Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Jaren Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 3, p. 249–255

Weergave
Passages naar Readwise sturen

Augustinus1

Onder de kerkvaders, de grote kerkleraars tot ± 600, neemt Augustinus een der eerste plaatsen in, zo niet de eerste. Met name voor de westerse christenheid is zijn leven en arbeid van grote betekenis geweest. Daarbij mag men niet over het hoofd zien dat hij niet alleen de christelijke leertraditie tot een voorlopige afsluiting heeft gebracht, maar dat hij ook ten opzichte van de antieke beschaving een soortgelijke roeping heeft vervuld. Zoals de middeleeuwse christen zijn geloof lange tijd kleedde in de formules van Augustinus, zo herinnerde ook de vorm, waarin de cultuurmens van die eeuwen de kennis en de kunst van Rome en Athene bewaarde, in vele gevallen sterk aan de grote bisschop van Hippo.

In dat opzicht is er wel niemand die met hem vergeleken kan worden. Er zijn andere kerkvaders, die tot de sterren van de eerste grootte gerekend moeten worden. Ik denk aan Athanasius (± 325), de vader der orthodoxie, en aan Gregorius de Grote (± 600), de bevorderaar van de kerkorde. Maar geen van beiden heeft zulk een universele betekenis als Augustinus. Onder onze geestelijke voorouders bekleedt hij een enige plaats.

Dit komt ook tot uitdrukking in de titel van zijn hoofdwerk: De civitate Dei. aDaarin wordt niet over de kerkelijke leer of over de kerkvorm afzonderlijk gehandeld, maar over het geheel van het christelijk leven, waarbij dan alles in onderling verband komt te staan. Augustinus beschrijft de menselijke bestaanswijze, zoals hij die ziet volgens de hemelse roeping, die in het Evangelie tot ons komt. En hij doet dat in tegenstelling met een samenleving, die enkel door aardse motieven bewogen wordt.

Voor ik over dit boek iets ga zeggen, wil ik eerst enkele bijzonderheden mededelen omtrent de kerkvader zelf. Augustinus werd in 354 te Thagaste in Africa geboren. Aan de naam Africa moet de lezer hier heel andere gedachtenverbindingen vastknopen dan wij heden ten dage gewoon zijn te doen. In die tijd wordt er een diocese van het Romeinse rijk mee aangeduid, die wel aan de andere zijde van de zee ligt, maar toch deel uitmaakt van Europa. Of Augustinus in Africa of in Italië geboren is, maakt daarom uit een cultureel of kerkelijk oogpunt geen onderscheid. Hoogstens komen enkele bijzonderheden van temperament of taal hierbij in aanmerking. Er is dus weinig aanleiding om nadruk te leggen op de plaatselijke afkomst van de kerkvader. Hij is een Romein zonder meer.

Des te meer reden is er om te herinneren aan zijn geestelijke afstamming.

Daarbij denk ik aan de moeder van Augustinus, Monnica. Hij is, als christen, een zoon van haar gebeden en haar tranen geweest. Deze figuur van moeder en zoon behoort tot het beste en schoonste van het geestelijk bezit

der Europese christenheid. Wie daarvan onder de indruk wil komen leze de Belijdenissen bvan de kerkvader. Monnica achtte het niet genoeg dat haar zoon geboren was en burger van het Romeinse rijk, zij wenste vurig dat hij herboren zou worden en een inwoner zou worden van de Godsstaat, waarover hij later zijn groot werk heeft geschreven. Men kan zeggen dat haar tranen zijn geboorte golden, haar gebeden zijn wedergeboorte.

Augustinus beschrijft in zijn bovengenoemde Confessiones de drieëndertig jaren van zijn leven, waarin hij haar ontvluchtte en zij hem volgde; waarin hij zocht en zij bad. Haar gebed werd verhoord op Pasen 387, toen haar zoon door bisschop Ambrosius te Milaan werd gedoopt. Sedert is Monnica los van deze aarde. Beroemd is de beschrijving die de kerkvader in het negende boek van zijn Belijdenissen gegeven heeft van een gesprek dat zij samen hadden in een vensternis te Ostia aan de Tiber. Al sprekende werden hun harten los van wat beneden is en raakten met één enkele slag aan het hemelse vaderland.c De moeder keerde van deze zielsverheffing niet terug; zij stierf kort daarop zonder te hechten aan de plaats waar men haar zou begraven. De zoon keerde in tot een beschouwelijk leven, waarin hij zoveel mogelijk van het hemelse visioen zocht tot uitdrukking te brengen.

Voor deze contemplatie zocht hij rust in zijn vaderstad in Africa, waar hij zich met enkele vrienden tot een kloosterachtige kring verbond. God had echter iets anders met hem voor. Hij ontnam hem de rust en zette hem aan ⚑de arbeid in de kerk, waarin hij in 387 de Doop had ontvangen. In 391 reeds

werd hij tot presbyter gewijd te Hippo, een stad aan de Africaanse kust, in verbogen vorm Hippone, thans Bone. Hier heeft hij, van 395 af als bisschop, tot het eind van zijn leven in 430 gewerkt. Een leven vol van studie en vol van arbeid.

Van die studie en die arbeid is het grote werk De civitate de neerslag. Het is een gemeentelijk boek, dwz. de praktische bedoelingen van de zielszorg hebben de leiding. Telkens komt men lange uitweidingen tegen, die de juiste verhoudingen in de samenstelling niet ten goede komen, maar die bewijzen dat het er de bisschop om te doen is zijn gemeenteleden in alles behulpzaam te zijn. Trouwens ook uit de wijze waarop het boek is ontstaan volgt dat het geen academisch werk is. Augustinus heeft er dertien jaar over gedaan en de inhoud werd telkens sterk beïnvloed door de omstandigheden. Het eerste van de tweeëntwintig boeken, waaruit het bestaat, is een troostboek voor de Romeinen na de plundering van Rome door Alarik in het jaar 410. Deze gebeurtenis deed een geweldige schok door de toenmalige wereld gaan en Augustinus zelf was er diep door aangegrepen. Was het mogelijk dat het eeuwige Rome onderging? Was daarmee het einde van de mensheid niet gekomen? - Door zulke vragen is ongetwijfeld ook het hart van de kerkvader bestormd geworden. Als leraar in de welsprekendheid was zijn geest met de latiniteit saamgeweven geweest en deze latiniteit betekende toen voor hem hetzelfde als de humaniteit. En nu Rome wankelt, nu voelt hij een schier ondragelijke pijn in iedere vezel van zijn wezen. Hij ondergaat die ook thans nog, als is hij reeds vijftien jaren bisschop en al heeft Rome, als de hoofdstad der christenheid, nog een andere betekenis voor hem gekregen dan het vroeger had. Hij merkt bij zichzelf de twijfel aan de mensheid, ook al heeft hij een andere, een goddelijke mensheid leren kennen in Jezus Christus.

Augustinus is echter onder die smart niet ondergegaan en niet stil blijven zitten. Zij heeft hem aanleiding gegeven om de pen op te nemen voor het schrijven van zijn hoofdwerk. Daartoe was aanleiding, omdat hij reeds spoedig merkte dat hij onder zijn leed niet alleen stond. Er waren anderen die ook en velen die meer getroffen waren. Daaronder waren er die meer als christenen in moeilijkheden geraakt waren dan hij. Wier humaniteit niet slechts, maar wier zaligheid op het spel bleek te staan. Van alle kanten bereikten hem brieven, waarin men hem om raad vroeg. En dan vergeet de vroegere spraakleraar en latinist zijn eigen trotse smarten en hij doet de nederigheid van Christus aan, die, ofschoon Hij zich mocht beroemen God gelijk te zijn, de gestalte van een slaaf had aangenomen. En van deze nederigheid uit weet hij hen op te richten. Hij weet de christelijke argumenten te vinden die hen kunnen dienen.

Op die wijze en onder zulke omstandigheden is Augustinus zijn boek begonnen te schrijven. De idee van het werk had hem reeds eerder voor ogen gestaan. Reeds in 412, toen een bevriend heiden hem de vraag stelde of er geen strijd bestond tussen de voorschriften van de bergrede en het staatsbelang. De kerkvader had daar toen in een brief enkele beschouwingen over gegeven, die later tot de hoofdgedachten van De civitate behoren.d Heel belangrijk is het op te merken dat deze brief niet, zoals misschien enige tijd zijn plan geweest is, de inzet van het grote werk is geworden. Dan zou het misschien toch nog te academisch geworden zijn. Niet de belangstellende vraag van een heidens intellectueel, maar de nood van de christelijke broederen is de aanleiding geworden, die hem voor zijn reuzenarbeid in beweging bracht. Het boek dat een duizend jaar lang antwoord gaf op de levensvragen van een christenmens, dankt zijn ontstaan aan een tragisch moment, waarin het christelijke geweten in de knel raakte tussen de bijbel en het wereldgebeuren.

Van dat eerste hoofdstuk af, met zijn bijzondere aanleiding in de gebeurtenissen van de tijd, schrijft de kerkvader in de loop van de jaren (413-426) verder aan zijn boek. Al schrijvende verdiept de aanleiding zich tot oorzaak. Wanneer de val van Rome als reden voor het schrijven van een werk met een duizendjarig debiet iets toevalligs kan schijnen, dan blijkt bij de voortgang, naarmate de hoofdstukken in de loop der jaren elkaar opvolgen, steeds meer dat dit veel minder het geval is dan het oppervlakkig kon schijnen. De eigenlijke reden, waarom de kerkvader van eigen gekrenkte humaniteit en latiniteit door de nood der tijden werd voortgeleid tot nederige en herderlijke vertroosting der broederen, naar het voorbeeld van Christus, trad steeds duidelijker aan de dag. Rondom de wording van het boek bleven de wereldgebeurtenissen zich verdringen. De schrijver moest zich om de volle troost, die hij te bedienen had, te kunnen schenken, keren tegen het eigen Rome, dat hij in zijn latiniteit en humaniteit in zich omdroeg en dat in zijn eigen ziel geschokt en gevallen ter aarde lag. Hij moest voor zichzelf en voor degenen, die hem waren toevertrouwd, een weg banen dwars tegen dat Rome in en door dat Rome heen om tot Christus en zijn Rijk te kunnen geraken.

En dat is het nu juist ook, wat de bisschop van Hippo in de tweeëntwintig boeken van zijn De civitate heeft gedaan. In de eerste tien boeken heeft hij twaalf Romeinse eeuwen afgebroken en in de laatste twaalf heeft hij tien christelijke eeuwen gewonnen. Daarmee is het hoofdwerk van onze kerkvader gekarakteriseerd. Het is in dit korte opstel niet mogelijk een overzicht van de inhoud te geven. De lezer die het boek niet kent, zou er niets aan hebben. Slechts heel in het algemeen wil ik opmerken dat in de negen hoofdstukken, die op het eerste volgen, eerst de traditionele en dan de wijsgerige godenleer der Romeinen wordt bestreden. Wanneer men sommige stukken daaruit leest, maken die vaak de indruk alsof de kerkvader zich bezighoudt met antiquarische onderzoekingen. Daarbij moet men echter niet vergeten dat het boek, evenals het eerste hoofdstuk, ook verder ontstaan is onder invloed van een drukke briefwisseling, die Augustinus met zijn heidense en christelijke tijdgenoten had te voeren. Of ook wel, onder de druk van gevaarlijke spanningen die zich rondom hem ontwikkelden. De stof die hij overhoop moet halen is niet zo droog als zij ons soms toeschijnt. Het was gloeiende as, waarin het oude heidendom nog nasmeulde en waaruit van tijd tot tijd de vlammen nog wild rondom de kerkvader omhoogsloegen.

Wanneer hij zich bezig hield met het doven van deze vlammen, was hij daarbij als vanzelf in de weer om zich tegen het oude Rome te keren. En daarmee tegen zichzelf, omdat hij, de oud-leraar in de welsprekendheid, als mens en latinist met die oudheid was samengegroeid. Maar hij had geen keus. De val van Rome zal hem het gevoel gegeven hebben alsof hij van binnen naar de geest afstierf. Maar hij mocht in die dood niet blijven liggen. Christus was opgestaan uit de doden en ook hij moest opstaan uit zijn graf. Monnica had, toen zij samen met hem met een volle hartslag het hemelse vaderland had aangeraakt, ook niet meer waarde gehecht aan de plek, waar haar graf gedolven zou worden, ofschoon zij vroeger steeds had gewild dat het in Africa zou zijn. Zo moet ook de zoon opstaan uit de groeve van zijn Latijnse menselijkheid. Hij moet als herder van zijn gemeente aan zijn schapen de weg wijzen naar het hemelse Jeruzalem, de civitas Dei, de Godsstaat, waarover hij zijn boek schrijft. Met hen moet hij Jezus tegemoet gaan. De wereldbrand om hem heen sprak er ook luide genoeg van dat wij hier geen blijvende stad hebben, maar de toekomende moeten zoeken.

Wanneer de kerkvader zich dan keert naar dat nieuwe, dat door Christus komt, naar de goddelijke, nederige mensheid van zijn Heer, dan wordt, als hij over het oude Rome schrijft, die oude stof onder zijn handen ook inderdaad tot antiquarische rommel. Alleen wanneer wij daaraan denken kunnen wij de geest van de eerste helft van zijn boek leren verstaan. Anders komt het ons aanstellerig voor als hij bijv. Cicero ergens opvoert als 'een zekere Cicero'.e Alleen tegenover Christus wordt ook deze vader der latiniteit tot niet meer dan een zeker iemand. En wanneer dit aan het groene hout gebeurt, wat zal aan het dorre geschieden? Hoe oud en afgedragen moeten vele andere namen dan klinken tegenover die van Jezus?

Zo staat de kerkvader dan op uit zijn Latijnse graf en haast zich in de laatste twaalf boeken van zijn De civitate Dei de toekomst van Christus tegemoet. Hier wordt pas de idee der geschiedenis recht duidelijk. Middenin het boek wordt zij geboren, daar waar de kerkvader zich van Rome afkeert om zich tot de Godsstaat te wenden. Behalve in de bijbel had men tot nog toe nooit recht verstaan wat historie is. De loop der mensheid in één richting, onomkeerbaar, Iemand tegemoet. De Oudheid stelde zich haar altijd min of meer als een kringloop voor. Zolang Augustinus over de Oudheid schrijft kan hij ook niet anders dan daaraan een weinig meedoen. Hij ziet twee zulke kringen, elk van twaalf eeuwen. Maar als hij zich dan, in de tweede helft van zijn boek, uit de toverkringen losmaakt en zich naar Christus toekeert, dan ontrolt de ware geschiedenis zich voor zijn blik en daaraan ontleent zijn boek zijn eigenlijke betekenis. Hij beschrijft de lotgevallen van de geestelijke wezens in de hemel en op de aarde naar hun oorsprong, verloop en uiteinde, tot wij komen tot het einde zonder einde, dat einde dat bestaat in de komst van het Rijk, dat geen einde neemt. De historie heeft een einddoel, waarop zij gericht is. Men kan niet stil blijven staan, niet in een kring rondlopen, terug naar het begin. De gemeente moet verder, haar Heer tegemoet.

Zo heeft de nood der tijden aan de kerkvader de vorm der christelijke waarheid geopenbaard. Naarmate de vragers om hem heen dringen om een antwoord voor hun geloof, wordt hem onder het schrijven de gestalte der eeuwen steeds duidelijker zichtbaar. Hij ziet ze voorwaarts buigen naar de toekomst van de Zoon des Mensen, allen in dezelfde richting. Daarnaast ziet hij haar schaduw, een schijn, een geschiedenis die terugloopt en in het niet terugkeert, zoals de Oudheid die reeds scherp had waargenomen, zonder dat zij de ware geschiedenis kende. Beide heeft de kerkvader in zijn boek beschreven en hun oorsprong, loop en noodzakelijk einde vastgelegd op de bladen. Hij heeft een scherp gezicht op het verschil; op de waarheid ter ener, de ijdelheid ter anderer zijde; op de werkelijkheid hier, de schaduw ginds; op het komen van de ene, het gaan van de andere.

Wanneer wij dan vragen waar Augustinus geleerd heeft de dingen zo te zien, dan moet het antwoord luiden dat hij dat uit de bijbel geleerd heeft. Het woord geschiedenis is ons het meest eigen en vertrouwd uit de samenvoeging: bijbelse geschiedenis. Er is geen boek waarin zoveel vaart is, van het begin naar het einde, als in de bijbel. Er is geen sneller verhaal dan het Evangelie. De mensheid kent nergens beter het gevoel van richting dan in de ⚑kerk. Men leze er de Twaalf artikelen op na, waarin de dingen naar boven toe opgestapeld worden.

De bijbel heeft de kerkvader geleerd de dingen te zien, zoals hij ze beschreef. Zijn geschiedbeschrijving is voor een overgroot deel trouwens ook weergave en contemplatie van de bijbelse geschiedenis. Daarbuiten verwarren hem al heel spoedig de schaduwen, de schijn en de ijdelheid, die teruglopen, waar de waarheid, de werkelijkheid en de volheid voorwaarts gaan. Maar eenmaal geoefend door de lectuur van en de prediking over de bijbel gebruikt hij die, zoals Calvijn het later zal noemen, ook als een brilf om het verloop van het Godsrijk in de geschiedenis daarbuiten te leren beoordelen. Vooral ook het noodzakelijke uiteinde der twee rijken schildert hij heel uitvoerig aan de hand van wat de Schrift daarover leert. Maar altijd blijft hij luisteren naar de vragers rondom zich. Steeds is hij de bisschop die de rust van het beschouwende leven heeft verlaten voor de kerkelijke bemoeienis met de zielen. Allerlei uitweidingen over wijsgerige en christelijke opvattingen vlecht hij in om het praktische, gemeentelijke doel van zijn schrijven niet te missen. Hij werkt en zwoegt in een wereld, waarin wij nog wandelen door het geloof en niet door aanschouwen. Daarom kan hij ook niet rustig voortschrijven, schouwende in de waarheid. De civitate Dei blijft in zijn geheel een troostboek onder de nood der tijden, zoals het eerste boek van het werk dat op zo duidelijke wijze was. Aan vakantie-houden kan de bisschop nog niet denken, zo zegt hij aan het slot. Dat komt als het einde zonder einde komt; het Rijk zonder einde. "Dan zullen wij rust hebben en schouwen, wij zullen schouwen en liefhebben, wij zullen liefhebben en loven."g

Voetnoten

  1. a

    *Over de Godsstaat.*↩

  2. b

    *Een zeer goede vertaling is die van dr. A. Sizoo.* Augustinus, Belijdenissen. Vertaald door dr. A. Sizoo, Utrecht-Antwerpen 19677.↩

  3. c

    Conf. IX, 10. MPL. 32,774. CSEL. 33,217.↩

  4. d

    Zie p. 85 v.↩

  5. e

    Conf.III,4. MPL.32,685. CSEL.33,48.↩

  6. f

    Inst. I, 6, 1.↩

  7. g

    Civ.Dei XXII,30. MPL.41,804. CSEL.40 II,670↩

Eindnoten

  1. 1

    N. publiceerde Augustinus in Eltheto 94 (1940) nr. 11, p. 141-144.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet onder Weergave de correcties aan om de verbeterde OCR-fouten en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Augustinus (lezing)Deel 3Reformatie en vrijheid →