaker gewaagd is door degenen wier sympathieën naar elders gingen dan door ethischen zelf. Ik behoef maar de namen van Kuyper en Bavinck te noemen om eraan te herinneren dat door theologen van de eerste rang telkens en telkens een beeld van de richting is ontworpen waarop haar voormannen onmogelijk ja en amen! konden zeggen. Zo ging het ook in gereformeerde en confessionele weekbladen. Hetgeen daar als 'ethisch' wordt voorgehangen, erkennen deze zelf slechts zelden als hun dogmatisch of homiletisch program. Nu is dit laatste geen ongewoon verschijnsel. Een portret dat een niet-geestverwant van ons ontwerpt, wordt gemakkelijk karikatuur. Het is niet gemakkelijk in anderer gedachtenkring binnen te dringen. Daartoe behoort grote liefde. Toch lijkt mij de ethische richting in dit opzicht 't minst verwend.
Het zou niet billijk zijn dit enkel toe te schrijven aan anderer partijzucht of min-vriendelijke gezindheid. Het is ongetwijfeld veel gemakkelijker de gedachtenwereld weer te geven van een 'goed-gereformeerd' of 'goed-confessioneel' man wiens taal volle ruggesteun vindt in de oude dogmatieken dan een juiste indruk bij te brengen van de benaderingen door ethischen beproefd. Ook de dogmatiek, als men het zo noemen mag, van de oudere modernen die zich bepaalden tot het uitbeelden van een aantal godsdienstig-zedelijke verhoudingen van meer eenvoudig karakter scheen nooit zulke beletselen voor goed begrip in de weg te leggen als de ethische 'prolegomena'. De ethischen die, geplaatst voor het dilemma: of het kind weg te werpen met het badwater of dat kind steeds weer in hetzelfde sop te dompelen, dat dilemma verwierpen en de praktijk van een goede huismoeder gingen volgen, hebben daarvoor nooit veel dank geoogst. Men verweet hun steeds weer het uitblijven van een gerede dogmatiek en hield hun spottend hun 'prolegomena' voor.
Het is mij er hier om te doen dit verschijnsel dat in onze kerkelijke wereld zeer bekend is in iets algemener samenhang te plaatsen waardoor er misschien enig licht op kan vallen. Gewoonlijk richten wij ter verklaring van de theologie van La Saussaye Sr. en andere verwante geesten onze blik naar het oosten en het zuiden. Duitse en Franse theologie wordt dan geacht storend of bevruchtend, al naar het standpunt waarop men zich plaatst, op onze Hollandse theologie te hebben ingewerkt. Voor een historische verklaring zal dit wel de aangewezen weg blijven. Om een historische verklaring is het ons hier echter niet te doen. Wij zoeken slechts enig zij-licht en dat kwam voor mij ditmaal uit het westen.
In een aflevering van het Theologisch 7ijdschrift in 1917 kwam een zeer oriënterend artikel voor over 'Engelse theologie'.2 In dit verband ging het over de theologische opvattingen in de Engelse staatskerk. De schrijver Rev. A.C.Headlam wees op het gevarieerde, de verscheidenheid in de Engelse kerk. Men kreeg als buitenstaander niet gemakkelijk hoogte van wat daar rondging. Systemen, dogmatieken, in 't algemeen handboeken gaf men er bijna niet. Men was steeds enigszins huiverig voor een te groot samenstel van vooropgezette meningen. Men schreef liefst 'prolegomena'. Een echte professor in de theologie, in het bezit van alle verborgenheden en alle wetenschap, zou men er nauwelijks vinden. Op rijper leeftijd zag men ze bij voorkeur 't praktische leven in de kerk weer naderen. Natuurlijk hebben deze mannen hun overtuigingen, maar ze houden er niet van ze alle in een groot boek op een rij naast elkaar te zetten. Zij zullen de mededeling van die overtuigingen dikwijls uitstellen tot ze ernaar gevraagd worden. Of wachten tot er een omstandigheid zich voordoet die het uitspreken van hun overtuiging noodzakelijk maakt. Of ze uiten zich in een opstel over een gedeelte dat bijzonder hun hart heeft en hun belangstelling heeft gaande gemaakt of waarvan ze bijzondere studie hebben gemaakt. Zij uiten zich bij voorkeur in een kring van jongeren op wier karakter en leven het uitspreken van hun overtuigingen een vormende kracht kan hebben en vormen zo een traditie. Deze mannen zullen niet altijd hun overtuigingen in dikke handboeken laten drukken omdat ze het niet kunnen. Sommige vraagstukken zijn voo ' r hen daartoe te zeer in staat van wijzen; omtrent andere zullen ze het moeilijk vinden en minder wenselijk achten ze in een bepaalde vorm te geven die dan voor alle omstandigheden als gerede uitdrukking zou kunnen worden te pas gebracht. Zij zullen er de voorkeur aan geven in vele gevallen de uitbeelding van hun gedachten mede te laten afhangen van hun gehoor en van de omstandigheden. Zij zullen die vorm dus vinden bij gelegenheid en in hun preken en toespraken. Hun mening zal zijn dat het Woord Gods er niet bij verliest wanneer de inhoud daarvan iets minder wordt vastgelegd in zuivere taalvormen en iets meer wordt gebonden aan de standvastigheid van hun godsdienstig-zedelijke persoonlijkheid. Het zal hun toeschijnen dat, meer nog dan de grammatica, het karakter de plaats is waarin God het beeld zijner zelfstandigheid uitdrukt. Daarom houden ze onwillekeurig die schat enigszins gedoken en hebben als bij instinct enige scrupules tegen het maken van al te dikke theologische werken.
Op die wijze ontstaat in de Engelse kerk meer een traditie en theologische overlevering dan een vaststaande leer. Hiermee staat in verband dat de Engelse theologie zich ook bijzonder interesseert voor de traditie der eerste eeuwen van het christendom. Tegenover de bijna uitsluitende autoriteit van het bijbelwoord in de kerken van het vasteland stellen deze Engelse theologen bijzonder belang in de meningen der kerkvaders. Hun ideaal is dat het zou kunnen gelukken hier de gehele christelijke kerk een verenigingspunt te bieden. Rome zou tot de zuivere traditie terug moeten gaan. Het protestantisme zou van een te wettelijk gebruik van het bijbelwoord moeten afzien en zich moeten wagen aan de leiding des Geestes in alle waarheid. In het vertrouwen op deze leiding en zich veilig gevoelende omdat men leeft in aansluiting aan de christelijke waarheid aller eeuwen vertoont deze theologie niet een te angstvallige vrees voor wetenschappelijke arbeid, ook dan niet wanneer die arbeid resultaten brengt wier aansluiting aan de christelijke waarheid niet dadelijk valt in te zien. Hier dus geen weglopen met alles wat nieuw is, evenmin een schuwen van alles wat nieuw is. De schrijver uit wiens zeer lezenswaard artikel ik hier een paar grepen deed, met invoeging van hier en daar een zielkundige opmerking, zou deze geesteshouding willen noemen: 'reverent criticism', wat men zou kunnen overzetten als: een eerbiedige en toch vrijmoedige houding tegenover de christelijke overlevering. De Engelse kerk kent ook haar rechter- en linkerzijde. Hierboven werd echter de middenweg uitgestippeld die velen gaarne houden.
We moeten thans nog even de moraal uit onze fabel trekken. Ze leert dunkt mij zeer duidelijk dat het niet altijd een bewijs van onmacht is wanneer een geestesrichting niet veel verder komt dan het schrijven van haar 'prolegomena'. Het kan ook een bewijs zijn van eerbied voor het onderwerp, van soberheid en reserve.
Een tweede lering is deze dat een theologische traditie zich evengoed kan voortplanten in prediking, gesprek en tijdschriftartikelen als in lijvige dogmatieken. Dat een richting niet vruchtbaar is in het produceren van het laatste artikel is geen bewijs tegen haar vitaliteit.
In de derde plaats worden we opmerkzaam op de betekenis van persoonlijke mededeling. Het is een pijnlijke maar niet te ontkennen waarheid dat in ons kerkelijk leven dogmatische vastheid niet altijd tot correlaat heeft een christelijke karakter-cultuur. Minder gemakkelijke belijndheid, meer vlottend geestesleven zal er als van zelf toe dwingen iets meer het persoonlijke mede in te zetten. Dit kan niet anders dan ten goede komen aan de invloed die bij de voortplanting der christelijke traditie geoefend wordt.
Het kan onze bedoeling niet zijn hiermede alle dogmatische lijnen te willen uitwissen. Het geldt hier slechts een meer of minder, een graadverschil. Een kleine verschuiving in de richting van een meer persoonlijke levende traditie. Die traditie mag gerust in een flink boek van tijd tot tijd steun vinden. Toch blijft zulk een kleine verschuiving van vitaal belang.
Datgene. wat we in mindering brengen van de meer dogmatische neiging van ons kerkelijk publiek in doorsnee, heb ik in de titel van dit artikeltje aangeduid met de misschien wat raadselachtige naam: 'pragmatische houding'. Ik heb daarin zo niet een historische dan toch een ideële verwantschap met 'Engelse theologie' aangeduid. Wat daarmee verder bedoeld is kan misschien in een volgend artikel iets duidelijker worden.
2
In een vorig artikel wees ik op de ideële verwantschap die er valt op te merken tussen een welbekende theologische richting in ons vaderland en de theologie in de Engelse staatskerk. Ik deed dat in aansluiting aan een tijdschriftartikel dat onder ieders bereik is. Zielkundig en theologisch bleken er frappante trekken van gelijkenis te bestaan. Het gemeenschappelijke in beider gesteldheid duidde ik voorlopig aan als een 'pragmatische houding'.
Bij enkele bekende figuren uit onze jongste kerkgeschiedenis valt dit dunkt mij vrij duidelijk in 't oog. Ik zonder nu La Saussaye Sr. uit, die mij voorkomt in dit verband geen representant van het hier besproken verschijnsel genoemd te kunnen worden. - Mij staan drie andere mannen voor de geest waarvan ik twee, die reeds gestorven zijn, hier dadelijk ga noemen, terwijl ik misschien later dan moed zal vinden de derde, nog in leven, aan te wijzen. De beide eersten, die ik bedoel, zijn Beets en Gunning.
Beets heeft vierhonderd preken, elf bundels verzen, vijf delen letterkundige opstellen en een groot aantal losse geschriften nagelaten, maar geen dogmatiek, zelfs geen 'prolegomena'. Toch was hij een Hollandse professor in de theologie. En ofschoon in het 'verrast, verbaasd, verblijd’ van Van Oosterzee, waarmee deze de benoemde begroette, althans in de beide eerste delen van de uitroep enige echt-Nederlandse verwondering lag opgesloten die pas in de derde geheel in de vriendschap verdween, heeft ons volk er nooit spijt van gehad dat koning WillemIII de pragmatische professor een plaats gaf tussen meer dogmatische collega's. De Stichtelijke uren van Beets hebben een zegen verspreid en een invloed op de prediking in onze kerk gehad die ongetwijfeld veel groter was dan die van Van Oosterzee's Dogmatiek.
Merkwaardig is ook hoezeer Beets' christelijke aandacht op het 'karakter' geconcentreerd is geweest. Véél meer dan dit in ons theologisch vaderland gebruikelijk is. Uit dit oogpunt vormt z'n Camera obscura een schone eenheid met z'n later, meer theologisch gekleurd werk. Men behoeft werkelijk voor dit boek bij de christen Beets geen voor-historische periode te reserveren. Wanneer Beets op zestigjarige leeftijd het hoogleraarschap aanvaardt, is het nog: 'Karakter, karakterschaarste, karaktervorming'. Zijn Stichtelijke uren beschrijven in allerlei toon het karakter van het christelijk leven. Dit alles is zuiver Nederlands. Beets vertegenwoordigt een stuk echt-Hollands leven. Hier is niets uitheems. Bij niemand zal de gedachte opkomen dat Beets' voorliefde voor sommige Engelse schrijvers de hoofdrichting van z'n leven bepaald zou hebben. In eigen land waren alle factoren aanwezig tot vorming van deze typische vaderlander. Wanneer dan toch de geestesdruk van Beets ons soms zeer sterk doet denken aan de beste Engelse geesten dan wijst dit op een verwantschap tussen sommige christelijke kringen ten onzent met die aan de overzijde van het Kanaal.
Aan de 'ethische richting' wordt veelal een vreemde afkomst verweten. Duitse verwarde Vermittlungstheologie en Frans vrijkerkendom zouden haar van haar Hollandse degelijkheid hebben beroofd. Ik wil niet ontkennen dat dit ten dele terecht geschiedt. Met deze fouten is echter de ethische richting niet geoordeeld. In Nicolaas Beets is zij vertegenwoordigd in haar volkomen Nederlandse eigenaardigheid en gaafheid. Hij vertegenwoordigt een zijde van het christelijk leven in ons land waarop veel te weinig de aandacht gevestigd wordt.
Het is bekend dat men ons volk als een zeer dogmatisch volk beschouwt. Verwant met de Schotten in z'n lust om over fijne dogmatische geschilpunten te redekavelen. Het is waar dat ons kerkelijk leven een eerbiedwaardige hoeveelheid dogmatische lectuur heeft voortgebracht. Dit dogmatisme beschouwt men dan meestal als het karakteristieke van de Nederlandse christen. Men zou echter kunnen vragen of hier geen sprake zou kunnen zijn van vreemde invloeden. Het zou wel eens kunnen zijn dat in het 'Wij calvinisten' een oordeel te beluisteren valt over de zonde waartegen Paulus in de eerste hoofdstukken van de Eerste Korinthebrief waarschuwt. Kuyper zelf erkent dat die vele dogmatieken weinig anders gedaan hebben dan Calvijn naschrijven. Het is mogelijk dat ze dit gedaan hebben zonder hem te begrijpen, wat bij overschrijven kan voorkomen. De gedachte is verschrikkelijk, en toch is er plaats voor, dat deze hooggeloofde trek van ons volk een gevaarlijke krankheid is waardoor het verhinderd wordt z'n eigendommelijke christelijke kracht te ontplooien. Het pantser dat de spirituele, fijn geestelijke Fransman wel paste, heeft mogelijk schade gedaan aan de forser geestesbouw van ons volk. Althans over vele kerkelijke gemeenten in ons land mag het oordeel niet anders luiden.
Beets herinnert ons aan een andere eigenaardigheid van het christelijk leven onder ons volk, meer aan het Engelse verwant. Wanneer dit eens het echt-Nederlandse was? Als men het hierover eens kon worden, zouden we misschien weer permissie krijgen, ook van degene die dit thans niet willen toestaan, om in meer pragmatische trant wanneer ons gevraagd wordt: hoe denkt ge daarover? somtijds ten antwoord te geven: dat weet ik zo precies niet; of op een andere maal: dat zal wel blijken als het te pas komt; of.- dat zal ik wel zeggen als het enig nut kan hebben. Ik herinner de lezer dat ik hier geen agnosticisme aanbeveel, maar slechts een kleine verandering van houding, van een te dogmatische naar een ietwat meer pragmatische. Deze verandering van geestelijke houding zou het misschien voor ons gemakkelijker maken te beoefenen wat de Engelsman F.D. Maurice zo schoon verstond: het opnemen van de ondankbare rollen in het leven en het doen van datgene waartegen een ander opziet. Ons Hollandse kerkelijke leven zou daarbij misschien meer gebaat zijn dan bij de produktie van een dogmatisch standaardwerk. Het zou mij niet rouwen wanneer deze trek van verwantschap tussen ons christenvolk en de Engelse kerk in de twintigste eeuw wat sterker naar voren kwam. Ik geloof dat de eigen aard van ons volk daarbij te beter zou uitkomen.
Naast Beets noemde ik Gunning. - Ongetwijfeld een geheel ander man. Bijna zou men zeggen, zonder enig punt van overeenkomst met deze. Sterk beïnvloed door La Saussaye zodat hij het eigene van geringe waarde noemde in vergelijking van het geleerde. blijft hij toch voor anderen in zeer sterke mate eigen aard vertonen en is men niet verplicht met dit door hem zelf gegeven oordeel in te stemmen. En juist wat hem onderscheidt van La Saussaye brengt hem dichter bij Beets, tegen wie hij aanvankelijk zo sterk contrasteerde.
Op mij maakt het steeds een eigenaardige indruk wanneer men Gunning ethisch-irenisch noemt. Het eerste stuk van de samenstelling gaat, maar het tweede? Gunning irenisch? Wanneer men Gunning scholastisch-mystisch noemt, dan versta ik dat. Hij vereert het dogma en luistert tegelijk met z'n ziel naar het eeuwige lied dat daarin slaapt. Z'n oordeelvellingen over het ongeloof zijn van een middeleeuwse absoluutheid. Het filosofisch-literarische dat La Saussaye eigen is, is voor Gunning slechts een kleed dat hij telkens verscheurt en slechts schijnt te dragen om het te verscheuren. Gunning is meer een theologisch karakter dan een theologisch schrijver en hierin bestaat z'n verwantschap met Beets. Hij neemt daardoor een plaats in van zeldzame betekenis in de hier door ons bedoelde ligging van ons Nederlands christelijk leven. Ofschoon ook hij hoogstens 'prolegomena' gaf van de dogmatiek, oefende hij op de jongeren een buitengewoon sterke invloed en heeft hij in hoge mate, ofschoon z'n houding tegenover de christelijke traditie vrijmoedig was, door z'n eerbied voor die traditie haar voortleven onder ons volk gesterkt.
Gunning is een theologisch karakter. Beversluis3 heeft er treffend op gewezen in een brochure, dat Gunning z'n hoofdgedachten als in een kring rondom zich plaatst. Hij leidt ze niet af uit elkaar, maar draagt ze uit z'n schoot naar buiten. Evenals bij alle zielstheologie, bijv. bij Luther, zijn ook bij Gunning de hoofdbegrippen ident. Het zijn synoniemen. Inwendig dekken ze elkaar. Bavinck heeft daarin verwarring gezien. Het is ook verwarrend. Maar als verwijt kon het slechts gelden wanneer Gunning een theologisch schrijver ware, niet nu hij een theologisch karakter is. Een dogmatiek zou uit Gunnings geschriften moeilijk zijn op te bouwen. Wel zal er grote vormende kracht van blijven uitgaan te lezen hoe levend het geloofsbezit bij hem geweest is en hoe diep het in z'n geest is doorgedrongen en die geest heeft gevormd. Wanneer Gunning de waarheid uitdraagt, werkt ze naar pragmatische eis.
In verband met onze doorlopende gedachtengang verdient het zeker opmerking dat Gunning voor de anglicaan F.D. Maurice een zo diepe verering heeft gevoeld. Men leze er de voorrede waarmede Gunning een Hollandse vertaling van diens De zedelijke grondslag der maatschappij bij het publiek inleidde op na om te voelen dat men hier met verwante geesten te doen heeft. Ik kan mij nauwelijks voorstellen dat Gunning zich bijv. met Richard Rothe of César Malan,4 voor wie hij eveneens grote verering koesterde, zo eensgeestes zal hebben gevoeld als met Maurice. De naaste familieleden van de volbloed Nederlandse ethischen zijn in Engeland te vinden. Hier kan het minst sprake vallen van ontlening en overname. Verwijten daaromtrent kunnen hier in hun geheel afgewezen worden. Nederlandse theologie en geesteshouding dragen hier haar eigen aangezicht. En het aanwijzen van de familieverwantschap met de beste geesten van een naburig volk kan hier slechts dienen om eigen zelfbewustzijn te verhogen en te leren met meer zelfvertrouwen een plaats in het Nederlandse kerkelijke leven te vindiceren.
Tenslotte wijs ik nog wat Gunning betreft op z'n zgn. bekering tot het confessionalisme. Dat is inderdaad een merkwaardig verschijnsel geweest. Niemand denke hier aan seniele aftakeling. Een man als Gunning takelt niet af. Evenmin is hier een breuk met het verleden. Ik kan hier niet anders zien dan een verschijnsel dat wij in een vorig artikel bij Engelse theologen opmerkten: terugkeer tot de praktijk waarvan hij eigenlijk nooit afscheid had kunnen nemen. Gaarne werd hij nog eens dominee genoemd. De reorganisatieplannen van Gunning zijn ingegeven door een bisschoppelijke zorg voor de schare die de Wet niet weet. Er is hier een heerlijke stijging in de ethische lijn, waarbij de synthese met het meer dogmatische Nederlandse volksdeel in 't gezicht kan komen. Persoonlijk geloof, karakter, woord zijn Gunning te zwak voorgekomen. Hij wenst aan de kerk een karakter te geven, een kloppend hart over de noden des volks. Dat hart moet kloppen in de belijdenis van Jezus Christus. Dat hier geen breuk met het verleden bestaat, daarvan kan men zich overtuigen wanneer men de bovengenoemde voorrede voor 'Maurice' slechts vluchtig inziet. Toch is deze kant bij Gunning steeds meer op de voorgrond gekomen. Daarmede nadert Gunning tegelijk de echte Calvijn.
Een volgend artikel zal, hoop ik, gelegenheid geven een derde, nog levende representant van de richting aan te wijzen en tevens de getrokken parallel nog even door te trekken.
3
Naast Beets en Gunning zou het niet moeilijk vallen meerdere anderen te plaatsen, behorende tot de oudere generatie van het thans levend geslacht, die als meer of minder zuivere vertegenwoordigers zouden kunnen gelden van echt-Nederlandse gedachte en geesteshouding en die toch in de gewone zin niet gereformeerd genoemd zouden kunnen worden. Er zijn er onder die op de naam 'ethisch' niet gesteld zouden zijn en die toch tegenover anderer dogmatische ligging hun eigen meer 'pragmatische houding' niet zouden kunnen ontkennen. Onze gedachtengang heeft zich echter enigszins toegespitst op een vergelijking met Engelse theologie en daardoor wordt de keuze aanmerkelijk beperkt. Naast de Nederlandse eigenaardigheid moet de verwantschap met deze westelijke buren liefst wat duidelijk in 't oog springen. Bovendien zijn we met het trekken van onze parallel op een lastig punt aangekomen. Ik duidde dat reeds even aan aan 't slot van een vorig artikel toen ik ten opzichte van Gunning sprak van 'bisschoppelijke zorg'. Thans moet ik er rond voor uitkomen dat ik een bisschopsmuts achter mij houd en die iemand op het hoofd wens te zetten. Daarbij mag ik echter de redactie niet in last brengen. Het waagstuk lijkt mij echter niet zo groot bij de man die nog pas op de vriendelijkste wijze die men zich denken kan in de herinnering van een jonger geslacht zich aanbeval. Ieder weet nu dat ik ds. Schuller tot Peursum5 bedoel.
Het kan mijn bedoeling niet zijn hier de betekenis van deze emeritus-predikant aan te wijzen. Ik ben daartoe niet bevoegd. Wanneer ik hem hier naast Beets en Gunning plaats dan is het omdat hij mij voorkomt een der zuiverste vertegenwoordigers te zijn van de ons bezighoudende geesteshouding. Of is het niet merkwaardig dat nog onlangs naar aanleiding van de verschijning van Weggevlotenenjaren een correspondent van de NRC., die zeker niet gedacht heeft aan de theologische zaken die ons hier bezig houden, gesproken heeft van z'n Dickens-ogen en z'n Dickens-hart?
Evenmin als Beets en evenmin als Gunning zag men een man als ds. Schuller tot Peursum in z'n kracht op een classicale of andere kerkelijke vergadering. Voor die kracht was daar geen plaats en voor het woord geen klankbodem. Ik herinner mij nog zeer goed hoe hij tussen de andere sprekers een ogenblik opkwam op de kansel bij gelegenheid van de grote vergadering in Den Haag.5 Ik heb echter niet gemerkt dat dat woord bijzonder de aandacht heeft getrokken of indruk gemaakt. Toch was het een Oudhollands recept dat hij voorschreef, reeds bekend in Boerhaaves6 tijd. Dat in een gezond gestel tijd en geduld genezing moeten brengen. Zulke vergaderingen zijn echter van de 'via media' en 'via medica', de middenweg en de medische weg, zo weinig gediend dat dergelijke raadgevingen nauwelijks worden aangehoord. In onze kerk staan zulke geesten er heel anders voor dan in de Engelse kerk. Neen, om een man als ds. Schuller tot Peursum in z'n kracht te zien, moet men hem niet gadeslaan op een classicale vergadering waar men de schapen ... en de bokken moet hoeden, maar In de Zuiderkerk,5 waar hij met een echt bisschoppelijk hart de lammeren der kudde weidde. Deze toespraken met hun zorg voor christelijke karaktervorming zijn wel zeer karakteristiek voor het door ons besproken verschijnsel. Naast de Stichtelijke uren van Beets verdienen ze daarin, ofschoon in ander genre, een blijvende plaats. Tegenover de te dogmatische wijze waarop in ons land vooral tegenover jonge mensen gepreekt wordt, bevelen ze zich door hun pragmatische houding aan. De schrijver van deze preken heeft de naam ‘evangelisch-apostolisch', waarop hij reeds in z'n jeugd gaarne handslag gaf, door een langdurige werkzaamheid in de kerk eerlijk verdiend. In die naam komt echter tegelijk de traditie der kerk meer naar voren tegenover haar dogmatische fixering.
Wanneer wij de ethische richting bezien onder zijlicht van Engelse theologie dan kan dat ook hierom dienstig zijn dat in de Engelse kerk de evangelisch-apostolische richting geen richting in de kerk is, maar het kerkelijk leven in z'n geheel betitelt. De Engelse kerk is evangelisch-apostolisch. Dit is zozeer waar dat de strijd in die kerk een strijd is tussen de beide delen van de samenstelling. Tussen het 'evangelisch' en het 'apostolisch'. 'Evangelisch' moet men dan nemen in de zin van bijbels. En het 'apostolisch' moet men niet in een te beperkte zin verstaan, maar men moet eronder begrijpen de gehele apostolische traditie van de eerste eeuwen. Beurtelings zoekt men daar zich terug te trekken op het Schriftbewijs der kerken op het vaste land, of zich te laten gaan naar de traditie ook der latere eeuwen in de roomse kerk. Daartussen loopt dan de meest begane middenweg. Dit geeft ook aan het Engelse kerkelijke leven die eigenaardige schommelbeweging die aan het Engelse leven in z'n geheel eigen is en die als een kenmerk kan worden aangezien van geestelijk evenwicht onder verschuivende verhoudingen. Ik kan niet anders zien of deze houding verdient de voorkeur boven het verschaffen van allerlei goedkope vaste grondslagen waarop het geestelijk evenwicht zo weinig geoefend wordt dat de geringste verschuiving dadelijk gevaar oplevert. Het bewuste 'hellend vlak' van dr. Kuyper is de normale bodem van onze theologie. Dat het gevaar oplevert is juist gezien. Maar slechts voor degene die er zich niet op heeft leren bewegen.
Nu spreekt het wel vanzelf dat het een groot verschil maakt of, zoals in de Engelse kerk, een geestesrichting zich kan uitleven en eigen aard ongehinderd kan ontwikkelen, of, zoals ten onzent, als een bijzondere richting in de kerk moet optreden. De ethische richting heeft zich moeten ontwikkelen onder hoge dogmatische druk. Haar eigenaardigheden zijn voor een groot deel daaraan toe te schrijven. Daardoor kwam het dat van meet af aan haar de pretentie werd gesteld om een nieuwe dogmatiek te leveren. In ons sterk dogmatiserend land kan men zich niet anders voorstellen, of wie enige afwijking vertoont, moet de bedoeling hebben oude waarheden door nieuwe te vervangen. De gedachte dat er slechts sprake zou kunnen zijn van een gewijzigde houding tegenover de dogmatiek in haar geheel komt zelfs niet op. Steeds meer zoekt men naar de ketterijen die deze onbegrijpelijke ‘ethischen' te hunnen laste zouden moeten nemen. In vroeger jaren vond men die meestal in de genadeleer, waarin dan bij de ethischen arminiaanse smetten werden ontdekt. Later hoorde men meer spreken van de verzoeningsleer en de christologie. En in deze trant wordt, althans in de gemeenten, de zaak nog steeds op dezelfde voet voortgezet.
Dat hiertoe door de ethischen zelf nooit enige aanleiding is gegeven, zou ik niet gaarne willen staande houden. Waarschijnlijk hebben zij al te dikwijls aan de uitnodiging om hun afwijkende houding met de een of andere kleine ketterij te dekken voldaan. In een zwaar geladen dogmatische sfeer kan dat soms een welkome ontspanning brengen en een psychologische behoefte zijn. Ook zullen vele ethischen onder de invloed van ons dogmatisch kerkelijk leven het zich niet anders hebben leren denken of wat hen onderscheidde moest een dogmatische afwijking zijn. Dit alles komt mij voor buitengewoon belemmerend te zijn geweest voor de ontwikkeling van ons kerkelijk leven en voor de invloed der ethische richting. Dogmatisch zijn, wanneer men zich op enige hoogte boven de kerkelijke strijd weet te plaatsen, de verschillen van geringe betekenis. In de Heidelbergse catechismus ligt. wanneer men een paar scholastieke inlassingen uitzondert, vrijwel een consensus. Over de psychologie des geloofs zal ook de ethische richting voorlopig zich wel niet vermeten veel nieuws te zeggen. En dat is toch in dit dogmatisch-pragmatisch leerboekje de hoofdlijn, waarin al het andere opgaat, gelijk ze het ook is in de Institutie van Calvijn.
Wenst men bij de ethischen een ketterij te vinden dan is het veel royaler en vruchtbaarder dat zij die zelf aanbieden. En ze hebben er een aan te wijzen van kapitale grootte. Zij hebben er geen belang bij om daarmede enigszins geheimzinnig te doen. maar integendeel alle belang om dit punt zo duidelijk mogelijk op de voorgrond te plaatsen. Ik bedoel de Schriftbeschouwing. Er is hier geen ruimte om daarop thans in bijzonderheden in te gaan. Dit moet er echter van gezegd worden dat het hier voor de ethischen niet om een dogmatische afwijking gaat. Zij wraken het gehele zgn. dogma. Dat wonderlijke dogma, dat in de laatste tijd in ons land steeds scherper formulering verkreeg, nl. de 'Schriftwording van het Woord'. Wij weigeren te geloven dat de inwerking van Christus in deze wereld tenslotte in letters is vastgelopen. Daarmede leidt men de christelijke traditie op het dode spoor. Steeds duidelijker behoren de ethischen zich bewust te worden dat ze hier reformatorisch werk hebben te doen. Voor hen rust de Schrift in de traditie. Zij bedden haar in de traditie in. Wij wraken het wettisch Schriftbewijs van het confessionalisme. Moeten wij de christelijke overlevering, waarin wij zelf staan, beschouwen als een los aanhangsel aan de Schrift dan weten we voor de Schrift ook geen aansluiting aan het heden en de toekomst te vinden. Heel anders wordt het wanneer de Schrift als een levend, vloeibaar bestanddeel in de christelijke traditie wordt opgenomen. Trouwens, zo is ze het ook in de werkelijkheid. Paulus, de kerkvaders, de reformatoren hebben de Schrift in hun woorden en werken als ijzer in het bloed.
Daarom wraken wij een voorstelling die om zeer nuchtere redenen pas kon opkomen na de uitvinding van de boekdrukkunst. Voor die tijd kende de christenheid de Schrift nauwelijks anders dan als bestanddeel van de traditie. Wij erkennen de zegen die in verband met de Reformatie uit de gewijzigde verhoudingen voortsproot, maar wij weigeren een voorstelling, die in de preciese vorm waarin ze thans wordt voorgedragen afhankelijk is van een zo toevallige gebeurtenis als het vallen van een letterhout in het zand onder de eeuwige waarheden der kerk op te nemen. Voor als na behoudt de Schrift haar plaats in de christelijke overlevering. Deze gedachte die meer verwantschap vertoont met Engelse theologie dan met de gewone gereformeerde dogmatieken, is m.i. door de ethische richting nog steeds te weinig duidelijk uitgewerkt en op de voorgrond gesteld. Men kwam veelal onder de druk van heersende voorstellingen boven halfheden niet uit. Ze werd door de bovenomschreven pragmatische houding meer verraden dan dat ze opzettelijk en met opgeheven hand zou zijn geleerd. Toch is het. meen ik, voor de richting van levensbelang dat dit geschiedt.
4
In de vorige artikelen heb ik getracht voor de ethische richting de plaats aan te wijzen in wat men zou kunnen noemen, de natuurlijke historie der christelijke gedachtenwereld. Daarbij kwamen enkele trekken die aan de richting eigen zijn bijzonder naar voren, trekken die wij in de Engelse kerk terugvonden. Wij merkten daarbij op dat in ons land de ontwikkeling van dit christelijk levens- en leertype onder hoge dogmatische druk moest plaats hebben, wat daarop een onmiskenbare invloed heeft uitgeoefend.
Men kan de ethische richting ook uit een ander oogpunt bezien. Ze is ook een cultuurhistorisch verschijnsel. Met dit wat zwaarwichtige woord bedoel ik te zeggen dat de geleidelijke ontwikkeling van het algemene bewustzijn der mensheid onwillekeurig het christelijk geloofsbewustzijn in moeilijkheden brengt. Men moet die moeilijkheden niet overschatten, maar mag ze evenmin onderschatten. Hoe vaster men zich dogmatisch heeft ingesponnen hoe groter en hoe gevaarlijker die moeilijkheid zal blijken. Ons land geniet de reputatie een theologische school te bezitten die een zo radicale kritiek op de christelijke overlevering heeft uitgeoefend als bijna nergens elders geschiedde.7
Nu valt het gemakkelijk in te zien dat een pragmatische houding bij het overwinnen van bovengenoemde moeilijkheden bepaalde voordelen biedt. Het is dan ook niet toevallig dat degenen die geestelijk in deze houding stonden in 't algemeen minder bezwaren hadden op de hier bedoelde kwesties in te gaan. Zij voelden zich daartoe beter in staat. Voor hun geestelijk leven bracht het minder gevaren mee. Toch mag men de ethische richting als soort in de natuurlijke historie der christelijke leertypen en als cultuurhistorisch verschijnsel niet eenvoudigweg identificeren. Het verband dat er tussen beide bestaat is zeker niet toevallig, maar draagt evenmin het karakter van noodzakelijkheid. Het ware zeer goed denkbaar dat de Nederlandse ethischen, evenals Beets, zich hadden vergenoegd met tegenover de kritiek op de christelijke traditie een vaste en toch niet geheel afwijzende houding aan te nemen. Zij zouden dan in veel mindere mate dan bijv. met prof. Valeton8 het geval was het odium der conservatieven op zich geladen hebben.
Omgekeerd kan men het niet toevallig noemen, maar mag het evenmin noodzakelijk heten, dat een zo dogmatische geest als dr. Kuyper zulk een conservatieve houding heeft aangenomen tegenover de kritiek op de christelijke overlevering. Deze feiten, die men kan betreuren of waarover men zich kan verblijden naar gelang van eigen inzicht, behoren tot de geschiedenis met haar raadselen en goddelijke leidingen. Op deze dingen ga ik hier verder niet in. Het was er mij alleen om te doen te constateren dat de ethische richting als cultuurhistorisch verschijnsel een geheel andere beschouwing vraagt dan wanneer wij in haar een pragmatische houding van de christelijke geest waarderen. De kring dergenen die men ertoe rekent zal in de beide gevallen verschillend getrokken moeten worden. De representanten die men opstelt om te karakteriseren zullen in 't ene geval tot geheel andere keuze leiden dan in 't andere. Voor onze karakteristiek begonnen we met Beets. Voor de andere zou men La Saussaye Sr. voorop moeten plaatsen.
De gelegenheid die dit slotartikel mij geeft, wil ik verder nog gebruiken om een enkel misverstand zo mogelijk te voorkomen en om te trachten de medaille nog iets scherper te slaan. In 't bijzonder nog iets over het karakter waarvan in deze artikelen herhaaldelijk sprake was. En dan haast ik mij te verzekeren dat ik er in dit verband niet aan denk aan de ethischen voor karakter in de gewone betekenis een zeker monopolie toe te kennen. Wel liggen in onze kerkelijke strijd met het oog hierop voetangels en klemmen. Maar dat zijn dingen die op zichzelf staan. Ze liggen buiten de gedachtengang die wij hier volgen.
Het karakter, zoals het in deze opstellen voorkomt, is een religieus, een godsdienstig orgaan. Het wil zijn een middenpunt van godsdienstig leven en denken. Op dezelfde wijze als bijv. in de theologie van Vinet9 het geweten het middenpunt, het centrale orgaan is van het godsdienstig leven. Een verklaring van dat godsdienstig leven wil ik daarmede niet geven. Het woord heeft hier slechts symbolische betekenis. Het wijst een bestaanswijze van dat leven aan. Een bepaald type. Hier ligt voor de ethische theologie een gevaarlijke klip die ze misschien niet altijd omzeild heeft. Het kan zo gemakkelijk gebeuren dat, wat zuiver bijbels, zuiver godsdienstig bedoeld en opgezet is naar de filosofische kant verschuift. Er is misschien geen begrip en geen woord in onze godsdienstige taal waarmede dit zo licht geschiedt als met 'het karakter'. Het karakter als wijsgerig begrip vindt z'n vertegenwoordigers in de schitterende deugden van Griekse en Romeinse helden en wijzen. Augustinus heeft met z'n felle christelijke kritiek daarop het stempel van 'blinkende zonden’ gezet. Het karakter in z'n bijbelse betekenis en naar z'n godsdienstige inhoud is de volhardende toewijding van een Gode overgegeven geest. Hierin is niets hoogs en niets blinkends, maar louter geringheid en verborgenheid. Zelfs op de volharding moet hier niet de nadruk vallen, maar op de overgave en de ontvankelijkheid. Hier ligt nu de proefsteen voor ethische theologie, die niet vaak genoeg kan worden aangelegd. Daarmee zullen de gebreken van haar hoedanigheden telkens ontdekt worden. Kuyper verweet in Het werk van den Heiligen Geest aan de ethischen een zekere hoogheid en een gaan in een geestelijk kleed van eigen weefsel. En deze beschuldiging is meermalen herhaald. Zal ze in haar geheel afgewezen mogen worden?
Ik ben niet begonnen deze artikelen te schrijven om de ethische richting te verheerlijken. Haar fouten en gebreken, waar die zich vertonen, mogen gerust worden aangewezen. Ik wens alleen het recht van de richting te bepleiten en haar karakter aanschouwelijk te maken. Haar fouten zullen in verband met de pragmatische houding van haar aanhangers minder op het terrein van het intellect als wel van de wil liggen. Telkens wanneer het religieus karakter verglijdt naar het filosofisch karakter zullen die fouten zich vertonen. Met mannen als Maurice en Gunning zal men intussen niet verlegen behoeven te zijn. Zij vertonen een type van christelijk leven waarvoor men geen verontschuldiging behoeft aan te bieden. Zij zijn geschikt om tot jaloersheid te verwekken.
Wanneer ik over deze dingen schrijf, denk ik aan een woord dat, naar ik meen, Kohlbrügge eens omtrent Beets heeft gebezigd: 'Beets is geen christelijk schrijver.' Dit is de felste aanklacht die werd ingebracht. Dit woord van Kohlbrügge riekt naar het boven aangehaalde woord van Augustinus over de 'blinkende zonden'. Kohlbrügge heeft zeer zeker bij Beets menen te ontdekken een inruiling van de christelijke levenshouding voor - laten we zeggen - een andere, meer humanistische. Tegenover zulke zware beschuldigingen moet de ethische richting er steeds klaarder van bewust worden dat haar levenshouding misschien een andere is dan die van velen, maar van geen minder religieus gehalte. Zij heeft in dit opzicht haar naam tegen die haar te kwader ure werd opgedrongen. Juist waar ze karaktertheologie is en theologische karakters wil kweken kan ze nooit streng genoeg op haar hoede zijn tegen het filosofisch karakter.
Wanneer we overigens Beets op zo heftige wijze horen beschuldigen, behoeven we ons niet te ongerust te maken. Zelfs al waren er humanistische bestanddelen in Beets te ontdekken. Ook bij Calvijn meent men ze te kunnen aanwijzen als stoïcijnse moraal en waarschijnlijk met meer recht dan bij Beets. Wie zou echter daarom de religieuze Calvijn in ernstige mate verdonkerd achten?
Een aardige trek geeft in dit opzicht ds. Schuller tot Peursum te zien. Wanneer hij eens na een preek door Brill gecomplimenteerd wordt over de 'bon sens', die erin was, dan vertrouwt hij die lofspraak toch niet geheel.10 Dat toont een gewaarschuwd man.
Hiermede meen ik voldoende de nadruk gelegd te hebben op de religieuze aard van het karakter als centraal orgaan van de ethische theologie om gevrijwaard te zijn tegen het op de voorgrond brengen van de triviale tegenstelling van leven en leer. Zolang die tegenstelling rondspookt, zal er wel nooit klaarheid komen ten opzichte van de richting. Naast de meer in Duitsland thuisbehorende gevoelstheologie die in 't bijzonder de naam van religieus te zijn voor zich heeft opgeëist, staat de theologie van het zelfbewustzijn en daarnaast een derde type, de theologie van het karakter. - De beide laatste zijn even religieus als de eerste.
Dwars door de echte ethische karaktertheologie kregen we in ons land een inslag van de theologie van het zelfbewustzijn, 'de la conscience', vooral door La Saussaye Sr. en bovendien soms nog in sterke mate van het Duitse type. Daardoor werd het ethische probleem van bijna hopeloze gecompliceerdheid.
Mijn bedoeling was om de echt-Nederlandse draad, die met Engelse theologie een apart type vertegenwoordigt, uit de kluwen te trekken. Naast het gewone religieuze principe, het gevoelsbeginsel, en naast het beginsel dat men, vrij ongelukkig, in onze taal als geweten gedoopt heeft, waag ik het hier een derde principe op te stellen: het karakter als beginsel van godskennis. Daarmede valt de tegenstelling tussen leer en leven.
Ik geloof dat het de pragmatische houding die wij opmerkten verklaart. Als beginsel van godskennis werkt het langzamer maar zekerder. Het geeft een scherper, meer gemerkt, in één woord karaktervoller beeld van God dan het gewone onderscheidsloze religieuze orgaan. Het brengt, geloof ik, de overwinning van Jezus' Evangelie op de heidense mystiek. Beets is een christelijker schrijver dan Kohlbrügge.
'naar ik meen'11
Reactie van dr. Locher
In de Nederlandsche Kerkbode van 1 maart komt een stuk voor over Pragmatische houding van ds. O. Noordmans te Suameer. In dat stuk komen de volgende regels voor:
"Wanneer ik over deze dingen schrijf, denk ik aan een woord dat, naar ik meen, Kohlbrügge eens omtrent Beets heeft gebezigd: 'Beets is geen christelijk schrijver.' Dit is de felste aanklacht die werd ingebracht. Dit woord van Kohlbrügge riekt naar het boven aangehaalde woord van Augustinus over de 'blinkende zonden'. Kohlbrügge heeft zeer zeker bij Beets menen te ontdekken een inruiling van de christelijke levenshouding voor - laten we zeggen - een andere, meer humanistische. Tegenover zulke zware beschuldigingen moet de ethische richting er steeds klaarder van bewust worden dat haar levenshouding misschien een andere is dan die van velen, maar van geen minder religieus gehalte. Zij heeft in dit opzicht haar naam tegen die haar te kwader ure werd opgedrongen. Juist waar ze karaktertheologie is en theologische karakters wil kweken kan ze nooit streng genoeg op haar hoede zijn tegen het filosofisch karakter. Wanneer we overigens Beets op zo heftige wijze horen beschuldigen, behoeven we ons niet te ongerust te maken. Zelfs al waren er humanistische bestanddelen in Beets te ontdekken. Ook bij Calvijn meent men ze te kunnen aanwijzen als stoïcijnse moraal en waarschijnlijk met meer recht dan bij Beets. Wie zou echter daarom de religieuze Calvijn in ernstige mate verdonkerd achten?"
Na nog enkele alinea's in dezelfde trant komt nu ds. Noordmans op eens op Kohlbrügge terug en verzekert ons in een door hem gespatieerde slotzin: 'Beets is een christelijker schrijver dan Kohlbrügge.'
Waar we hier tegen op moeten komen is dit, dat op grond van een 'naar ik meen', van een gezegde dat men niet zeker weet en nog veel minder in zijn verband kan beoordelen, schrijvers worden geclassificeerd in meer of minder christelijke. Zijn dat 'persmanieren'? Laat men toch, als men de mensen wil beoordelen en mee wil doen in het rangschikken van cijfers, vooral wat hun christelijk gehalte aangaat, eerst eens nauwkeuriger onderzoek doen en niet komen met zulk een: 'naar ik meen’!
Kohlbrügge en Beets12
In het Kerkblaadje van 31 maart, dat mij een paar weken na die datum door de redactie werd toegezonden, komt dr. Locher terug op wat ik in de Nederlandsche Kerkbode van 1 maart schreef over Kohlbrügge en Beets. Daarbij gaat het over de volgende regels die in mijn artikel voorkwamen: "Wanneer ik over deze dingen schrijf, denk ik aan een woord dat, naar ik meen, Kohlbrügge eens omtrent Beets heeft gebezigd: 'Beets is geen christelijk schrijver' "; en over de slotzin van dat artikel, die met de aangehaalde woorden verband hield: 'Beets is een christelijker schrijver dan Kohlbrügge.'
Dr. Locher schrijft: "Waar we hier tegen op moeten komen is dit, dat op grond van een 'naar ik meen', van een gezegde dat men niet zeker weet en nog veel minder in zijn verband kan beoordelen, schrijvers worden geclassificeerd in meer of minder christelijke. Zijn dat 'persmanieren'? Laat men toch, als men de mensen wil beoordelen en mee wil doen in het rangschikken van cijfers, vooral wat hun christelijk gehalte aangaat, eerst eens nauwkeuriger onderzoek doen en niet komen met zulk een 'naar ik meen'!".
De door ons met de gewraakte reserve medegedeelde woorden waren ons bijgebleven uit mondelinge mededeling. Gaarne erken ik dat voorzichtigheid geboden had ze niet neer te schrijven. Dit zou intussen minder gemakkelijk gebeurd zijn wanneer Kohlbrügges oordeel over Beets, voor zover het uit geschriften blijkt, in geheel andere richting wees. Hierover moge de lezer oordelen uit het onderstaande. De kwestie krijgt daardoor tevens een algemener interesse.
De verhouding tussen Kohlbrügge en Beets valt het best te demonstreren aan helder omgang met Willem de Clercq. Van Kohlbrügges kant gaat het hier om het behoud van een ziel. Hij zoekt Beets' invloed op De Clercq af te breken op de wijze van een biechtvader die schadelijke indrukken poogt te voorkomen bij de hem toevertrouwde ziel.
Het door A. Pierson uitgegeven Dagboek geeft van die zielszorg een treffende schildering. Bij Van Lonkhuyzen13 kan men nalezen hoe Kohlbrügge De Clercqs medewerken aan de Christelijke Stemmen14 beschouwt als een 'verenigen van Christus en Belial'. Een der redenen waarom dit tijdschrift niet deugde, was een 'recensie van Beets, die men als christelijk dichter had willen doen voorkomen'.' In hetzelfde jaar heeft De Clercq z'n medewerking aan de Stemmen gestaakt.
Vier jaren later schrijft Kohlbrügge aan een vriend het volgende: "Gij hebt consequent en wel gehandeld met op dat dorp15 niet ter kerk te gaan. Vraag daar niet, wat leert iemand, maar, waar is hij en wat doet hij. Verbeeld u eens Jesaias, Jeremias, een der profeten of apostelen als lid van letterkundige genootschappen? Is dat geen hors d'oeuvre? In natuurlijke zaken wist men wel, dat of Don Jan van Oostenrijk nog zo naar het hart der Nederlanders scheen te spreken, het toch maar schijn was, daar hij niet van de prins van Oranje, maar van zijn broer Filips kwam, om nu met schoonschijnende woorden alles ingenomen te hebben, alles weder te brengen onder het juk, waar hij zich zelve onder boog ...
Het smart mij voor de Cl(ercq) en zijn vrouw, dat zij uit de boeken der Koningen en Kronieken en uit de profeten nog niet wijs zijn geworden om te zien, hoe men de afgoderij met graagte kan nalopen en denken: wij dienen de Here en horen zijn woord. Als zij nu eergisteren in de courant gelezen hebben: de predikant B ... is benoemd tot lid van dat of dat genootschap van letteren, zien zij dan niet, hoe de wereld het hare lief heeft."
Nu wil ik uit bovenstaande oordeelvellingen van Kohlbrügge niet meer uithalen dan erin zit. Men bedenke dat Kohlbrügges afkeuring van de Stemmen in 1839 valt, toen Beets wel reeds doctor in de theologie en gevierd dichter, maar nog geen predikant was.
Anders staat het met het citaat uit de aangehaalde brief van 1843. Het is het jaar, waarin Beets z'n Kruiswoorden schreef. Op de kerkelijke schaal gewogen was hij in deze tijd het 'zwaarst'. Toch mag men ook hier niet vergeten dat het krasse oordeel in een brief gegeven werd en dat de klassieke Beets der Stichtelijke uren nog komen moet.
Intussen mag wel gezegd worden dat dit alles riekt naar een woord van Augustinus over blinkende zonden. En dat Kohlbrügge bij Beets een inruiling van christelijke levenshouding voor een meer humanistische heeft menen te ontdekken. En meer hebben we ook uit het gewraakte agraphoni niet gehaald.
Wanneer nu echter dr. Locher ons verwijt dat we op grond van dit agraphon cijfers gaan geven voor meer of minder christelijk gehalte, dan moet ik dat beslist tegen spreken. Ik heb er geen ogenblik aan gedacht van Kohlbrügges christelijk gehalte iets af te trekken om de krasse uitdrukkingen, waarvan hij zich soms bediende. Dat is een kwestie van temperament en van andere dieper liggende ' geestelijke factoren. Wanneer ik dan ook aan het slot van het bewuste artikel in een gecursiveerde zinsnede Beets een christelijker schrijver noemde dan Kohlbrügge. dan deed ik dat niet omdat ik behoefte had iets van Kohlbrügge te zeggen, wijl deze iets van Beets gezegd had. Dit ware de kleingeestigheid zelve.
In ons artikel ging het echter over het recht der ethische richting. In onze kerkelijke wereld geldt gewoonlijk: hoe meer naar rechts, hoe hoger cijfer. Tegenover de beschuldiging van heidense moraal: humanisme, herinnerde ik eraan dat er niet alleen heidense moraal, maar ook heidense mystiek bestaat. De schepping, ook in de wedergeboorte, mag niet uitgewist worden.
Waar nu juist dr. Kohlbrügge het christelijk gehalte van z'n prediking zo absoluut als in alle delen volkomene boven alle cijfers uit, placht voor te stellen, moet dr. Locher het ons ten goede houden wanneer wij, van onze kant, hem in de rangorde der cijfers terug brengen en hem in verband met onze zienswijze daarin plaatsen beneden Beets. Wij namen Kohlbrügge daarbij niet persoonlijk, maar als uiterste representant van de rechtse orthodoxie, wat bij de tegenstelling van mystiek en ethiek geoorloofd is. Dr. Locher zal daarmee inhoud, plaats en cursivering van onze slotzin zeker kunnen billijken.
Tenslotte nog deze opmerking. Het komt mij voor dat de invloed van sommige belangrijke figuren uit onze jongste kerkgeschiedenis groter zou zijn, wanneer ze niet door een zekere 'Krethi en Plethi' omringd waren waardoor het moeilijk en in sommige gevallen gevaarlijk wordt hen te naderen. Laten de doden ons gemeenschappelijk toebehoren. In mijn boekenkast staan de preken van Kohlbrügge naast die van Beets.