Reformatie en vrijheid1
Vrijheid is voor ons, zonen en dochteren der Reformatie, een zaak van geloof. Evenmin als de opstanding des vlezes of het eeuwige leven kunnen we haar in deze wereld in werking stellen. We beschikken er niet over en mogen er geen gebruik van maken, zoals men dat doet met hand of voet, verstand of wil. Ze is in gewoon praktische zin geen stuk van ons leven. En het gebied van het 'geoorloofde' is door de reformatorische vrijheid met geen duimbreed uitgebreid. Van geen enkel ding mag men zeggen dat het vroeger niet en daarna wel mocht.
Het is nodig dit met nadruk voorop te stellen, omdat deze vrijheid vaak als een aardse leus wordt uitgeroepen. Ze moet dan dienen om op een of ander levensgebied de macht van mensen te betuigen. Het woord krijgt een hoge en schrille klank. In de samenleving krijgt het de betekenis van liefdeloosheid; in de kerk die van vrijgeesterij; in de staat van revolutie.
Luther en Calvijn hebben het zo niet bedoeld. Het is waar dat de kerkhervorming de grootste omwentelingen heeft meegebracht. Bossuet beschrijft ze als een geschiedenis van veranderingen. Maar deze vloeien daaruit niet direct voort. Ze zijn geen realisaties van een kerkelijk of staatkundig program. Eerder moet men zeggen dat de hervormers alle leuzen, die in regelrecht verband met de christelijke vrijheid werden opgesteld, met alle macht hebben bestreden. De wijzigingen, waaraan ze hebben meegewerkt, vloeiden niet voort uit hun vrijheid, maar uit hun gebondenheid, waardoor ze telkens voor een minimum, waarin ze niet anders konden, zich met hun leven borg stelden. Hun geweten verbood hun dan om anders te handelen. Maar dit geweten was niet de grens tussen hun vrijheid en de wereld, doch tussen de wereld en God en betekende voor hen zelf niet anders dan dwang of dood. De christelijke vrijheid heeft haar uitgangen niet in de tijd maar in de eeuwigheid.
Maar hoe staat het dan met de gewetensvrijheid, die een der voornaamste vruchten van de Reformatie heet en waarin 'geweten' en 'vrijheid' toch tot een begrip worden saamgevoegd? Deze ligt op politiek gebied en heeft als zodanig met de christelijke vrijheid, die een geloofsartikel is, slechts heel uit de verte te maken. Ze kan wel in de grondwet gezet worden, maar komt in de bijbel niet voor. Ze is in deze wereld onuitvoerbaar, ook als grondwetsartikel. Op de grens tussen God en de geschiedenis staan de martelaren. Deze kunnen aan het nageslacht wel hun geloofsgetuigenis nalaten, de belijdenis van hun vrijheid in Christus, maar niet de politieke gewetensvrijheid. Ze betuigen juist door hun einde dat daarvoor in deze wereld geen plaats is. Iedere zware historische crisis, zoals in onze dagen die van het vraagstuk van de oorlog, brengt dat opnieuw aan 't licht.
De vrijheid, die de Reformatie heeft leren kennen, wordt geheel bepaald door onze verhouding tot God, zoals die ons gepredikt wordt in het Evangelie. Luther heeft daaraan in zijn heerlijk geschrift Over de vrijheid van een christenmens klassieke uitdrukking gegeven en Calvijn heeft er een kort maar krachtig hoofdstuk in zijn Institutie aan gewijd.a Bij de eerste is alles nog enigszins middeleeuws gekleurd en doen de taal en de voorstellingswijze der mystiek hun invloed bemerken. De vrijheid wordt beschouwd in het dualistisch schema van ziel en lichaam. De ziel is vrij en het lichaam dient. Bij Calvijn is de gedachtenontwikkeling gericht op afbakening tegenover de grote kerkelijke en politieke vraagstukken van zijn dagen, die hij verderop in zijn boek behandelt. Deze worden door Luther ook wel besproken in de beide andere van zijn reformatorische geschriften van 1520 Over de Babylonische gevangenschap en zijn schrijven Aan de christelijke Duitse adel,b maar zo systematisch als bij Calvijn kan de bespreking nog niet zijn. Het is de ure der Reformatie en de tijd van organisatie is nog niet gekomen.
Bij beiden echter wordt de christelijke vrijheid in dezelfde zin genomen, als geloofszaak. Kerk en staat en ook de persoonlijke omgang met de naaste rusten niet direct op die vrijheid. Dat was de opvatting van de wederdopers, die een kortsluiting tussen het Koninkrijk der hemelen en deze wereld teweegbrachten, met het bekende gevolg. Voor de reformatoren blijft de vrijheid op de verre en voor zondige mensen veiliger afstand des geloofs verwijderd staan.
Wie mocht menen dat daarmee haar heerlijkheid wegvalt, die raad ik eens het Hooglied te lezen, waarin Luther in het bovengenoemde geschrift haar heeft bezongen. Wanneer de ziel het Evangeliewoord heeft, dan heeft ze daarin spijze, vreugde, vrede, licht, kunst, gerechtigheid, waarheid, wijsheid en vrijheid en alle goed bovenmate. De deugden van het Woord delen zich aan haar mede. Daar kan geen enkel goed werk tegen op, want geen daarvan hangt zo aan het Woord als het geloof. Daarom is een christenmens vrij. Hij behoeft niets meer te doen om zalig te worden. Ook Gods eer is er het meest mee gediend. Men eert God het best door Hem te geloven en te vertrouwen. Zo begint - zegt Luther met een mystische uitdrukking - de 'fröhliche Wirtschaft'c tussen Christus en de ziel, waarin de gelovige tot koninklijke en priesterlijke rang wordt verheven. Door zijn koninkrijk heeft hij macht over alle dingen; door zijn priesterschap macht over God.
Het is duidelijk dat deze vrijheid geen aanleiding geeft tot zedelijke overmoed. Ze zal, juist omgekeerd, omdat ze tegenover God bestaat, alleen in ootmoed kunnen bezeten worden. Het is niet waar dat het protestantisme te karakteriseren zou zijn als een blanco vrijheidsbeginsel: vrijzinnigheid in de kerk en liberalisme in de politiek. Met zulk een formeel iets heeft het niets te maken. De vrijheidsidee der reformatoren is zeer materieel. Ze houdt in de belijdenis van goddelijke waarheden en niet de proclamatie van menselijke leuzen.
Dat ontslaat ons echter niet van de plicht haar verhouding tot de wereld te bepalen. Luther en Calvijn hebben dat beide gedaan. De laatste op zo ingrijpende wijze, dat daardoor de loop der geschiedenis voor honderden jaren is bepaald. De consequenties, die ze uit de christelijke vrijheid trekken voor het leven, zijn echter alle van indirecte aard. In die vrijheid staan ze met het aangezicht naar God en wat daaruit volgt voor de wereld kan niet regelrecht afgeleid worden. Men kan zeggen dat ze met minimumeisen zijn opgetreden en aan de maatschappelijke, kerkelijke en politieke orde, die op een andere wijze uit God vloeit dan hun christelijke vrijheid, hebben ze ook om des gewetenswille' eerbied betoond. Formeel genomen is dat ontzag voor de orde juist kenmerkend voor hen. De eenheid en autoriteit der kerk hebben ze niet principieel prijs gegeven en de koningen voor het koningschap van Christus niet verworpen. Echte revolutielanden liggen niet in de reformatorische zone. De revolutie om de revolutie, als sport van menselijke vrijheid, is daar onbekend. Die vindt men meer in roomse streken.
Naast deze formele, regelrechte erkenning van de orde der wereld valt echter wat ze materieel, op indirecte wijze hebben bijgedragen, nog royaal genoeg uit. Het minimum, waarvoor ze met hun leven instonden, verloochent niet zijn afkomst uit de goddelijke overvloed van hun christelijke vrijheid en gaat ver uit boven het maximum van vele holle en schriele leuzen, waarvan de geschiedenis ook weet. Het is iets wat ons 'toegeworpen' wordt als eerst het koninkrijk Gods gezocht is.
Er schiet nog wel wat voor deze wereld over, als men Luther zijn ethiek hoort verklaren. Omdat de vrije christenmens voor God niets meer te doen heeft om zalig te worden, heeft hij de hele tijd van zijn leven beschikbaar om voor zijn naaste te werken. Daartoe moet hij dan zijn leven met goede tucht krachtig maken en brengen tot gelijkvormigheid met de innerlijke mens. Overigens moet ieder aan zijn geloof genoeg hebben. Leven en werk moet hij besteden om zijn medemens in liefde te dienen. Christus heeft ook niets voor zichzelf gedaan en Hij deed alleen werken waartoe Hij niet verplicht was. Zo moeten ook wij onze vrijheid gebruiken.