De schimmen der barthianen1
Oog en Oor is een numineuze rubriek. Zo los uit de lucht of uit de krant op ons gericht, nog wel met bril en hoorn gewapend, doen deze organen onze aardse wezenlijkheid sterk verminderen. Men voelt zich een hoopje schijn of schuim worden en merkt de trekking van het schimmenrijk beneden zich; bij zo gereduceerde bestaansgraad het enige toevluchtsoord.
Blijkbaar is dit de verklaring van het verdwijnen van alle barthianen in den lande sedert 7 augustus, toen de rubriek hen fixeerde.2 Tegen zoiets komt men niet op. Men luistert met religieuze schroom naar het verhaal van de metamorfose en na afloop 'zwijgen allen', zou Ovidius zeggen. De heer P.H. Muller in zijn Ingezonden van 21 augustus heeft het blijkbaar ook zo opgevat.3 Hij legt er zich bij neer dat het 'alweer voorbij' is. Alleen vind ik het een beetje hard als hij hen nu nog ter verantwoording roept. Men kan een kikker niet meer verantwoordelijk stellen voor wat hij als boer misdaan heeft. Overigens haalt deze onbillijkheid niet bij de hoon van de rubriek zelf, als ze deze schaduwen uitnodigt om voortaan existentieel te denken.
Er komt echter nog een zeldzame complicatie bij. Prof. Van der Leeuw was in het Weekblad een reeks Dogmatische brieven begonnen.4 Wat hij daarin geeft zou men Barth in huisjes kunnen noemen. In het eerste stuk betoogt hij tegenover zijn vriend dat er binnen in ons niet een geestelijk wezentje zit, een miniatuurgod, die gelooft, maar dat wij geloven met het lichaam en de kleren erbij. In het tweede wijst hij hem de lijn van het geloof, die, al stijgende, zich hoe langer hoe verder van ons verwijdert, zodat het schijnt dat we er hoe langer hoe minder mee te maken hebben. En in het derde merkt hij op dat theologie dan pas belangrijk wordt als we horen wat God over ons te zeggen heeft en dat ons woord 'God' een verlegenheidswoord is, een uitroep aan de grens van ons kennen en bestaan.
Dat is een kwaad geval. Er blijft geen twijfel over: Van der Leeuw is ook onder de schimmen. We zullen geen brief meer van hem te lezen krijgen. Ik vind dat zo jammer dat ik wil proberen of er niets aan te doen is. Ik zal als advocatus diaboli optreden. Ik zou me zelf geen barthiaan willen noemen, al ben ik van de familie en kom dus voor deze rol in aanmerking.
Het komt me voor dat mijn eerste plicht is de schrik voor het numineuze van de rubriek te overwinnen. Dat Oor, hoe lang ook, moet toch ergens vast zitten. En vermoedelijk wel aan een mensenhoofd. Moor of christen, dat kan men bij een anonieme rubriek nooit vast weten, maar in elk geval een sterfelijk wezen. ⚑En nu laat ik verder mijn Lucianus-toon varen om in goed-Hollands mijn mening te zeggen. Ik vind dat Oog en Oor geen rubriek is om over zulke dingen te schrijven. De steller van het stukje heeft blijkbaar verdriet beleefd van de jongste theologische evoluties. Hij spreekt over schelden en razernij. Wie? Waar? Ik herinner me niet dat in de theologenwereld ten onzent zoiets heeft plaats gehad als omstreeks het jaar 80 in de letterkunde. De heer Muller klaagt er juist over dat de vrienden van Barth zich stil hebben gehouden. Vermoedelijk zal het op het academieleven betrekking hebben. Welnu, wie gunt een student zijn dispuut niet?
Voor zover echter de bedoeling is in het theologisch debat in te grijpen, moet ik deze manier van behandeling wraken. De rubriek lijkt mij bestemd voor het vangen van kleine vossen in de wijngaard; voor dingetjes, die wel eens een keer gezegd moeten worden, zonder dat iemand lust heeft daar deftig zijn naam onder te zetten. Ik meen echter dat men een verschuiving van alle stukken in de theologie, als we bezig zijn mee te maken, niet met een 'oogje' en een 'oortje' moet afdoen.
Ik voet weinig voor een doop met de naam van Barth. Ongetwijfeld heeft hij door zijn persoon en Kommentar een geweldige stoot gegeven. Maar de stand van godsdienstig leven en denken in ons land wettigt het toch niet dat we allen ineens op een drafje achter Barth zouden gaan lopen. De scherp getrokken figuur van zijn theologie is ook niet bestemd om zo te blijven staan. Het is een belichting. Maar een belichting van onze Europese cultuur en godsdienstigheid. En die gaan voorbij met gedruis. In zover gaat Barth ook voorbij.
Dat is het echter niet wat de schrijver in Oog en Oor van 7 augustus bedoelt. Hij meent dat het een relletje is, onder studenten, misschien ook enkele dominees, en dat we langzamerhand weer tot het existentiële van ons degelijk Hollands bestaan terugkeren.
Ik vrees dat de schrijver het geweld van onze existentie niet gepeild heeft, toen hij dat schreef. Als de vloed opkomt aan de kust lopen de golven ook telkens terug. Maar toch ziet men de wandelaars steeds meer hogerop lopen, naar de duinkant toe. Prof. Van der Leeuw in zijn Dogmatische brieven is er is er een van.
Vindt men wat er om ons heen in Europa gebeurt nog niet genoeg om enige onrust in de theologie te verklaren? Moeten we over God en Christus en de Kerk denken en spreken zonder enig verband met wat er nu in Rusland, Italië, Duitsland of Engeland gebeurt? Zouden we met preken van Van der Palm of Stichtelijke uren van Beets onder leden van de Bond der Goddelozen5 in Rusland kunnen evangeliseren?
Ik vind het nog zo dwaas niet om tussen de negentiende en twintigste eeuw onderscheid te maken, ook voor de theologie..
Wanneer iemand de negentiende-eeuwse godgeleerdheid beslist op dezelfde voet wil voortzetten en doorpraten over persoonlijkheid, cultuur, schriftkritiek enz. op de manier, die we ons zo goed herinneren, dan moet hij dat zelf weten. Maar dan mag hij zich niet verwonderen als er anderen zijn die vinden dat we daaraan nu weinig hebben en er niet veel mee kunnen uitrichten. We hebben echte theologie nodig waarin gehandeld wordt over God, Christus, de Heilige Geest en de Kerk. Het klinkt vreemd als men dat modieus hoort noemen. Het waarachtig existentiële is ook geen tegenstelling met het dialectische. Het is er de hoogste exponent van. Geen dialectiek is zo bewegelijk, ook niet die van de bewegelijke Barth, dat zij het bij kan houden. Onze bewegelijke, dialectische tijd is tegelijk existentieel. We waren vergeten dat er goddelozen op de wereld waren ofschoon de bijbel er vol van is en we waren vergeten dat we 't zelf waren. Nu komen ze zichzelf aanmelden. De theologen vooral dachten in de persoonlijkheid een eeuwigheidskern, een vast punt in ons leven gevonden te hebben, een vluchtheuvel binnen in ons. Onze tijd leert ons dat ons bestaan, onze existentie, veel meer met stof en tijd en massa in elk opzicht is saamgeweven dan we meenden.
Moeten we ons van al deze dingen niets aantrekken?6