Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 3 · p. 639–644

Weergave

Ik ben met Barth onder hetzelfde oordeel1

In een opstel in een bundel2 heb ik mij enkele opmerkingen veroorloofd naar aanleiding van de Prolegomenaa van prof. Barth. Ze betroffen de functie van de tijd in de prediking en het geloof en konden worden beschouwd als betrekking hebbend op de vraag van de continuïteit. Men heeft ze de nieuwe continuïteitsleer genoemd en mij gevraagd er in deze bijeenkomst iets over te zeggen. Na de verschijning van bedoeld opstel heb ik die gedachten in een bepaalde richting meer uitgewerkt in een beknopte bespreking van de dogmatiek.3⚑

Ik begin met op te merken dat er alle reden is om tegen continuïteit op onze hoede te zijn. De moderne theologie heeft zich in die richting misgaan en men kan misschien zeggen dat de continuïteit haar Jerobeamszonde is. Van de theologen der negentiende eeuw kan men bijna zonder uitzondering zeggen dat ze daarin gewandeld hebben. Nergens mocht een opening zijn. Sprongen mogen niet voorkomen. Het aristotelische denken kent wel scheiding tussen de verschillende posities. Het syllogisme is een geblinddoekt overspringen van de ene dekking naar de andere. Het denken van Descartes wil continu zijn. Denken is het trekken van een fosforiserende streep die men volgen kan.

Barth noemt deze continuïteit een existentieel-ontologische.b Men kan ze ook psychologisch of mathematisch noemen. Wanneer het existentieel-ontologische op de voorgrond wordt gezet, is daarmee bedoeld dat dit is de moderne manier van theologiseren. Het woord is daarbij heel sterk uitgeschakeld. En het denken regeert.

Maar ook tegen de theologie die in de sleutel van Aristoteles is gezet wordt bezwaar ingebracht. Hier heeft het woord wel betekenis. De aristotelische logica hangt met de spraak nauw samen. Het syllogisme is gebouwd op de samenvoeging van subject en predikaat. De samenhang blijft min of meer duister. De zin der woorden beslist. De oude theologen werkten met de zgn. wettige (legitieme) consequentie.

Woord. Tegen dit in woorden (verbaal) gegeven zijn komt nu de dialectische theologie ook in verzet. Tegenover het 'es gibt' van Rome stelt prof. Barth het actus purusc van de kerk. Dat slaat niet alleen op de sacramenten van de roomsen, het opus operatum, maar ook op het opus operatum der woorden. Eén-maal gesproken hebben ze dan hun loop, hun logische, psychologische, morele, religieuze consequenties. En niet alleen consequenties.

Een woord heeft ook dynamis. Het werkt als het sacrament. In al deze gevallen betekent het gerustheid. Men wordt rustig, verstandelijk en moreel in de omtrek van het woord. En ook wat het woord werkt, de ernst, de kracht bezit geen continuïteit. Wij kunnen niet van ernst tot ernst of van kracht tot kracht steeds voortgaan. Het woord is geen koord waarop ik naar de eeuwigheid kan dansen. Ook epi xurou akmès kan ik er niet heen wandelen. Er is eenvoudig geen brug. Noch met de moderne theologie kan ik mij ideëel of metafysisch vereeuwigen, noch met Rome aan de hand van de traditie - traditie in de wijdste zin genomen - naar de eeuwigheid begeven.d

Schrift. Deze discontinuïteit wordt nu allereerst tot uitdrukking gebracht door nadruk te leggen op de locus de sacra Scriptura.e De Schrift werkt minder continu dan de traditie. Zij blijft op haar plaats en gaat niet mee. Zij werkt telkens weer van het begin af. De Heilige Schrift betekent herhaling, geen conclusie. Teruggaan op, niet meegaan met.

Successie. Maar dan gaat het continuïteits-criticisme verder, ook ten opzichte van de Schrift. De verkondiging uit de Schrift schept geen verhouding van goddelijk en menselijk zijn, niet een verhouding van oorzaak en werking. De verkondiging is primair Dei loquentis persona. fDe band is niet zakelijk, maar persoonlijk. De successie is de werkvorm. Deze successie mag geen traditie worden; geen overgang van geest op geest of van mond tot mond. Dan krijgen we een geestelijk ras.g De leer van Gods woord is de enige goede analogie van de Triniteit. (Das ist eben keine Rasse!)

Geopenbaard, geschreven, verkondigd; Vader, Zoon en Geest. De overgang is niet zakelijk, maar de benadering van het wezen plaatst mij telkens tegenover een andere persoon. Het Woord Gods geschiedt, geldt, werkt. Van het fenomeen mogen wij niet tot het existentiële teruggaan. Wij blijven theologen en drijven geen metafysica. De uitgang is rondgang en voert tot het eerste principe, de eerste persoon terug.

Wezen. Maar ook de fenomenologie wordt uitgeschakeld na het existentiële. Wij mogen niet spreken van het wezen van Gods woord. Slechts terugkijkend kunnen wij ervan spreken, als een herinnering, en op grond daarvan als een verwachting.h

Deze herinnering is niet augustiniaans, neoplatonisch op te vatten, maar historisch-bijbels.i Wij hebben dus niets in ons waarmee wij het wezen fenomenologisch zouden kunnen zoeken te bepalen; ook niet iets voor ons om het fenomenologisch te bepalen. Het Woord blijft actus purus, onaanschouwelijk, onberekenbaar. Het is wel waarheid, maar geen algemene waarheid; het is nieuwe, scheppende, toekomstige waarheid.

Tijd. Hier treedt nu het begrip tijd op. Maar ook hier gaat de continuïteitskritiek verder. Het zijn geen tijdruimtes die in elkaar overgaan. Dat is de nieuwe theologie. Wij hebben geen direct inzicht in de continuïteit van de tijd. Wij kunnen de gelijktijdigheid niet exegetisch fabriceren. De profeten, Christus, de apostelen, de kerk hebben elk hun eigen tijd. Ze liggen niet in elkaars verlengde. Het zijn machten, hogere machten van elkaar. Zoals de bijbel in onderscheiding van de traditie, zo houden de tijden van de bijbel een eigen betrekking tot ons en een eigen macht over ons. Het inzicht in de methode van gelijktijdigheid is ons niet gegeven. De Heilige Geest maakt geschiedenis'j

Woord. Hier is dan een theologie van het Woord gegeven, Woord als Wort. Het Woord is hier niet zo naakt als een oordeel genomen als in de Römerbrief. De verkondiging is hier de omgeworpen mantel van het vicariaat.k Het is Christus, gehuld in zijn Evangelie (Calvijn).l Epitheta van dit Woord zijn de volgende: het Woord is geestelijk, persoonlijk, opzettelijk;m gelijktijdig, machtig, beslissend.n De intentie van het spreken is hier afgebeeld.

Heilige Geest. En toch blijft dit Woord een geheimenis. Het is een Ereignis, een gebeuren. Het geestelijke, persoonlijke, opzettelijke, gelijktijdige, de macht, de beslissing in het Woord, die maken dat het zijn reiskleed (vicariaatsmantel) van in de tijd gaand Woord aflegt en tot een laatste Woord wordt. Hier is de grens. Het Woord blijkt Geest te zijn, Heilige Geest, waarvoor elke methode onvruchtbaar is. Zonder aanknopingspunt wekt het een sidderende zekerheid die onweerstaanbaar is.o

Fenomenologie. Een kennisleer is hier niet op te stellen. De begripsmatigheid van dit Woord is mystiek. Een fenomenologie daarvan moet worden afgewezen.p Van een wezen ervan kan men niet spreken.4

In de Prolegomena, in de beschouwingen over het Woord daarin, zie ik een poging om van het dubbele spoor van de Römerbrief, de straffe theologie van de oordelen waardoor alle dingen naar twee kanten uiteengeslagen worden, over te gaan op enkel spoor, waarop het Woord als drager van een intentie in bepaalde zin, als gebonden voertuig van waarheid, als beslag leggend op het ogenblik, als persoonlijke macht benaderd wordt. Ik zie hierin een dichtere benadering van de gereformeerde theologie.

Maar heeft prof. Barth die gereformeerde theologie hier niet over haar eigen grens gedreven? Of heeft hij misschien haar zoeken te benaderen met voorstellen die luthers zijn en die hij verfijnd heeft om de theologie van het dynamische Woord te benaderen, zonder daarin zuiver congeniaal te zijn, zodat hij de eigenheid van het gereformeerde niet kan bereiken?

Kritiek, antwoord

Ik denk nu aan de door mij onderstreepte gezichtspunten. Ik begin met het laatste: fenomenologie. Loopt deze beschrijving van het wezen van het Woord Gods als rede, daad en geheimenis geheel zonder fenomenologie af? Wanneer al deze hoofdstukken door, rechts en links, naar de zijde van de modernen en Rome of de orthodoxie, hele reeksen van opvattingen worden afgewezen, is dat dan mogelijk zonder dat er een zekere contemplatie geoefend wordt, een schouwen van het wezen van het Woord, een zekere projectie van het geheimenis op het bewustzijn, een beeld in een bepaald vlak, waar men de trekken kan aflezen die in staat stellen om kritisch te zijn tegenover andere voorstellingen?

Wel is hier de bedoeling om de fenomenologie uit te schakelen ten gunste van de macht van de Geest. Maar behoudt de gereformeerde theologie niet enkele voordelen van eenvoud en zakelijkheid, theologische aanpak, zuiverheid ten opzichte van filosofische bijmengsels en criteria, morele geaardheid-van-huis-uit, waardoor zij tegenover de gesteldheid des geestes in het land van Luther en van de idealistische filosofie in het voordeel blijft? Heeft de gereformeerde theologie een zo fijn kritisch apparaat nodig? Moet zij eerst zo fenomenologisch zijn om dan de fenomenologie ook 'ein zu klammern'? Heft het echte Woord dit schouwen in het wezen niet van meet af aan min of meer op en is er in het Woord niet dadelijk meer beweging, macht, werking, zodat deze niet door uitschakeling behoeven te worden verkregen?

Heilige Geest. Ik ga verder van achteren op en kom aan het begrip Heilige Geest. Prof. Barth ontmoet de Heilige Geest in zijn Prolegomena voor het eerst, als 't aan het laatste Woord toekomt. Het Woord vindt dan zijn grens en wordt tot Geest, het doel waartoe het gezonden is. Een werk waarvoor geen methode bestaat, omdat de Geest het doet. Het geheim van het Woord komt uit. Hier bestaat slechts mystisch begrip. Alle fenomenologie valt weg.

Ik vraag: is hier geen rest van idealisme, als men zo het Woord als het laatste Woord tot Geest laat worden? Treedt de Heilige Geest hier niet te laat op? Wordt hij zo niet teveel een deus ex machina en is het nodig de zekerheid daardoor zo sidderend te maken? Moeten wij onze moeder, de kerk, en de Heilige Geest, de Geest der gemeenschap, zó geheel anders leren kennen als onze aardse moeder, dat wij in haar het laatste Woord en niet het eerste leren? Moet de Heilige Geest - ik laat dit gevaarlijke beeld varen - niet minder mysterieus worden gedacht in verband met het Woord, zodat Hij als de Spreker wordt geweten van het publieke, verkondigde Woord, waarmee men - sit venia verbo - vertrouwd raakt? Is de gereformeerde theologie hier niet realistischer? Is hier van 'Offenbarung' tot verkondiging niet een voortgang, niet alleen logisch, maar ook theologisch, niet alleen 'in Bezug auf Zeit', maar ook 'auf Wort'? 'Ist das letzte verkündigte' Woord, 'das Wort des Geistes in nämlichen Sinne schaffend und heilend als das erste, schaffende, urteilende?' 'Ist er nicht mehr Wort', troostender? 'Hat Jesu Kommen nichts gemildert?'

Wort. Ik ga weer een schrede terug naar het begin. Wat is het Woord? Het is heel moeilijk een kritische opvatting van het Woord te geven. Het Woord is vooral in het westen bekend: Rome, de gereformeerden. De idee in het oosten, Griekenland, Duitsland. Kan de Griek, de Germaan ooit recht de betekenis van het Woord als zodanig bepalen? Heeft Plato of Kant dat gekund? Zoals Paulus en Calvijn? Als men zegt dat het Woord geschiedt, dan is dit een grote vereenvoudiging 'der Reihe': geopenbaard, geschreven, verkondigd. Prof. Barth is tegen dit criticisme op zijn hoede.

Hij onderscheidt drieërlei tijd.q Er is hiërarchie in de tijden en de antecessor blijft boven de successor staan.r Maar toch wordt de successie niet een rechte processie. In de gereformeerde theologie is dit meer het geval. Openbaring, Schrift en verkondiging gaan meer samen in de optocht. De exegese heeft er meer bindende betekenis. Er is minder stilstand bij de successor en wachten op de antecessor. Zij buitelen niet over elkaar, maar gaan in elkaar op. Dat is de volheid van het eigenlijke Woord. Hier kan het Woord gaan. Het heeft tijdbinding aan zich. De tijden staan niet zo kritisch op elkaar, maar hun vereniging maakt juist het geheim van het Woord uit, en achter het Woord van de Geest. Het Woord omspant verleden en toekomst zonder het heden uit te sluiten. En als het in het heden verschijnt vallen verleden en toekomst niet van schrik achterover. Het Woord is in zijn wezen binding. Dat 'Wort geht nicht quer über den Weg', steekt eigenlijk niet dwars over tussen subject en object. Zulke waarheid is het niet. Het is waarheid die verleden en toekomst verbindt. Het is gaande waarheid en pas daarom kan het tot limiet het gebeuren, de werking, de overgang hebben. Deze praktische zin van het Woord is het best tot uitdrukking gekomen in de gereformeerde theologie. En wij moeten toezien dat wij deze binding niet losmaken.

Tijd. Ik kom nu tot het tijdsbegrip. Wanneer ik hoor spreken van herinnering en verwachting in verband met het Woord, dan is voor mij daarbij de astronomische tijd te veel op de voorgrond gekomen. Prof. Barth wil ook rekening houden met de theologische tijd. Hij voert een hiërarchie van tijden in. Maar daarin speur ik weer iets van de Griekse gedachte. Bij de gereformeerden is het Woord nog minder idee dan hier. Een eigenlijke hiërarchie is er niet mogelijk. Openbaring, Schrift en verkondiging doordringen elkaar op zeer eenvoudige, nederige, pastorale manier. De openbaring dwingt de bijbeltekst niet verschrikkelijk te zijn. En de letter der Schrift verbiedt de verkondiging spreken niet. De herder Israëls, de goede herder uit het Evangelie, de Heilige Geest als leider in de waarheid als Pastor, en de pastor die preekt, werken aan een pastoraat. Het behoeft geen pastorale te zijn. Maar pastoraat toch wel. De tijden gaan, vloeien theologisch inéén. Zoals het geloof zich in de kerk tot leven rekt, zo rekt de belofte zich in het Woord en krijgt een dimensie in de tijd. De gelovige gaat voor het Woord uit. Hij weet van de inhoud die hij zal aantreffen als hij gaat. Hij gaat in de kracht van die spijze. Men kan het Woord niet doormidden breken in verleden en toekomst.

De theologische tijd, die eigen is aan het Woord, aan de beloften in het Evangelie, aan de Heilige Geest als onderpand, is de levensvorm der kerk. Ik geloof niet dat we de siddering tot het wezen van het geloof moeten maken, evenmin als het wagen. Het geloof rust in het Woord niet alleen momenteel, maar al voortgaande. De troost der volhardings (perseverantia) mag niet weggenomen worden.

Het wezen van Woord en tijd in deze zin te bepalen is heel moeilijk. Prof. Barth wil dan ook niet van het wezen van Gods woord spreken. Ik heb het daarover reeds gehad. Maar toch ben ik er in verband met het bovenstaande niet zo zeker van of hij niet te veel fenomenologie heeft. Woord en fenomenologie passen niet bij elkaar. Wezen en Woord verhouden zich als zwijgen en spreken. Als we het Woord geheel tot Ereignis maken en het over zijn eigen grens drijven, wordt de fenomenologie weer mogelijk. Een Ereignis is een wezen in beweging. Maar dat is geen Woord. Om het Woord te leren kennen moet men horen, niet schouwen. God heeft ons daarvoor de pastorale, de theologische tijd gegeven. Het heden der genade. Dat is een gerekt ⚑heden. 'Eine theologische Existenz heute.'

Voetnoten

  1. a

    N. gaat hier in op Barths KD. I/1, dat als titel heeft: Die Lehre vom Wort Gottes. Prolegomena zur kirchlichen Dogmatik, München 1932.↩

  2. b

    KD. I/1. p. 37, 41.↩

  3. c

    KD. I/1. p. 40 v.↩

  4. d

    Zie voor deze alinea KD. 1/ 1, p. 56 vv.↩

  5. e

    KD. I/ 1, p. 107.↩

  6. f

    KD. 1 / 1, p. 141.↩

  7. g

    KD. 1 / ],p. 107.↩

  8. h

    Vgl. KD. 1 / 1, p.128 v., 136,↩

  9. i

    KD. I/ 1, p. 103.↩

  10. j

    KD. I / 1, p. 150 vv.↩

  11. k

    Vgl. KD. 1/ 1, p. 97.↩

  12. l

    Inst. III, 2,6.↩

  13. m

    KD. I/ 1, p. 138-146.↩

  14. n

    KD. I / 1, p. 150-168.↩

  15. o

    KD. I/1, p. 189 vv., 237.↩

  16. p

    KD. 1/ 1, p. 232 v.↩

  17. q

    KD. I/ 1, p. 150.↩

  18. r

    KD. I / 1, p. 106 v.↩

  19. s

    Vgl. Leerregels van Dordt, art. 5, 13.↩

Eindnoten

  1. 1

    N. hield zijn lezing Ik ben met Barth onder hetzelfde oordeel op 16 maart 1935 te Amsterdam. misschien ter gelegenheid van een ontmoeting met Barth. Waarschijnlijk heeft N. de lezing in het Duits uitgesproken: daarop wijzen de in het manuscript telkens bijgeschreven Duitse termen (die overigens niet opgenomen zijn) en enkele Duitse zinnen in de tekst.↩

  2. 2

    Het kerkelijk dogma, verschenen in de bundel De openbaring der verborgenheid, Baarn 1934. Zie VW., dl. 2. p. 170-195. m.n. p. 194, noot 1.

    De tekst van de hier opgenomen lezing vertoont dezelfde gedachtengang als de tweede helft van Het kerkelijk dogma.↩

  3. 3

    N. doelt hier op zijn Herschepping, Zeist 1934. Zie VW., dl. 2, p. 214-322. m.n. p. 318. noot 1↩

  4. 4

    Terzijde: Scheppingswoord is geesteswoord.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet onder Weergave de correcties aan om de verbeterde OCR-fouten en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← De schimmen der barthianenInhoudHet probleem van de continuïteit binnen de dialectische theologie →