R. De schrapping1
1
Tegenover het bekende voorstel van de synode om 'geest en hoofdzaak' te schrappen uit art. 39 van het Reglement op het godsdienstonderwijs is van verschillende zijden op zeer duidelijke wijze positie genomen. Toch kan niet gezegd worden dat ieder nu weet wat er gebeurt als de woorden geschrapt worden. Dat ligt echter niet in de wijze waarop men van verschillende zijden z'n positie heeft toegelicht, maar in het grote onderscheid tussen de posities die men innam. De een vat de schrapping heel anders op dan de ander.
Er zijn er, die de schrapping als een kerkelijke politiemaatregel beschouwen. Zo doet mr. Schokking in De Gereformeerde Kerk.a Blijkens herhaalde verzekering stelt hij er prijs op dat niemand hem in dezen misversta. Alleen omdat er ernstig misbruik gemaakt werd van de ruimte die de bekende clausule geeft en omdat er geen andere weg schijnt te zijn om dit misbruik te keren. Tenslotte de wijdver-breide ergernis over dit misbruik. Mr. Schokking houdt zich derhalve zo dicht mogelijk aan de lijn door de confessionelen tot nog toe gevolgd. Hij wenst deze reglementswijziging te beschouwen als te staan op dezelfde lijn met andere reglementswijzigingen, waarmee de classicale vergaderingen zich hebben bezig te houden en die dienen om de goede orde in de kerk te bewaren of misbruiken tegen te gaan.
Anders staat dr. Kromsigt.2 Hij erkent om tactische redenen met het pousseren van bekende voorstellen der laatste jaren te zijn overgegaan op de lijn van de Gereformeerde Bond. Waar de synode onwillig bleef de voorstellen tot reorganisatie der kerk aan te nemen, organiseerde dr. Kromsigt de orthodoxie.
De gemobiliseerde orthodoxie wierp twee lansen naar de synode waarvan er een in het synodale lichaam bleef zitten. De lezer verschone dit plastische beeld. Het is mij niet te doen om te railleren. Dr. Kromsigt echter betrekt zeer sterk de goddelijke voorzienigheid bij de gang der kerkelijke gebeurtenissen. Ofschoon dit in ernstige levensverhoudingen z'n recht heeft, mag toch wel terdege daartegenover gewezen worden op de politiek, het overleg, dat achter deze kerkelijke actie zit. Het is niet vanzelf zover gekomen. Met name wijs ik in dit verband op het gebruik, voor mijn P-evoel het misbruik, dat van de Haagse vergadering is gemaakt. Een vergadering die, ook in de gedachtenlijn der reorganisatiemannen, onder goddelijke leiding in het teken van overleg moest staan, is achteraf gebruikt als agitatiemiddel voor een georganiseerde orthodoxie. Ik blijf dit een lelijke trek in deze actie vinden. Wij bevinden ons hier bij dr. Kromsigt derhalve in geheel andere gedachtenlijn dan bij mr. Schokking. Wat voor de laatste een simpele reglementswijziging is, door kwaadwillige noodzakelijkheid gemaakt, is voor de eerste een belangrijk stuk kerkelijke historie waarin de goddelijke voorzienigheid uitkomt.
Weer geheel anders staat dr. Slotemaker de Bruine. Voor hem is de schrapping een getuigenis dat de kerk gaat afleggen. Hij beschouwt het als een gunstige samenloop van omstandigheden dat de kerk in de gelegenheid is op deze wijze een getuigenis te doen horen. Voor dr. Slotemaker de Bruine is het dus absoluut geen gewone reglementswijziging, maar hij meent dat een votum in dezen over het karakter van onze kerk zal beslissen. Hij aanvaardt met beide handen de casuspositie door de vrijzinnigen gesteld. Willen de vrijzinnigen de mogelijke verwerping van dit voorstel-tot-schrapping bij voorbaat verklaren als een wijziging in het karakter van onze kerk tot leervrijheid, - dr. Slotemaker de Bruine wil de aanneming bij voorbaat beschouwd hebben als een praktische veroordeling van het modernisme. Bij aanneming zou voor hem de kerk haar praktijk grondig wijzigen.
Ik wil mij thans bepalen tot deze drie standpunten. Dat van mr. Schokking zouden we het reglementaire, dat van dr. Kromsigt het kerkhistorische, dat van dr. Slotemaker de Bruine het kerkrechtelijke kunnen noemen. Het kan ons niet verwonderen dat tegenover de beweging die er in de beide laatste zit men op het eerste standpunt moeite heeft z'n positie zuiver te houden en te doen eerbiedigen.
Wanneer het mogelijk ware deze reglementaire opvatting van de schrapping geheel los te wikkelen van de beide andere, zou ik er bijna mee kunnen meegaan. Wanneer de tolerantie van het modernisme aanleiding geeft tot uitspattingen van leervrijheid die opspraak verwekken en ergernissen brengen waardoor de gewetens worden gekwetst en de eenheid der kerk bedreigd, zou het overweging kunnen verdienen te vragen in hoeverre het noodzakelijk is de teugels aan te halen. De schrapping ware dan een noodmaatregel, contre-coeurb genomen.
Ik meen echter dat dit in de gegeven omstandigheden totaal onmogelijk is. Wie zich op dit standpunt wenst te handhaven, moet wel een weinig opzettelijk een vreemdeling in Jeruzalem worden en z'n ogen sluiten voor wat onder z'n ogen gebeurt. Een enkele overweging volstaat om dit duidelijk te maken. Het voorstel tot schrapping is een tweeling-voorstel, niet voor zover het van de synode kwam. maar voor zover het uit de lucht kwam, of liever van de georganiseerde en gemobiliseerde orthodoxie. Het andere is het bekende tot verscherping van de proponentsformule. Bestond ook hier zulk een misbruik?
Het misbruik, zo het hier bestond, is er een van geheel andere aard. Het is zedelijk, waar het andere liturgisch is. Voor beide wenst men een zelfde oplossing. De voorstellen zijn tweeling-voorstellen. En hier komt achter het reglementaire het kerkhistorische en kerkrechtelijke te voorschijn dat er in deze kwestie onafscheidelijk aan verbonden ligt.
Daarover in een volgend artikel nog iets meer.
2. Is er een kerkhistorische crisis?
In een vorig artikel wees ik op drieërlei standpunt, dat tegenover de geest-en-hoofdzaak-kwestie wordt ingenomen. Ik noemde ze: het reglementaire, het kerkhistorische, het kerkrechtelijke. Ik wees op de moeilijkheid om de schrapping van de bekende woorden enkel als een kerkelijke politiemaatregel te beschouwen. Immers in het tweeling-voorstel, de verscherping van de proponentsformule, kan op een dergelijke gebleken noodzakelijkheid geen beroep gedaan worden. Een misbruik, in de zin van het misbruik van geest en hoofdzaak, bestond daar niet. En toch was er, voor zover deze voorstellen door een groot deel der orthodoxie naar voren werden gebracht, eigenlijk nog meer animo voor het verscherpen van de proponentsformule dan voor de schrapping van 'geest en hoofdzaak'. Dit wijst er op dat we hier niet in de eerste plaats te doen hebben met een offensief, maar met een offensief. Niet om afweer, maar om aanval was het de orthodoxe meerderheid te doen.
Voor mij is de vraag of we aan die aanval mogen meedoen. Zo zie ik de kwestie van 'geest en hoofdzaak'. Want deze kwestie uit te schakelen uit het verband met de actie van de gemobiliseerde orthodoxie lijkt mij ongeoorloofde beperking van de betekenis van deze zaak. Mogen we aan die aanval op het modernisme meedoen?
Dr. Kromsigt ziet hier een kerkhistorische lijn. Hij stippelt goddelijke leiding uit. Op de Haagse vergadering werd de orthodoxie één. Daar werd de nieuwe proponentsformtile in de mond der rechtse sprekers geboren. De synode stelde ons voor de geest-en-hoofdzaak-kwestie. Zo ziet dr. Kromsigt de situatie. Hij vindt aanwijzing om tot de aanval op het modernisme over te gaan. Wilden we lastig zijn, dan zouden we dr. Kromsigt kunnen vragen, hoe in dit verband te denken over het lot dat in Drente viel, waarbij misschien ten opzichte van de beslissing der synode de schaal naar de andere zijde doorsloeg.3 Er is een bekende tekst, die, wilden we aan verkeerd bijbelgebruik meedoen, voor het grijpen zou liggen.
Ernstiger is de vraag of de bestaande crisis werkelijk een kerkelijke crisis is in kerkhistorische zin. Is dit werkelijk het geval, dan hebben wij de plaats in te nemen die ons beginsel ons wijst. Ik voor mij geloof niet in het bestaan van een crisis in die zin. En er zijn aanwijzingen om te geloven dat het gros der confessionelen er evenzo over denkt. De toon die de jaarvergadering der confessionelen liet horen, was aanmerkelijk kalmer dan de beide laatste jaren.4 Er viel een zekere reactie op te merken.
Het is eigenaardig op te merken dat, terwijl bij iemand als dr. Slotemaker de Bruine de ijver voor de schrapping van 'geest en hoofdzaak' toeneemt naarmate hij gelooft dat die maatregel effect sorteert, die der confessionelen bekoelt nu de spanning, die in de kerk ontstond, aanmerkelijk werd. Dr. Troelstra4 sprak zeer gematigd over de kwestie en ds. H. Bakker waarschuwde in De Gereformeerde Kerk dat men de reorganisatie weer op de voorgrond moest plaatsen voor het te laat was en opdat de spanning in de kerk niet te groot zou worden.5 Ook wat dr. H. Schokking schreef, geeft een heel ander geluid dan wat we in de laatste tijd gewoon waren te horen.6
Alles maakt de indruk alsof velen die tot deze groep behoren niet te zeer zullen treuren over het lot dat in Drente viel, waardoor men losgewikkeld wordt uit een gevaarlijk avontuur. Is deze indrukjuist, dan mag hier ook van deze zijde niet gesproken worden van een kerkhistorische crisis en mag men hier niet spelen met de goddelijke voorzienigheid, maar ware het beter, zo men toegaf, dat we hier te doen hebben met een partijmanoeuvre, met een tactisch optreden. In een kerkhistorische crisis stijgt de geestdrift en wordt de beslistheid vaster, naarmate de ontknoping nabij komt. Is het echter een zaak van partijpolitiek, in verband met een zekere coalitie zonder 'vast akkoord', dan is het begrijpelijk dat men zich gaat terugtrekken wanneer de wederhelft in de coalitie minder betrouwbaar blijkt dan men dacht.
Bij dit laatste denk ik aan het Utrechtse adres7 en de ongerustheid, die het onder de confessionelen heeft gewekt in verband met de onzekerheid aanoaande de houding die de Gereformeerde Bond daartegenover aanneemt. Wat dit Utrechtse adres betekent, weet niemand. Maar al heeft het slechts uitgewerkt dat het de confessionelen een waarschuwing heeft gegeven waarheen hun drijven leidt, dan is het niet geheel tevergeefs geweest. Misschien is dit ook wel de betekenis van de ondertekening van een enkele ondertekenaar.
Vroeger is in dit blad wel eens gewezen op de wenselijkheid van een toenadering tussen de middengroepen in onze kerk.8 De beide laatste jaren hebben ons echter een geheel andere toenadering in de kerk laten zien. Een toenadering tussen 'confessionelen' en 'gereformeerden' (Gereformeerde Bond). Beide groepen wensten een actie tegen de modernen. Beide wensten dit om tactische redenen. Wanneer De Waarheidsvriend schrijft 'het ene doen en het andere niet nalaten', dan bedoelt het blad met dat 'andere': de oplossing der kerk in delen. Dr. Kromsigt c.s. zeggen ook: 'het ene doen en het andere niet nalaten' en bedoelen met dat 'andere': de reorganisatie.
Zodra nu echter zulk een beweging gevolg heeft en iets begint uit te werken, komt het ogenblik, waarop men elkaar aanziet met de vraag: wat gaat ge nu doen? Het komt mij voor dat bij de confessionelen dit psychologisch ogenblik is. Zij hebben erop vertrouwd dat ons volk aan 'heel de kerk' gehecht is en dat daarom bij gemeenschappelijke actie hun idealen het sterkst zouden trekken. Zij hebben daarbij vergeten dat de beweging waaraan zij deelnamen naar een geheel ander eindpunt heenwijst, naar scheiding, en dat daarom een kleinere groep die scheiding wenst de consequentie voor zich heeft. Zij trekken daarom aan 't kortste eind. Dit alles heeft onder hen toch zekere ongerustheden wakker geroepen, die de laatste tijd tot uiting beginnen te komen. Het is te hopen dat deze ongerustheid bezinning zal worden en hen zal doen afzien van een beweging die tot splitsing der kerk moet leiden.
Alles bijeengenomen menen we het volle recht te hebben te ontkennen dat hier een kerkhistorische crisis onder de leiding Gods aanwezig is. Ik zie niets anders dan een dubbele kerkelijke actie met zeer verschillende bedoeling waarbij ik op dit ogenblik het standpunt van dr. Slotemaker de Bruine er nog buiten laat.
Trouwens dr. Kromsigt erkent dit zelf. In een Hervormde Kerk ontstaat geen lutherse crisis. Ik had wel eens de gezichten der confessionele broeders ter jaarvergadering willen zien, toen hun werd medegedeeld, dat ze deelgenomen hadden aan ... een luthers uitstapje en dat men thans weer de gereformeerde paden zal gaan bewandelen.
Dr. Kromsigt heeft daarmee erkend dat degenen, die uit naam van de gereformeerde beginselen tegen de in-gang-zijnde beweging protesteerden, gelijk hadden. Hem dreigt daarbij het gevaar dat het verwijt van 'een valse leuze' op hem zelf terug valt.
Inmiddels is het te hopen dat deze kunstmatige crisis haar hoogtepunt gehad heeft.
Kerkelijke theorie en praktijk
Mij rest nog na het reglementaire en het kerkhistorische standpunt ten opzichte van de voorgestelde schrapping van 'geest en hoofdzaak', wat ik noemde het 'kerkrechtelijke', te bespreken. Wil men deze onderscheiding laten gelden dan wordt, zoals ik aanwees, het eerste door mr. Schokking, het tweede door dr. Kromsigt en het derde door dr. Slotemaker de Bruine ingenomen. Tenslotte dus nog een enkel woord daarover. Er is nog juist tijd dit voor de classicale vergadering waarop deze kwestie besproken zal worden te doen.9
Dr. Slotemaker heeft, zoals wij dat van hem gewoon zijn, met grote duidelijkheid z'n standpunt aangewezen.c Voor hem is de hoofdvraag of onze kerkrechtelijke theorie met onze kerkrechtelijke praktijk in overeenstemming zal worden gebracht dan wel omgekeerd. De vrijzinnigen zouden het eerste wensen. Dr. Slotemaker het laatste. De vrijzinnigen zouden wensen dat, wanneer deze schrapping van 'geest en hoofdzaak' verworpen wordt, men algemeen daarin zou zien een erkenning van de leervrijheid in onze kerk. Dr. Slotemaker hecht aan het voorstel van de synode zoveel gewicht dat hij daarin ziet een totale verandering in de kerkelijke praktijk tegenover het modernisme. Waar hij vroeger van veranderde formulering weinig verwachtte, geeft de houding der vrijzinnigen hem thans hoop dat deze wijziging gevolgen zal hebben. En dat wenst dr. Slotemaker. Geheel anders dan velen die ons het voorstel van de synode aannemelijk willen maken door te ontkennen dat het gevolgen zal hebben, is juist de geestdrift van dr. Slotemaker verbonden aan de gevolgen die hij er gegeven de uitingen der vrijzinnigen van verwacht. Dr. Slotemaker hoopt dat deze wijziging het voor de modernen onhoudbaar zal maken in onze kerk.
Hier is dus een kerkelijk radicaal aan het woord. Niet een ethisch-confessioneel, zoals hij genoemd is, ook niet een ethisch-irenische, maar een ethisch-polemische. Een nieuwe toon in kerkelijke beleidvoering.
Dr. Slotemaker wijst op het kerkelijk beleid der negentiende eeuw. Van 1816 af, zo betoogt hij, was het steeds 'met woorden belijden, met daden niet belijden'. Om rechts èn links te vriend te houden. Hij gelooft niet dat de kerk dit nog een eeuw zal uithouden.
Hiermee wil dr. Slotemaker gebroken hebben. De kerkelijke praktijk moet in overeenstemming gebracht met de kerkrechtelijke theorie. Liever dan dat het kerkelijk beleid der negentiende eeuw zou worden voortgezet, zou hij desnoods zien, dat de kerkrechtelijke theorie met de kerkrechtelijke praktijk in overeenstemming werd gebracht. En het is dan ook niet ondenkbaar dat wanneer het voorstel van de synode verworpen werd deze kerkelijke radicaal naar de andere zijde omsloeg en het vrijzinnig karakter der kerk accepteerde. Logisch zou hij daartoe zelfs verplicht zijn.
Er is juist in dit radicalisme iets, wat mij verontrust. Dr. Slotemaker is man van de praktijk, een zeldzaam ijverig werker en ook daaruit is ten dele z'n liefde voor het voorstel der synode te verklaren. Ik kom daarop nog even terug. Maar hij is ook een geweldig vaardig dialecticus.d En juist dit logisch radicalisme verontrust mij, waar het op een zo saamgestrengeld weefsel als onze kerkelijke toestanden wordt toegepast. Ik vrees dat de onderscheidingen hier te scherp zijn.
Het is toch niet waar dat onze kerk vrijzinnig zou zijn als het voorstel verworpen werd? Maar, dit toegegeven, valt de gehele kracht van het betoog van dr. Slotemaker. Want de beide delen van z'n betoog zijn als twee helften van eenzelfde ring.
Is er van de kerkelijke praktijk der negentiende eeuw niets anders en beters te zeggen dan dat het doen is geweest om met woorden rechtzinnig, met daden vrijzinnig te zijn? We zouden dat niet gaarne onderschrijven. Een dergelijke vereenvoudiging is voor mij gevaarlijke dialectiek waartegen ons verstand en ons gevoel zich verzetten.
Zou een dergelijk verschil tussen woord en daad dan niet verweten moeten worden aan ieder huisvader, ieder pastor, ieder pedagoog? Is het woord niet een teugel bijwijlen. die gevierd moet worden, wanneer de hand die hem vasthoudt een wijze hand zal blijven? Het zou ons gemakkelijk vallen in de Institutie van Calvijn aan te wijzen, hoe ook daar een verschil tussen kerkelijk woord en kerkelijke daad aanbevolen wordt. Wij zijn er daarom nog niet als we dit verschil aangewezen hebben en een kerkelijke praktijk, die dit onderscheid zou willen opruimen, zou ons kerkelijk leven de nek omdraaien. Ik kan dit hier niet verder uitwerken, maar wijs er alleen nog op dat dr. Slotemaker in deze logische klem, bij verwerping van het voorstel, muurvast zit.
Dialectiek levert gevaar op voor sofismen. Ontkomt dr. Slotemaker aan dit gevaar? Hoe moeten we oordelen over z'n bewering dat de schrapping van de woorden 'geest en hoofdzaak' een zedelijk middel, een getuigenis blijft, ook al dwingt ze de modernen de kerk te verlaten? Ik kan niet anders dan hierin een sofisme zien. Ik vraag: zal de moderne door dit getuigenis overtuigd worden? Dan is de werking zedelijk. Zal hij zich geoordeeld gevoelen? Dan is de wg-en voelen te wijken. Waar blijft nu het zedelijke? Heel deze bewering dat dit middel zedelijk blijft, ook al zal het het in dit geval beoogde gevolg hebben, is niets dan een sofisme. Het komt er op aan op welke wijze het gevolg gewekt wordt. En dit wordt hier verzuimd in aanmerking te nemen.
Wanneer ik, als boven. m'n bezwaren tegen de betogen van dr. Slotemaker heb ingebracht, heb ik hem niet volkomen recht gedaan. Dr. Slotemaker is man van de praktijk, misschien nog meer dan vaardig betoger. En ook als man van de praktijk wenst hij de schrapping. In onze grote steden levert de moderne actie, misschien, ja wel zeker, voor de toekomst groter gevaar dan op het platteland. Het is niet onmogelijk dat deze actie de kiescolleges zal omzetten. Dr. Slotemaker wenst de bearbeiding door deze toekomstige herders te weren. Vermoedelijk ligt hier voor hem het zwaartepunt. In de eerste plaats is dr. Slotemaker herder. En hier word ik bescheidener dan tegenover de dialecticus. Toch zij mij een opmerking veroorloofd.
Er is misschien ten deze een gradueel onderscheid tussen onze grote steden: ik bedoel onze grote steden en het platteland. Een onderscheid, dat in deze materie misschien principieel kan worden en een andere gedragslijn voorschrijven. Misschien kan in onze grote steden het modernisme als cultuurmacht, wanneer het opzettelijk zich daartoe opmaakt, de kerk van haar karakter beroven. Dan zou het geboden zijn tegenweer te bieden en middelen te beramen om dit te verhinderen. Ook machtsmiddelen waarbuiten de kerk het op deze wereld niet geheel kan stellen. Op het platteland dreigt dit gevaar niet, althins niet in die mate. Hier is het machtsmiddel ontijdig en schadelijk. Zoals op zo menig terrein is het jammer, dat de wetgeving voor onze grote steden vaak storend ingrijpt op de toestanden buiten.
Hier wil ik, met het oog op de praktijk, gaarne de mogelijkheid van tweeërlei noodzakelijkheid van gedragslijn toegeven. In hoeverre die andere noodzakelijkheid werkelijk aanwezig is, vermag ik niet te beoordelen.