Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 3 · p. 634–636

Weergave

De schimmen der barthianen1

Oog en Oor is een numineuze rubriek. Zo los uit de lucht of uit de krant op ons gericht, nog wel met bril en hoorn gewapend, doen deze organen onze aardse wezenlijkheid sterk verminderen. Men voelt zich een hoopje schijn of schuim worden en merkt de trekking van het schimmenrijk beneden zich; bij zo gereduceerde bestaansgraad het enige toevluchtsoord.

Blijkbaar is dit de verklaring van het verdwijnen van alle barthianen in den lande sedert 7 augustus, toen de rubriek hen fixeerde.2 Tegen zoiets komt men niet op. Men luistert met religieuze schroom naar het verhaal van de metamorfose en na afloop 'zwijgen allen', zou Ovidius zeggen. De heer P.H. Muller in zijn Ingezonden van 21 augustus heeft het blijkbaar ook zo opgevat.3 Hij legt er zich bij neer dat het 'alweer voorbij' is. Alleen vind ik het een beetje hard als hij hen nu nog ter verantwoording roept. Men kan een kikker niet meer verantwoordelijk stellen voor wat hij als boer misdaan heeft. Overigens haalt deze onbillijkheid niet bij de hoon van de rubriek zelf, als ze deze schaduwen uitnodigt om voortaan existentieel te denken.

Er komt echter nog een zeldzame complicatie bij. Prof. Van der Leeuw was in het Weekblad een reeks Dogmatische brieven begonnen.4 Wat hij daarin geeft zou men Barth in huisjes kunnen noemen. In het eerste stuk betoogt hij tegenover zijn vriend dat er binnen in ons niet een geestelijk wezentje zit, een miniatuurgod, die gelooft, maar dat wij geloven met het lichaam en de kleren erbij. In het tweede wijst hij hem de lijn van het geloof, die, al stijgende, zich hoe langer hoe verder van ons verwijdert, zodat het schijnt dat we er hoe langer hoe minder mee te maken hebben. En in het derde merkt hij op dat theologie dan pas belangrijk wordt als we horen wat God over ons te zeggen heeft en dat ons woord 'God' een verlegenheidswoord is, een uitroep aan de grens van ons kennen en bestaan.

Dat is een kwaad geval. Er blijft geen twijfel over: Van der Leeuw is ook onder de schimmen. We zullen geen brief meer van hem te lezen krijgen. Ik vind dat zo jammer dat ik wil proberen of er niets aan te doen is. Ik zal als advocatus diaboli optreden. Ik zou me zelf geen barthiaan willen noemen, al ben ik van de familie en kom dus voor deze rol in aanmerking.

Het komt me voor dat mijn eerste plicht is de schrik voor het numineuze van de rubriek te overwinnen. Dat Oor, hoe lang ook, moet toch ergens vast zitten. En vermoedelijk wel aan een mensenhoofd. Moor of christen, dat kan men bij een anonieme rubriek nooit vast weten, maar in elk geval een sterfelijk wezen. ⚑En nu laat ik verder mijn Lucianus-toon varen om in goed-Hollands mijn mening te zeggen. Ik vind dat Oog en Oor geen rubriek is om over zulke dingen te schrijven. De steller van het stukje heeft blijkbaar verdriet beleefd van de jongste theologische evoluties. Hij spreekt over schelden en razernij. Wie? Waar? Ik herinner me niet dat in de theologenwereld ten onzent zoiets heeft plaats gehad als omstreeks het jaar 80 in de letterkunde. De heer Muller klaagt er juist over dat de vrienden van Barth zich stil hebben gehouden. Vermoedelijk zal het op het academieleven betrekking hebben. Welnu, wie gunt een student zijn dispuut niet?

Voor zover echter de bedoeling is in het theologisch debat in te grijpen, moet ik deze manier van behandeling wraken. De rubriek lijkt mij bestemd voor het vangen van kleine vossen in de wijngaard; voor dingetjes, die wel eens een keer gezegd moeten worden, zonder dat iemand lust heeft daar deftig zijn naam onder te zetten. Ik meen echter dat men een verschuiving van alle stukken in de theologie, als we bezig zijn mee te maken, niet met een 'oogje' en een 'oortje' moet afdoen.

Ik voet weinig voor een doop met de naam van Barth. Ongetwijfeld heeft hij door zijn persoon en Kommentar een geweldige stoot gegeven. Maar de stand van godsdienstig leven en denken in ons land wettigt het toch niet dat we allen ineens op een drafje achter Barth zouden gaan lopen. De scherp getrokken figuur van zijn theologie is ook niet bestemd om zo te blijven staan. Het is een belichting. Maar een belichting van onze Europese cultuur en godsdienstigheid. En die gaan voorbij met gedruis. In zover gaat Barth ook voorbij.

Dat is het echter niet wat de schrijver in Oog en Oor van 7 augustus bedoelt. Hij meent dat het een relletje is, onder studenten, misschien ook enkele dominees, en dat we langzamerhand weer tot het existentiële van ons degelijk Hollands bestaan terugkeren.

Ik vrees dat de schrijver het geweld van onze existentie niet gepeild heeft, toen hij dat schreef. Als de vloed opkomt aan de kust lopen de golven ook telkens terug. Maar toch ziet men de wandelaars steeds meer hogerop lopen, naar de duinkant toe. Prof. Van der Leeuw in zijn Dogmatische brieven is er is er een van.

Vindt men wat er om ons heen in Europa gebeurt nog niet genoeg om enige onrust in de theologie te verklaren? Moeten we over God en Christus en de Kerk denken en spreken zonder enig verband met wat er nu in Rusland, Italië, Duitsland of Engeland gebeurt? Zouden we met preken van Van der Palm of Stichtelijke uren van Beets onder leden van de Bond der Goddelozen5 in Rusland kunnen evangeliseren?

Ik vind het nog zo dwaas niet om tussen de negentiende en twintigste eeuw onderscheid te maken, ook voor de theologie..

Wanneer iemand de negentiende-eeuwse godgeleerdheid beslist op dezelfde voet wil voortzetten en doorpraten over persoonlijkheid, cultuur, schriftkritiek enz. op de manier, die we ons zo goed herinneren, dan moet hij dat zelf weten. Maar dan mag hij zich niet verwonderen als er anderen zijn die vinden dat we daaraan nu weinig hebben en er niet veel mee kunnen uitrichten. We hebben echte theologie nodig waarin gehandeld wordt over God, Christus, de Heilige Geest en de Kerk. Het klinkt vreemd als men dat modieus hoort noemen. Het waarachtig existentiële is ook geen tegenstelling met het dialectische. Het is er de hoogste exponent van. Geen dialectiek is zo bewegelijk, ook niet die van de bewegelijke Barth, dat zij het bij kan houden. Onze bewegelijke, dialectische tijd is tegelijk existentieel. We waren vergeten dat er goddelozen op de wereld waren ofschoon de bijbel er vol van is en we waren vergeten dat we 't zelf waren. Nu komen ze zichzelf aanmelden. De theologen vooral dachten in de persoonlijkheid een eeuwigheidskern, een vast punt in ons leven gevonden te hebben, een vluchtheuvel binnen in ons. Onze tijd leert ons dat ons bestaan, onze existentie, veel meer met stof en tijd en massa in elk opzicht is saamgeweven dan we meenden.

Moeten we ons van al deze dingen niets aantrekken?6

Eindnoten

  1. 1

    N. publiceerde De schimmen der barthianen in AWCC. 7 (1930/3 1) nr. 45, p. 4 v.↩

  2. 2

    Oog en Oor was een anonieme rubriek die wekelijks verscheen in AWCC. In de kop van deze rubriek - daarop zinspeelt N. in het begin van zijn artikel - was veelal een bril en een hoorn afgebeeld. De tekst van de rubriek in WCC. 7 (1930/31) nr. 40 (7 augustus), waartegen N. polemiseert, luidt als volgt: Barth al weer voorbij!

    Deze week had ik drie merkwaardige ontmoetingen. Een groepje theologen verzekerde mij dat het met de actualiteit van Barth c.s. al weer gedaan was. Een gestudeerd leek vertelde dat de periode der 'dialectische' theologie was afgesloten. En een van de grootste boekhandels in de stad mijner inwoning, die het kan weten, sprak er zijn grote verwondering over uit dat het met de verkoop der barthiaanse boeken op zijn eind liep. Het scheen met de belangstelling niet meer te willen vlotten.

    Ontmoetingen als deze zijn wel geschikt om iemand even stil te maken. Daar staat in onze samenleving een groep mannen op, die het Woord van God aan onze generatie menen te moeten brengen. Zij spreken kennelijk onder opdracht. Als een stormwind vaart de werking van hun optreden door de nieuwere theologie, hier en daar ook door het kerkelijke leven. Wat zij voor de gehele theologische en kerkelijke situatie hebben betekend, kan moeilijk worden overschat. Maar nauwelijks hebben zij 'n paar jaar gesproken en 'n ongeëvenaarde beweging opgeroepen of hun tijd is, naar de mening der toeschouwers, al weer voorbij. Deze verkondigers van het Woord van God zijn niet actueel meer! Er moet weer iets anders komen. Hun boeken worden niet zoveel meer gekocht. Het wachten is op wat anders.

    Daar breekt in onze samenleving een beweging door, die ondanks haarzelf voor zeer velen zonder enige twijfel een mode-artikel is geworden. Als een soort kramp trok 't barthianisme door veler gemeenschap. Hele reeksen van mensen die de strijd des geloofs ernstig strijden, werden door hele en halve deskundigen op de publieke prijscourant ver beneden de prijs aangeboden. Sommigen scholden, door razernij gegrepen, rondom zich en verklaarden allen die hun standpunt niet konden delen voor onverbeterlijke humanisten of theologische non-valeurs. Ook wie eigenlijk in hun hart geen barthianen waren, deden soms aan de furie mee, want men moet wel eens oppassen dat men er niet helemaal naast komt te liggen. Van de honderd geestdriftigen hadden er geen negentig de Römerbrief in zijn geheel gelezen ... En men vervreemdde ondertussen hele groepen van elkaar, die anders in onderlinge harmonie hadden kunnen samenwerken! Alles om het barthianisme!

    En nu? Wij hebben Barth al weer gehad! De dialectische periode is weer voorbij! Nu moet er weer eens wat nieuws komen. Wat? Mij dunkt, een elementair antwoord van de zijde dergenen, die eertijds in groten getale barthianen waren en het nu niet meer zijn, op deze vraag: wat is existentieel denken? Ondanks alles schijnt men na zoveel jaren barthianisme het gewicht van deze vraag nauwelijks te hebben begrepen. Want er is geen tegenstelling die dieper ingrijpt dan die van het existentiële en het modieuze.↩

  3. 3

    In de rubriek Ingezonden van AWCC. 7 (1930/31) nr. 42 (21 augustus) verscheen het volgende schrijven van P. H. Muller:

    Met belangstelling las ik het stukje: Barth al weer voorbij! dat in nr. 40 (7 aug. jl.) voorkomt. U sta mij toe dat ik daarbij een enkele kanttekening maak.

    Op gezag van de schrijver wil ik graag geloven dat in de kring der theologen Barth eigenlijk alweer heeft afgedaan. Maar dan ook alleen dáár. Het kerkelijke en buitenkerkelijke publiek 'kent' Barth naar mijn overtuiging in 't geheel niet. zomin als Brunner. Thurneysen en zomin als Aulén. Rimestam. Anders Nygren e.a.

    En mijn grief is dat ik daarbij moet voegen: dankzij de geringe zorg van die theologen die, zich noemende barthianen, zich tot heden geen de geringste moeite gegeven hebben om tijdschriftartikelen te geven betreffende de Zwitserse theologie in 't algemeen en haar hoofdfiguren in 't bijzonder, nóch ook maar één der uitgaven uit het Kaiser-Verlag-fonds te vertalen. Alleen is van Brunner pas verschenen De theologie der crisis en van Thurneysen diens mooie boekje over Dostojewski. Van Barth niets.

    De Zweedse theologie is beter vertegenwoordigd met vertalingen van Söderblom en zijn leerlingen Aulén. Anders Nygren, Rimestam.

    Waarom heeft niemand van al de predikanten bijv., die verschillende van Barths werken in hun kast hebben staan. er nooit een van toegankelijk gemaakt voor zijn gemeenteleden? En ... hebben er in 't Algemeen Weekblad al eens artikelen gestaan. welke de lezers voorlichten konden over de arbeid en de inzichten der genoemde 'Zwitsers'?

    Zolang Barth nog 'in tel' was bij onze theologen hadden wij hoop er ook nog wel eens wat van te zullen bemerken. Nu hij 'alweer voorbij' blijkt, zullen wij leken die hoop om met zijn werk in Nederlandse vertaling te mogen kennismaken wel kunnen opgeven.

    Ook het bekende Furche-Verlag bevat een vrij groot aantal boeken, die te onzent zeker zouden 'gaan' (bijv. het werkje Gottes Reich und unsere Tat). Waarom is er niemand die ze vertaalt en niemand die ze uitgeeft?

    P.H. Muller (1901-1964), christelijk literator, leider van een Tehuis voor Jonge Mannen te Eindhoven, die zich als autodidact in de theologie bekwaamde. Hij publiceerde regelmatig in bladen als het AWCC., De Vriend des Huizes en Op den Uitkijk.↩

  4. 4

    G. van der Leeuw publiceerde zijn Dogmatische brieven resp. in AWCC. 7 (1930/ 3 1) nrs. 34, 37, 40; 45, 50; in 8 (1931/32) nrs. 2, 8, 13, 18, 24, 30, 32, 35, 40, 44, 48; in 9 (1932/33) nrs. 2, 6, 11, 13, 15, 18, 24, 27, 30. 33, 35.

    Herdruk in Dogmatische brieven, Amsterdam 1933. In zijn 'Brieven' behandelde Van der Leeuw het Apostolicum.↩

  5. 5

    Met de Bond der Goddelozen doelt N. op de tijdens de Russische revolutie ontstane godlozenbeweging (Bezjbozjniki), die vanaf 1926 Bond van Militante Godlozen heette.

    Deze bond maakte antireligieuze propaganda op grote schaal. Haar activiteiten werden in 1941 opgeschort in verband met de Duitse inval in de Sowjet-Unie en na 1945 op andere wijze voortgezet.↩

  6. 6

    Hierop volgde de reactie van de schrijver van Oog en Oor:

    Ds. Noordmans heeft het door hem bestreden stukje verkeerd begrepen. Wanneer hij het artikel nog eens overleest zal hij zien dat het optreden van Barth en de zijnen daar met dankbaarheid wordt vermeld. Er wordt uitdrukkelijk gezegd dat deze mannen kennelijk onder opdracht hebben gesproken en dat hun betekenis moeilijk kan worden overschat. Duidelijker kan het niet. Hoe ds. Noordmans uit het stukje kan afleiden dat wij volgens de schrijver tot de dagen van Van der Palm en Beets zouden moeten terugkeren, is volstrekt duister. Ook is uit geen enkele regel af te leiden dat het existentiële 'met ons degelijk Hollands bestaan' moet worden gelijkgesteld. Dit alles - en meer - berust op misverstand. Gelijkt hier en daar ook wel een beetje op een karikatuur.

    Wat er bedoeld wordt, is dit. Het is bekend dat er modeverschijnselen bestaan. Bepaalde boeken. zoals het boek van Spengler e.a.. worden een tijdlang door allen geprezen en daarna vergeten. Bij uitingen als deze kan men dit modieuze verdragen. Maar het wordt uitermate pijnlijk en volstrekt onaannemelijk, zo niet erger, wanneer het getuigenis van een groep mannen door een meerderheid die dit getuigenis eerst als Godsgetuigenis heeft geëerbiedigd op precies dezelfde wijze wordt behandeld. Toch is dit geschied. Een gans zeer groot heir beweerde door Barths getuigenis van het Woord van God te zijn gegrepen. Wie bezwaren had, werd bij Van der Palm en Beets ingedeeld. Nu is Barth bij de meesten van hen niet actueel meer. De opmerking is dus volkomen gewettigd dat de massa der zogenaamde barthianen meer begrip bleek te hebben van het modieuze dan van het existentiële. Als Elia of Johannes de Doper terugkeerden, zouden zij tegenwoordig na een tijdje ook niet actueel meer zijn. Precies als in de bioscoop.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet onder Weergave de correcties aan om de verbeterde OCR-fouten en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← De theologie van BarthInhoudIk ben met Barth onder hetzelfde oordeel →