Solidariteit in de kerk1
1
In een van de brochures van wijlen dr. Hoedemaker leest men dat hij, ik meen in De Heraut, over de gemeente Heeg geschreven vond, dat daar na de Doleantie in de Hervormde Kerk was achtergebleven'een wilde vermenging van ethischen en modernen'. Wel werden de Egyptische plagen er buiten gelaten, maar toch werd in dit verband door De Heraut de uitdrukking 'Jan Rap en z'n maat' gebruikt. Deze laatste uitdrukking greep dr. Hoedemaker in z'n geweten. Hij stak de hand in de boezem en beleed: 'Jan Rap en z'n maat ben ik.'a
Ik weet niet hoe hoog ik dit woord zou moeten schatten. Er spreekt een echt profetische solidariteit uit, een zich niet afgescheiden gevoelen van de noden en zonden van anderen. De man die zo sprak, stond op het énige standpunt dat tegen afscheiding houdbaar is. Eenheid der kerk, niet alleen in administratieve zin, zodat een reglementenbundel voor allen geldt; eenheid der kerk, niet alleen in kerkrechtelijke zin, zodat allen aan dezelfde norm gebonden zijn, maar ook éénheid in zedelijke zin. Solidariteit.
Dit beginsel heeft een tijdlang onze kerkelijke strijd beheerst. Het was na de Doleantie de nieuwe inzet. Een meer vertrouwde basis voor kerkelijk leven is niet aan te wijzen. Alleen dit beginsel kan het kerkelijk leven dragen, wanneer het iets meer zal zijn dan gewoon verenigingsleven. Zich solidair te voelen met gelijkgezinden is geen kunst en nog minder een deugd. De bijbelse solidariteit begint pas, waar dit beginsel dient om te verbinden wat uiteen ligt.
Ik zei dat na de Doleantie dit beginsel de nieuwe inzet is geweest. Ik bedoel daarmee niet dat ieder zich daarvan hoofd voor hoofd bewust is geweest. Integendeel kan iedereen weten hoe de kracht van de afgescheiden propaganda in onze kringen er juist in lag dat men zich van dit beginsel zeer gebrekkig bewust was en zich niet voldoende op eigen grond wist te stellen.
Ik wens er ook niet mee te zeggen dat wie dit beginsel meer of minder duidelijk voor ogen stond het in de praktijk des levens wist te oefenen. Ook daaraan heeft natuurlijk zeer veel ontbroken.
Maar toch oefende dit beginsel invloed. Het was een stilzwijgende afspraak waaraan men zich onderwierp, ook al ontbrak aan het inzicht in het beginsel nog een en ander. Het ging er enigszins mee als met Noach na de zondvloed. Hij wist dat hij zulk een vloed niet meer zou beleven. En zo leefde ook in het geslacht dat de Doleantiestrijd doormaakte en dat nu begint weg te sterven de overtuiging dat men langs die weg de oplossing van het kerkelijk vraagstuk niet weer zou zoeken.
Deze overtuiging was tevens al een stilzwijgende afspraak. Hervormd-zijn of hervormd-gebleven-zijn wilde zeggen: de oplossing der kerkelijke vragen niet door afscheiding te zullen beproeven.
Nu zit de eenheid van de gemeente en de voortzetting van de kerk niet in het stenen gebouw. Dat hebben we altijd van de gescheiden broeders wel aangenomen. Wie nu precies de kerkgebouwen houdt, dat is hier niet de hoofdvraag. Men kan buiten de kerk vergaderen en toch de wettige voortzetting zijn van de kerk der vaderen. Het ligt ook niet aan 't aantal personen. Door er op te letten waar ik des zondags mij bevond of door het tellen van de schare kan ik dus niet uitrekenen of ik mij heb afgescheiden of niet. Dat zijn slechts uiterlijke, bedriegelijke kentekenen. Het rechte kenteken is dit, of ik mij innerlijk verenigd gevoel met de schare, met het volk in z'n geheel of niet. Het is een vraag van profetische solidariteit, in de diepte des harten doorleefd.
En daarom maakt het ook absoluut geen verschil of ik in een schuur ga vergaderen terwijl 'de wilde vermenging van ethischen en modernen' in de kerk blijft zitten, of dat ik zelf in de kerk blijf zitten en de 'wilde vermenging' noodzaak een schuur op te zoeken. In beide gevallen wens ik de scheiding en ben separatist. Wanneer ik 'Jan Rap en z'n maat' ben, hoor ik ook onder 'Jan Rap en z'n maat' thuis en ga er midden onder zitten, in de schuur of in de kerk, dat doet er niet toe, maar in elk geval te midden van 'Jan Rap en z'n maat'.
Wanneer men daarom wenst dat een deel van ons volk uit de kerk uitga en men noodzaakt hen daartoe, dan is het een drogreden wanneer men zegt dat men zich niet afscheidt als in 1886. De vraag is niet wie gedwongen wordt een schuur op te zoeken, maar de vraag is wie de scheiding wenst. Dat is de separatist.
In 1886 waren dat de dolerenden. Wij wensten de scheiding niet. Wanneer wij thans de scheiding wensen van een deel van ons kerkelijk volk, dan zijn wij separatisten, ook al blijven wij in het gebouw zitten en houden de goederen.
Het is dan een afscheiding met behoud van goederen en emolumenten; in zoverre dus handiger dan die van 1886, maar daardoor zedelijk niet beter, eer slechter. Maar wie scheiding wenst, die is de afgescheidene.
Dr. Kuyper schreef vroeger ergens het volgende: "Behoorde in de dagen der vervolging slechts één tiende van de bevolking tot de gereformeerde religie, nu kwamen er plotseling nog vijf andere tienden bij en die vijf andere tienden hebben onze kerk verdorven." Hij schrijft iets verder dat dit euvel in 1834-1886 veelszins gebeterd is, "terwijl omgekeerd in de gemengde hoop die onder de organisatie voortleeft, de oude ellende in elk opzicht bestendigd blijft."b
In deze woorden treft ons het volslagen gemis van solidariteitsgevoel. Tegenover dergelijke smaadredenen'hebben wij slechts één ding als onze roeping te beschouwen. En wel dit: uit volle overtuiging op te komen voor het vijftiende deel. Wij hebben ons daarmee solidair te verklaren.
Hiermee heb ik nog niets gezegd omtrent bepaalde voorstellen die thans in onze kerk aan de orde zijn. Bij het pro of contra komen allerlei dingen ter sprake die het vraagstuk zeer gecompliceerd maken. Zoveel te meer echter raakt onze gedachtengang de geest die bezig is zich van onze kerkelijke kringen meester te maken en waarbij de inzet van na de Doleantie dreigt verloren te gaan. Veel sneller dan men zich had kunnen denken gaat de mogelijkheid van een nieuwe scheiding zich vertonen. Werd men een paar jaar geleden nog ongelovig aangekeken als men er op heenwees, thans wordt het iedereen duidelijk. En nu worden smaadredenen als bij de Doleantie nog niet gehoord. Er is bij degenen die deze weg hebben gekozen en gewezen een zekere kalmte. Een kalmte die eigenlijk onverklaarbaar groot is gelet op het gewicht van de gebeurlijkheden. Er is ook een zekere aarzeling en een zoeken van 'een uitweg' om aan de consequentie van eigen kerkelijke politiek te ontkomen.
Op mij maakt het de indruk van spelen met vuur. Ik kan de indruk niet van mij zetten dat men van beide kanten tracht te intimideren en zou aarzelen B te zeggen na eerst A te hebben gezegd. De wereldgebeurtenissen hebben ons echter geleerd waartoe dit leidt. Men kan op een gegeven ogenblik niet meer terug.
Laat men zich nog tijdig herinneren en zich terugtrekken op het beginsel van ons kerkelijk leven van na 1886, zoals het door de besten onder ons werd verstaan: het solidariteitsbeginsel.
2
Het solidariteitsgevoel is niet in alle protestants-kerkelijke kringen even sterk geweest. Er zijn te allen tijde sektarische bewegingen en kringen geweest waarin de zuivering zozeer op de voorgrond stond dat van de solidariteit niet veel overbleef.
Men kan echter gerust zeggen dat in de grote protestantse landskerken de solidariteit op de voorgrond heeft gestaan. In Duitsland kwam dat niet zo duidelijk uit omdat de lutherse kerk minder om organisatie geeft en tevreden was wanneer onder bescherming van de overheid het predikambt z'n invloed kon uitoefenen. Daardoor kwamen de moeilijkheden van een zelfstandig kerkelijk leven minder naar voren. Maar in ons land, waar de kerk zelfstandiger geweest is en waar haar organisatie dadelijk een voorwerp van belangstelling geweest is, bleek het duidelijker.
Het is een echt Nederlands vraagstuk: de vraag van solidariteit of zuivering. Dat wij er mee zitten nu nog in de twintigste eeuw komt niet alleen van de organisatie van 1816. Die organisatie heeft alleen maar verhinderd dat er op vruchtbare wijze in ons kerkelijk leven aan de oplossing werd gewerkt. Ze heeft van onze kerk een stoomketel gemaakt, met te zware belasting, waardoor van tijd tot tijd een uitbarsting volgt. Maar de organisatie heeft de moeilijkheden niet geschapen.
In m'n vorig artikel liet ik een citaat van dr. Kuyper afdrukken, waarin dan ook z'n grieven niet alleen onze kerk van ná 1816, maar evengoed die van de zeventiende en achttiende eeuw gelden. De organisatie heeft wel schuld, maar lang niet alle schuld. Dr. Kuyper heeft blijkbaar zeer goed gevoeld en het in bovenbedoelde zinsneden, waarin hij erover klaagt, dat na de dagen der vervolging de in de kerk binnenstromende vijf tiende delen van ons volk de kerk hebben bedorven, ook eerlijk uitgesproken, dat reeds vóór 1816 de gereformeerde praktijk niet naar z'n hart is geweest. Ook vóór 1816 stond men dus voor het dilemma: solidariteit of zuivering, en de afscheidingsbewegingen in 1834 en 1886, zij hebben beide de nadruk gelegd op de zuivering tegenover de solidariteit. Ze zijn niet een uitvloeisel, maar een terugslag op de kerkelijke praktijk van onze vaderen. De erkentenis van dit feit ligt in bovenaangehaalde woorden van dr. Kuyper voor ons. Vooral de beweging van 1886 heeft gebroken met de gereformeerde praktijk.
Dit alles is voldoende om aan te tonen dat we hier niet te doen hebben met een tijdelijke vertroebeling van ons kerkelijk leven, maar met bewegingen waarvan de golflengte enige eeuwen bedraagt. Ons kan niet aantrekken de ontwikkeling die het Engels-Amerikaanse kerkelijke leven genomen heeft. Het vrije-kerken-stelsel. Wij zouden ons ook niet op ons gemak gevoelen onder een Duits 'Sprüchcollegium'. Bij ons heeft de kerk vrijheid en lenigheid genoeg om de spanning van haar organisatie als lichaam voelbaar te maken aan haar leden. Maar in onze kerk leeft tevens genoeg solidariteitsgevoel om zo ongeveer het volk er in te kunnen houden. Onze kerk behoeft niet uiteen te spatten. Het zou een misdaad zijn niet alleen aan onze kerk, maar ook aan onze nationaliteit gepleegd als men het daarheen dreef. God heeft aan ons volk de moeilijke, maar tevens een heerlijke taak gegeven aan de wereld te laten zien hoe een geheel volk in het huis Gods verkeert. Nergens is wat Calvijn voorzweefde zo naastenbij in vervulling gegaan dan bij ons en misschien in Schotland.
Men kan daartegen wel inbrengen dat het een dwaasheid is bijv. van onze grote steden te zeggen dat het volk in het huis Gods verkeert en van een volkskerk te spreken, maar zo rekenkunstig mag men de zaak niet bezien. De zaak is dat ik van onze geschiedenis niets begrijp als ik de Hervormde Kerk weg denk en dat ook thans nog een blik op de geestelijke gesteldheid van ons land ons dadelijk overtuigt dat een kerkelijk leven zo ongeveer als we dat gewend zijn onmisbaar is. We hebben er ons dus terdege rekenschap van te geven dat we ons bevinden te midden van een terugslag op het brede, gereformeerde kerkelijk leven van onze vaderen waaraan de kerkelijke solidariteit ten grondslag lag en op de voorgrond stond.
Ook in onze kerk en niet alleen daarbuiten is dat zeer merkbaar geworden. Die tegenbeweging heeft nooit geheel ontbroken. Maar eerst in 1886 is ze in systeem gebracht. Een kerkbegrip in bewuste tegenstelling althans met wat de gereformeerde praktijk tot onderstelling had.
Voor onze Hervormde Kerk bleef nu een andere taak over: die praktijk in systeem te brengen. Een moeilijk werk, maar een echt Nederlandse gedachte. Na 1886 scheen deze grondgedachte de leiding te zullen geven. Werd ze vastgehouden, dan had onze kerk een toekomst en ... de leiding. Het schijnt echter niet te mogen zijn. Schoot vroeger de solidariteitsgedachte te kort, dan was er de overheid die een materiële steun gaf. Men kan zeggen dat na 1886 en vooral na 1852 het conservatisme van de synode deze rol heeft overgenomen. De dagen van deze synode schijnen echter geteld. Niemand zal haar te zeer bewenen.
Sedert 1886 hebben we nu echter een volle 30jaar tijd gehad het beginsel van onze Hervormde Kerk in bewuste tegenstelling met het systeem van dr. Kuyper ons in te leven en in te denken. Die tijd, waarin een geheel geslacht is opgegroeid, is echter door zeer velen gebruikt om zich het systeem van dr. Kuyper in te leven en in te denken. Dit wordt hoe langer hoe duidelijker. Zuivering en nog eens ZUIVERING is het wachtwoord. Wie een woord voor solidariteit spreekt, daarover bedroeft men zich.
Wanneer onze Hervormde Kerk onder dit zuiveringsproces bezwijkt, dan is dit misschien een aanwijzing hiervan dat de gereformeerde kerkidee te geestelijk is om geheel buiten overheidssteun of synodale stevigheid te kunnen bestaan. Vrije werking van ontbindende factoren hebben haar dan ter zijde gesteld. Calvijns kerkidee zal dan elders weer opgenomen moeten worden.
3
Op het slot van een vorig artikeltje noemde ik Calvijns naam in tegenstelling met de koers die het de laatste tijd in onze kerk schijnt uit te gaan. De een of andere lezer zal dit misschien bijzonder dwaas achten. Men hoort Calvijns naam bijna altijd noemen in verband met tuchtoefening en zelden in verband met verdraagzaamheid in de kerkelijke samenleving. Neocalviiiisten en schrijvers die hun pen tegen Calvijn voerden, hebben aan de naam van de reformator een ietwat scherpe militante bijsmaak gegeven die historisch gewraakt moet worden.
Wij zijn eraan gewend geworden en het zou een opzettelijk onderzoek waard zijn om te onderzoeken hoe dat gekomen is om bijv. in de zestiende en zeventiende eeuw de wasechte calvinisten te zoeken onder de drijvende persoonlijkheden en de verdraagzaamheid te zien overgelaten aan een Coornhert e.a. Zo is een calvinist voor ons geworden een 'stoer' persoon, op het stuk van beginselen alleronverzettelijkst en verre van gemakkelijk voor een dissentiërende broeder.
Ongetwijfeld heeft de moeilijke en zware worsteling die het calvinisme te bestaan heeft gehad om zich 'een plaats onder de zon' te veroveren dit voor een deel meegebracht. Maar voor een nog groter deel is het het werk van de latere historieschrijver of volksmenner die op zwakke zijden in het menselijk karakter beslag wist te leggen en tot hoofdkenmerk maakte, wat hoogstens een bijkomende trek was. In elk geval is het ongeoorloofd om, ook al heeft de calvinistische geestesgestelheid in dagen van strijd deze toch wel eens vertoond, die zo vast te leggen dat ook in later eeuw het gereformeerde leven daaraan gekeurd zou moeten worden. En dit is het wat veelal geschiedt. Ons kerkelijk leven draait er om als een deur op haar herre. Het tempo versnelt wanneer 'de kwestie' weer in 't vizier komt. Het daalt wanneer 'de kwestie' terugwijkt.
Wij hoorden zelfs opmerken dat een beweging als die thans weer allen bezighoudt zo heilzaam is omdat de jongelui er voor in vuur kunnen komen. Men schijnt daarin te zien de eigenlijke bewegende kracht in het kerkelijk leven. Nu hangt dit ongetwijfeld samen met de aard van onze Hervormde Kerk. Solidariteit of zuivering is een Nederlands vraagstuk in verband met de betrekkelijk vrije organisatie van ons volksleven naar z'n kerkelijke zijde. Ons er afmaken is dus ongeoorloofd. Maar we moeten waken, dat we niet gedupeerd worden.
In de eerste plaats mag een vraag die de vorm van het kerkelijk leven betreft niet zo beslag op ons leggen, dat we er geheel in opgaan en alles er om gaat draaien. Het gaat hier, naar een oude onderscheiding, om het welwezen en niet om het wezen der kerk.
De prediking kan vrucht doen, ook al predikt de ganse kerk niet als met één stem. En de persoonlijke arbeid kan zegen brengen, ook al is de arbeid als geheel niet voldoende naar een vast plan georganiseerd. De lutherse kerk heeft dat altijd bewezen.
Wij willen echter meer, daarvan mag niets afgedaan. Zodra we echter meer willen, moeten we ons bewust blijven dat we ons een schrede van het middelpunt verwijderd hebben. Het gaat er in de grond om of Christus gepredikt wordt, niet of Hij door allen gepredikt wordt.
Voor ons eigen woord en werk zullen we in 't gericht staan; niet voor dat van anderen. Voor eigen woord en werk geldt de absolute maatstaf des geloofs. Zij brengen direct in verband of botsing met de onzichtbare kerk.
Hier is een onfeilbare persoonlijke verzekerdheid mogelijk die de meest 'stoere' houding kan rechtvaardigen en de krachtigste onverzettelijkheid wettigt. Zodra we echter komen tot het woord en het werk van de ander, verandert alles. Een minder 'stoere' houding is eis en bescheidener hebben we ons te gedragen. De geloofsverzekerdheid treedt hier terug en menselijk oordeel komt er voor in de plaats. Daarom mag om ons kerkelijk oordeel niet onze gehele geestelijke belangstelling zich wentelen. Het hart der kerk klopt elders. Heeft men dit steeds in gedachtenis gehouden? Velen willen ons juist hier de hartslag der kerk doen beluisteren.
En in de tweede plaats, ook wanneer we op dit terrein het wettig recht van kerkelijke strijd erkennen, dan nog dreigt door allerlei oorzaken de overspanning. De keur der geesten waartoe ons gereformeerde leven de voorwaarde in zich heeft en waartoe het verplicht, is vaak een overspannen, ziekelijk verschijnsel geworden, een zichzelf versnellend delirium, waarin gezond geestelijk leven niet te ontdekken viel. Waarbij men zichzelf behaagde en niet de naaste ten goede tot stichting. Zo werd dan dikwijls de eer van onze kerk haar schande. Het is nauwelijks nodig dit nader aan te duiden. Ieder heeft er zich menigmaal van kunnen overtuigen, dat bier een ziekelijk ontaarden van ons gereformeerd kerkelijk leven maar al te dikwijls te vinden is.
Men moet daarom op dit punt zo verbazend behoedzaam zijn. Wil men een beweging opwekken, dan is hier de snaar die moet worden aangeraakt. Niets is gemakkelijker. De Heraut, die het weten kan, wees er een paar jaar geleden op dat er in de Hervormde Kerk iets belangrijks gebeurd was. Het belijdenisvraagstuk was voorop geschoven. Reorganisatie daarachter gesteld. Ik heb op dit feit vroeger in dit blad wel eens gewezen. Het is inderdaad, ofschoon nauwelijks gemerkt toen het geschiedde, een feit van betekenis geweest. Terstond is de beweging begonnen, die De Heraut van tevoren reeds begroette.2 De bewuste snaar was aangeraakt.
Wanneer dan ook mr. Schokking in De Gereformeerde Kerk onder aanhaling van De Waarheidsvriend betoogt, dat het bij de gaande gemaakte kerkelijke beweging niet gaat "over een in het algemeen in te nemen standpunt ten opzichte van de belijdenis",c dan kan dit slechts voor géisoleerde personen toegegeven worden. Voor de Kerk in haar geheel is het zeker niet waar, al heeft De Waarheidsvriend misschien goede reden om het ons te doen geloven.
Het gaat er ook thans weer om, of onze kerk calvinistisch of kuyperiaans zal wezen. Of de solidariteit of de zuivering voorop zal staan. Schuift het belijdenisvraagstuk voorop, dan is daarmee het antwoord in laatstgenoemde zin gegeven. De geloofsenergie zal dan weer verbruikt worden in een kerkelijke strijd. En de vaste zekerheid die alleen van de persoonlijke belijdenis geldt, zal overgebracht worden in de banen van een kerkelijk oordeel, waar ze een aanmatiging is.
Daarmee staat of valt Calvijns kerkidee. Hij gaf ons met een zeldzaam zuivere, juiste en bijbelse greep, voor ons zelf een goddelijk, voor anderen een menselijk oordeel in handen.
Hierin ligt juist de sterke draagkracht van het gereformeerde leven. En het vermengen van die beide of het verwisselen daarvan geeft telkens weer aanleiding tot verspillen van geestelijke kracht, waardoor aan geestelijk reveil de kracht onttrokken wordt.