Gunning en de kerk1
Gunning werd steeds vergezeld door een bewegelijke stoet ideeën van velerlei herkomst, die een prachtig escorte vormden rondom zijn edele geest. Toch is er één gedachte, die trouwer aan zijn zijde ging dan al de andere; door hem ook 't meest geëerd. Het is de idee der kerk. - Deze heeft bij 't klimmen van zijn jaren steeds meer beslag op hem gelegd. Sommigen hebben het een obsessie genoemd. Ik denk liever aan oude trouw die, zoals het spreekwoord zegt, tot een zielenknoop wordt.
Hiermee is reeds gezegd dat ik niet instem met een zeer gangbare mening: dat Gunning de laatste jaren van zijn leven min of meer met zijn verleden gebroken zou hebben. Alsof hij al-zijn-leven ethisch geweest en tenslotte confessioneel zou zijn geworden. In de bloei van zijn mannelijke jaren de vrije persoonlijkheid gehuldigd en in zijn grijsheid aan de kerk zijn te weinig betaalde schatting zou hebben bijgepast. Ik geloof niet dat Gunning met vrijheid is begonnen om met dwang te eindigen; precies andersom als Gladstone2 van zichzelf getuigt. En nog minder dat hij levenslang een wijze is geweest om tenslotte in dwaasheid te eindigen.
Iets wat daarop lijkt is wel eens gezegd of liever gefluisterd door hyper-individualistische ethischen, die zich ergerden aan de finale van Gunnings leven. Daartegen moet ik zo sterk mogelijk opkomen. De hooggeestelijke brochure Verlagen wij onszelve niet!a uitgegeven in 1902, midden in de toen aanhangige reorganisatiebeweging, is geen stuk van een lijder aan seniele aftakeling. Gunning heeft in de jaren van zijn emeritaat niet geleden aan aandachtsverenging. Hij bleef trouw ook aan andere liefden van zijn jeugd: Homerus en Plato. Zijn oog is niet verdonkerd. Genoemd vlugschrift, waarin hij spreekt als oud-leraar - ik zeg niet oud-hoogleraar - der Nederlandse Hervormde Kerk, is een rijpe vrucht en geen late, uit nabloei geboren minder edele conceptie. Men kan het Gunnings pastoraal testament noemen. Wanneer men het geschrift legt naast andere, uit een polemiek met Groen van Prinsterer, dan treft ons hoe, bij gelijkheid van grondlijnen, de gedachten aan gehalte en gezag gewonnen hebben. In 1864 het geluid van een hoog-ernstig predikant; in 1902 de stem van een bisschop, die in het aangezicht van de dood zijn ziel bevrijdt en de gemeente vermaant.
Als ik dus iets ga zeggen over Gunning en de kerk, dan ligt daarin niets gewilds. Ik stel dat voorop omdat het zou kunnen schijnen wèl het geval te zijn. Kuyper en kerk zijn bijna correlativa. Wanneer hij geen kerk vond dan maakte hij er een. Hoedemaker en kerk is al een even natuurlijke verbinding. Na zijn afscheid van de Vrije Universiteit was zijn leven gewijd aan de reorganisatiebeweging. Cannegieter3 was de scherpzinnige kenner van het kerkrecht en kampioen voor leervrijheid. Maar Gunning lijkt in deze orde van geesten niet thuis te horen. Er waren vele leerlingen van Gunning in den lande. Maar inzake kerk noemde hij zichzelf op 't eind van zijn leven zeer bescheiden nog een leerling. De kerkelijke voorstellen, die hij van tijd tot tijd deed, zoals in 1884 dat van de zelfstandigheid der gemeenten,b vonden geen bijval. Ze maken de indruk in de gegeven omstandigheden onpraktisch te zijn; te principieel en te weinig op de werkelijke toestanden berekend. Zo stelt Gunning in 1886 voor om de schorsing der tachtig kerkeraadsleden te Amsterdam op te heffen,c ofschoon hij de wettigheid daarvan erkent. Hij vindt die wettigheid echter voor het geweten der gemeente niet evident genoeg. Hij wil de strijd tussen synodaal en dolerend nog eens overdoen zo, dat het verschil tussen 'hervormd' en 'gereformeerd' beginsel beter uitkomt. Zulk een voorslag geeft blijk van een hoge opvatting van de kerkelijke strijd. Maar onder de partijen wekte hij nauwelijks meer dan een schouderophalen.
Gelijke indruk maakten naar rechts en links dikwijls de voorstellen in de richtingstrijd tussen orthodox en modern. De modernen wees Gunning in de kerk een plaats aan onder de Wet, omdat ze onder het Evangelie niet wilden leven. De orthodoxen hield hij voor dat tuchtoefening zonder geestelijke bevoegdheid evenzeer een wettische, onevangelische handelwijze was. Zijn voorstellen moesten dan dienen om in de kerk aan beide partijen ruimte voor bekering te laten. Geen wonder dat men ze als onpraktisch beschouwde.
Neen, een kerkelijke figuur in de gewone zin van het woord is Gunning niet geweest. Zijn kerkelijke kleur heeft hij zelf beschreven in een spreuk, die de titel vormt van een academische rede in 1897. Zij luidt Hooger dan de kerk. - De oorzaak van de kerkelijke misstanden, zo leert Gunning daar, is niet gelegen in de gewone partij-geschilpunten. "Niet de kerkelijke kwestie is het, met welke wij in de grond te doen hebben." "Parochiale indeling, wijziging van onze belijdenis naar 'de eisen des tijds', krachtige confessionele tucht of goedgewaarborgde vrijheid voor allen in alles - niets zou baten, omdat de oorzaak van het euvel hoger dan de kerk ligt. Het is de heilige toorn des Heren onder wiens ban wij liggen."d
Hiermee schijnt Gunning zich buiten de kerkelijke arena te plaatsen. Want dit zijn bij hem geen gemeenplaatsen, die stichtelijkheidshalve van tijd tot tijd in een betoog worden geplaatst. Het is de hoofdtoon, de monotone hoofdtoon, die altijd doorklinkt in zijn geschriften over de kerk, van het begin tot het einde.
Velen hebben Gunning dan ook gezien als een idealist, die voor de concrete werkelijkheid van het kerkelijk leven geen rechte aandacht kon hebben, doch slechts een platonische. Een individualist, die het geestelijk leven zag als cultuur van een edele, christelijke persoonlijkheid, maar zich niet kon voegen in het volle leven van een volkskerk. - Dit is niet juist. Gunning is ook als kerkelijk man een figuur van de eerste rang. Het 'hoger dan de kerk' betekent in zijn mond geen mystische of individualistische afwijzing der kerkgemeenschap. Voor hem ligt daarin het sterkste accent, dat het woord en de idee der kerk kunnen krijgen. Het is een hulde aan het Hoofd der kerk, Jezus Christus. Een bede om de Heilige Geest en de gemeenschap der heiligen.
Gunning ziet de kerk niet als een plat vlak waarin lijnen getrokken zijn die de richtingen verdelen, zodat het er voor de gemeenteleden op aan zou komen belijnd te zijn. Het aankweken van deze belijndheid wraakt hij in Kuyper. Zij rekent niet met het zedelijk karakter der waarheid. - Gunning is ook belijnd. Maar hij trekt de lijnen minder op de platte grond der kerkelijke wereld. De scheidslijnen lopen voor hem verticaal. God is er meer in betrokken. We hoorden het reeds in een boven gedane aanhaling: de partijschappen zijn gevolg van Gods toorn. Daarom zijn het geen particuliere meningen, maar ze hebben een bovenpersoonlijke achtergrond. De scheidslijn kan niet scherp tussen twee mensen getrokken worden. Wel tussen twee uitspraken: de belijdenis en de loochening van Christus: de erkenning van een Godsopenbaring en de ontkenning daarvan. Hier achtte Gunning elke veflauwing der grenzen uit den boze.
Tot de zondige afplatting van de idee der kerk rekent Gunning ook het tijdsverloop der kerkgeschiedenis. "Voor een wereldtoestand als welke nu reeds negentien eeuwen duurt. is de kerk des Heren niet geschikt noch er op berekend."e De eerste gemeente wachtte terecht op de wederkomst des Heren onmiddellijk. De zonde der kerk staat in nauw verband met haar uitbreiding in ruimte en tijd. De eerste gemeente is verticaal gericht, het aangezicht niet naar horizonten maar naar het zenit gewend.
'Hoger dan de kerk' is bij Gunning geen negatie, maar elevatie, adoratie confessie. Deze drie: zielsverheffing, aanbidding, belijdenis zocht hij in de kerk.
"Vele jaren heb ik met smart", zo klaagt hij het zijn Leidse leerlingen, "de zwakheid van mijn eigen geestelijk leven zien wortelen - behalve in dingen wier beschrijving tot de binnenkamer behoort, ook - in het gemis van een kerk, die mij droeg. Het is uit nood der eigen ziel dat ik mijn zwakke stem verhef: niet om een theorie, - om levensbehoud is het mij te doen."f Deze ontroerende woorden, die de herinnering aan een parallel in Kuypers Confidentieg oproepen, nemen wel het laatste vermoeden van het individualisme weg. Wie zo spreekt eert de kerk als zijn eigen moeder, gelijk Augustinus.
Wanneer Gunning dan in de kerkelijke wereld soms als een outsider is aangezien, dan moet dat hieraan liggen dat zijn houding belangrijk verschilt van de gangbare; niet daaraan dat hij geen belijnde gedachten over de kerk of krachtige gemeentelijke belangstelling zou hebben gehad. Zonder overdrijving mag worden gezegd dat hij de ganse tijd van zijn leven op iedere lijn van zijn kerkbegrip de hele druk van leven en arbeid heeft gezet. Naar links en rechts heeft hij - de irenische - tegenover Zaalberg4 en Kuyper de broederhand geweigerd. Onder zuchten en tranen heeft deze universele geest zichzelf de veren uit de vleugelen getrokken om in het nest der kerk - om met Augustinus te spreken - met de allereenvoudigsten zich de veren te kunnen laten wassen voor de eeuwigheid.h Ook zijn kerkgaan getuigt hiervan, wat niet van alle bovengenoemde kerkelijke figuren kan worden gezegd. Gunning kerkte tijdig en ontijdig. Des zondags en in de week. In roomse en protestantse kerken. Bij kohlbruggianen, confessionelen en ethischen.
Gunning heeft de lijnen van zijn kerkbegrip, al leek hij ze menige tijdgenoot onduidelijk in het zand te schrijven, in werkelijkheid als in koper gegraveerd. En het komt mij voor dat het beeld thans reeds veel duidelijker zichtbaar is dan voor zijn tijdgenoten. Het is nauwelijks meer een vraag welke opvattingen de toekomst zullen hebben; de meer populaire, praktische van Groen en Kuyper of de onpraktische van Gunning.
Wij willen daarom trachten enkele lijnen in het oog te vatten. Ik moet daarbij apophatisch beginnen, dwz. enige malen zeggen hoe het niet is. Daarbij ga ik weer uit van het devies: hoger dan de kerk. Dat is niet zo bedoeld alsof het geestelijk leven te hoog of te heilig zou zijn voor gemiddelde en gewone toestanden of mensen. Zulk een fijne hoogmoed of mystische afgescheidenheid heeft Gunning er allerminst in gelegd. Juist het omgekeerde.
Men sta mij toe hier een merkwaardige uitspraak van hem aan te halen op een ander gebied: de schriftkritiek. Gunning bestrijdt in 1897 degenen, die bijbelkritiek veroordelen, met het argument: dat zij ook kritiek uitoefenen en nog wel op de Heilige Geest zelf "als zou Hij niet met historische en andere feilen op menselijk-wetenschappelijk gebied kunnen samengaan".i De Heilige Geest is niet hoogmoedig maar nederig als Christus. En zo denkt Gunning ook over Geest en Kerk. Evengoed als de Heilige Geest in de Schrift met menselijke feilen kan samenwonen, wil Hij het ook in de kerk.
Hieruit blijkt dat de ruimtelijke en tijdelijke uitbreiding der kerk als zodanig geen beletsel is voor Christus om te komen. Kerkgeschiedenis is op zichzelf nog geen afval van de Heer en kerkelijke toestanden, vol menselijke feilen, houden de Geest niet ver van de gemeente. - De zonde der gemeente is echter dat die toestanden worden vastgelegd en gewettigd; de partijschappen als vanzelfsprekend worden opgevat en de pluriformiteit der kerk als een ideaal wordt omhoog gehouden. Gunning vermaant dat wij, om op de rechte wijze in de kerk te zijn, hebben op te klimmen tot Hem, die haar Hoofd is, Jezus Christusj - Dan komt tegenover de pluriformiteit der kerk de Una Sancta naar voren. De partijen worden opgeroepen tot belijdenis. En in de bestaande wantoestanden wordt de eis der bekering gehoord.
Eenheid, belijdenis, bekering. Van deze drie heeft Gunning levenslang het praktisch karakter, de toepasselijkheid in gegeven omstandigheden, moeten verdedigen. Tegenover Groen betoogde hij in 1864 dat de confessionelen bij uitsluiting een afzetting of een verbod als een daad beschouwden. Hij vindt dat juist onpraktisch. Degenen die juridische leertucht drijven, blijven steeds in algemeenheden hangen en zeggen nooit duidelijk waar ze zullen beginnen en ophouden. Tegenover deze, de menigte uitwendig in beweging brengende daden, plaatst Gunning de eis der bekering, de daad onder het kruis; het opnemen van de treurige erfenis der ingewikkelde en valse toestanden, die buiten ons toedoen op ons gekomen zijn.k - Zo wordt ook de belijdenis als een echte daad der gemeente gesteld boven het onpraktische handhaven van eèn geschreven belijdenis. - En eindelijk wordt Gunning nooit moe te betogen dat onder de bestaande partijschappen de eenheid slechts door een hogere praktijk, door een daad in eminente zin, de erkenning van 's Heren heerschappij in de kerk, kan herwonnen worden. Daarbij vergeleken blijft alle schipperen ondoelmatig. Men moet: niet bij elkander houden maar uit de grond opbouwen. lAls het leven der kerk daalt, zo zegt Gunning met Von der Goltz,5 wordt ze een vaderlands belang.m Dan vreest men haar uiteenvallen meer dan men Christus' heerschappij begeert.
Ik geloof dat deze hogere praktijk, in onderscheiding van gewone kerkelijke politiek, langs alle drie genoemde lijnen naar voren komt in onze tijd. Een eigenlijke oplossing van het kerkelijk vraagstuk is er niet. De proef met een belijdenis-kerk wordt onder onze ogen genomen en ze gaat zeker niet restloos op. Het richtingvraagstuk in onze kerk blijkt hoe langer hoe meer onontwarbaar. En de pluriforniteit der kerk wordt in wijde kring niet zo grif meer als rijkdom maar vaak als armoede gevoeld. Alles roept om de hogere praktijk waarvan Gunning de profeet is geweest. De toepassing van het onpraktische wordt verlangd. Verwarde toestanden vormen daarvoor geen bezwaar. De Heilige Geest kan wel samengaan met menselijke feilen. Hoogmoedig is alleen de verdraagzaamheid, die boven alle overtuigingen verheft.n In de partijschap maant Gunning niet tot verdraagzaamheid, de geestelijkheid van de platte grond. Maar tot de verticale geestelijkheid, de ootmoed.
Dat Gunnings kerkbegrip voor onze tijd weer zo actueel wordt is voor mij het beste bewijs van de afwezigheid van fijne hoogmoed en mystische afgescheidenheid.
Ik moet mijn apophatische beschrijving nog even voortzetten en nog eens zeggen hoe het niet is. Gunnings kerkbegrip is ook niet abstract. Het is te begrijpen dat men een man, die in de partijstrijd nooit van heler harte kon meedoen. er van verdacht. Maar de waarheid is dat hij een zeer concreet denkbeeld van de kerk had. Mensen waren het. levende wezens en geen algemene begrippen. Als hij van de Vaderlandse Kerk opklimt tot de Heilige Algemene, dan is dat geen abstractie. Als Gunning in 1863, in de kleine brochure Vorm en geest schrft: 'Het Genootschap vergaat, de kerk blijft',o dan is hij geen spiritualist. Hij denkt zich dan de kerk als toekomstig Koninkrijk. En in 1902 betekent de leus: eerst Christus. dan de kerk evenmin iets afgetrokkens. Christus op de voorgrond stellen is de kerk zien in haar Hoofd, als een levend wezen. De gemeente is voor Gunning een hiërarchie van personen, een stelsel van geestelijke gaven, bedieningen en werkingen (verg. 1 Kor. 12). Slechts in zulk een concreet, persoonlijk verband acht hij vergeving der zonden en wasdom van geestelijk leven mogelijk. "Want mijn zonde is te groot dan dat ik haar vergeving uit eigen of anderer gedachten omtrent Gods barmhartigheid en genade, of zelfs uit een boek, de bijbel, mij toeëigenen kan. De Heer zelf, langs zijn eigen door hem gestelde weg, moet mij haar persoonlijk toespreken."p Niet talent, maar volmacht maakt het wezen van het pastorale ambt uit.
Toen Gunning deze gedachten in 1902 uitsprak, was hij het dichtst tot de bestaande toestanden in de Hervormde Kerk genaderd. Naar de aard van zijn waarachtig geloofsleven werd hij aan het eind van zijn leven het gewoonst. Hij was toen dichter bij de gemiddelde kerkmensen, de vaderlandse kerkgeschiedenis, de classicale vergaderingen, dan ooit tevoren. Het lijkt wel alsof de apostelen en profeten van vroeger gewone ouderlingen en diakenen zijn geworden te Babyloniënbroek of ergens elders. - Maar men vergist zich als men waant dat het 'hoger dan de kerk' hier vergeten is. Het toont slechts hoe concreet het bedoeld is. Hoezeer het om mensen te doen is. Hoe Gunning het volk zoekt om zich van zijn opdracht van Christus' wege te kwijten.
De richting van Gunnings denken is ook toen verticaal gebleven. Het is geen populaire belangstelling in bestaande toestanden of Voetiaanse6 aandacht voor kerkrecht. Ook niet als Gunning verklaart, dat 'de zaak zelve' qvroeger in ons land geweest is. Gunning blijft onder alles de man die vroeger gezegd heeft dat men voor kerkherstel niet drie, maar negentien eeuwen moet teruggaan en dat alleen het apostolische christendom waarachtig modern is.r
Concreet is dus Gunnings kerkbegrip. Maar verticaal-concreet. Het concrete zit niet in kerkrechtelijke mogelijkheden en aannemelijke oplossingen van geschillen. Het is geloofsrealisme. Gunning acht, wat hij gelooft, wezenlijker dan het gegevene. Wanneer hij zegt: herstel der classicale vergaderingen, dan wil dat eigenlijk zeggen: herstel van apostelen en profeten. Ik herinner mij een kleine bijeenkomst met Gunning als middelpunt op 't laatst van zijn leven, waartoe ik mede was uitgenodigd. Gunning overbrugde toen de afstand tussen ideaal en werkelijkheid, tussen apostelen en kerkeraadsleden met het woord van een dichter: 'Es wächst der 'Mensch mit seinen Zielen.'s
Wanneer de zaak zelve terugkwam, zou dat Gunning niet beletten die afstand scherp in het oog te houden. Hij zou, wanneer er aanleiding toe bestond, niet aarzelen te herhalen, wat hij in 1864 Groen voorhield, toen hij de Haagse kerkeraad vergeleek met de zonen van Sceva uit de Handelingen der Apostelen (Hand. 19 : 13 v.), voor het geval ze het risico van een uitbanning wilden lopen.t Gunning erkende toen dat Karel X recht had om, toen de opstand uitbrak, tot zijn minister te zeggen: men schiete toch op de rebellen. Maar hij vindt toch ook dat deze geen ongelijk had met te antwoorden: ja, Sire, maar wie zal schieten?u
Het concrete van Gunnings kerkbegrip is geloofsrealisme. Het rekent met een Toekomst, die met een grote 't' geschreven wordt. Die ook wel nabij kan zijn, maar dan juist zo ver van ons af als de lengte van het Evangelie. Van ons slechts door een haarbreedte gescheiden; maar dan de haarbreedte der bekering. Alles wat aan deze zijde van deze smalle scheidslijn gedaan wordt is onpraktisch. 't Is organiseren van ongeloof en zonde. Wat aan de overzijde geschiedt is praktisch ook al is het nauwelijks een daad te noemen.
Wat Gunning ziet als de kerk is de heilige processie, waarin patriarchen, profeten, apostelen, martelaren en heiligen voortgaan. Zij zijn in de eeuwigheid ruim zoveel als in de tijd. Zij verkorten de eeuwen en dringen ze samen tot de samenwoning der broederen, die Gunning zo begeert.
Gunning wil daarom niet meedoen aan een eenzijdige verheerlijking der onzichtbare kerk. Rome, zo oordeelt hij, heeft het kerkbegrip verdikt.v De zichtbaarheid van paus en bisschoppen is te grof. Die kerk heeft de voorwaarde, door Jezus in de woestijn afgewezen, aangenomen. "Door menselijke hartstocht verwarmd, erlangt dan die waarheid een voor allen bevattelijke eindigheid, begrensdheid, en een plastische schoonheid die veel levendiger indruk maakt dan de sobere ernst van het onvermengd ware.'w Daartegenover hebben de protestanten een verdunde opvatting van kerk in de onzichtbare. Gunning noemt die opvatting een slaapdrank,x omdat men daardoor aan de plichten der kerk zoekt te ontkomen. - Tussen deze beide moeten wij ons Gunnings kerkbegrip denken. Het herinnert aan de voorstelling, die Israëls profeten van het messiaanse rijk hadden. De afstand daarvan verschuift tussen heden en toekomst en de vormen zijn concreter naarmate ze verder in de toekomst liggen. - Zo schuift ook Gunnings kerkbeeld op en neder. Hoe meer het tegen de eeuwigheid gehouden wordt, des te klaarder en vaster komen de vormen en gestalten op. Men mag misschien zeggen dat Gunnings verlangen naar de kerk vrijwel samenvalt met zijn heimwee naar het hemelleven. - Naarmate echter het heden de bepalende factor is, wordt alles minder duidelijk en komen we in de buurt van de onzichtbare kerk. Dan kan Gunning zeggen dat alleen de wederkomst van Christus hier op aarde zichtbaar is. Dan kan hij het gereformeerde kerktype waarderen om zijn eenvoud en geestelijkheid.
Zo in Vorm en geest (1863): "De gereformeerde, het leven Gods in het hart in zijn onbeschrijfelijke diepte, in zijn verheven, gevaarlijke, dichterlijk-schone onbepaalbaarheid vooropstellende, hecht bovenal aan het innerlijke, aan de bevinding des harten, aan 'hetgeen de Heer aan onze ziel gedaan heeft'. Hem is niet de kerk als gevestigde instelling dierbaar, maar de levende mensen, het volk Gods, de uitverkoren gemeente des Heren.y Gunning voelt volkomen geestelijke gemeenschap met het gereformeerde volk. De eeuwige verkiezing is hem hoofdzaak.
Aldus spreekt Gunning als het heden voorop staat en hij zich bewust wordt van het kerkelijk leven als woestijnreize, armoede en psalmgezang.z
Reeds meer vorm krijgt zijn kerkgestalte als hij zich indenkt in het calvinistisch verleden. "In concentrische kringen en geledingen ordent zich de vaste bouw der kerk. In elk der ordeningen die deze kringen te zamen houden, komen de grondkrachten die dit gemeentelijk leven beheersen tot werking. Met diepe blik en praktische schranderheid is het zó geordend dat telkens de uitnemendste krachten uit de lagere kringen geroepen worden om de hogere te schragen, gelijk wederkerig die hogere in de schone concentratie van het geheel het lager verband omvatten en steunen.'a
Deze fraaie karakteristiek, waarin het persoonlijke van een kerkorde zo mooi uitkomt, houdt echter allerminst een kanonisering van de presbyteriale kerkinrichting in. Gunning meent in Hooger dan de kerk (1897) dat het protestantisme zich halverwege in eigen vorm heeft vastgezet en daarom gestremde boete moet heten.b Het beginsel der boete, der erkenning van alle 'rechtvaardigheid' alleen in God, moest het gehele leven van de christen gelden. Het had ook de kerk moeten gelden.c Gunning meent dat het protestantisme zich te spoedig heeft afgesloten en te weinig een op de Heer wachtende houding heeft aangenomen. Wij moesten daarop terugkomen en de gestremde boete weer opnemen om in ootmoed en ontvankelijkheid de Una Sancta met haar ordeningen de weg te bereiden. Alleen deze laatste mag een systeem hebben, een afgesloten geheel zijn. Want haar ordeningen zijn tegelijk bedieningen, waarin het dienen van Christus wordt voortgezet. Hier wordt het concrete, het vaste, geheel ondervangen door het persoonlijke, wat Gunning reeds afgeschaduwd vindt in de gereformeerde kerkorde waarvan wij boven de beschrijving hebben gelezen. De bedoeling van een kerkorde is de voorwaarden te scheppen, waaronder de Heilige Geest kan samenwonen met menselijke intellectuele en zedelijke feilen. Gunning prijst het in de gereformeerde dat hij, acht hij iemand waarlijk bekeerd, allerlei ketterijen in hem verdraagt, wetende dat het leven Gods in dat hart een correctief is tegen afdwalingen.d Alleen die lijnen van een kerkelijke organisatie mogen vast worden, die kunnen dienen om de vergeving der zonden persoonlijk van het Hoofd Jezus Christus aan de leden over te brengen.
Hierdoor wordt ook Gunnings irenische felheid en zijn militante verdraagzaamheid verklaard. Hij heeft, toen hij naar Den Haag ging, Zaalberg de broederhand geweigerd en hem later de hand boven het hoofd gehouden. Hij ontkende een middenman te zijn en hij is het inderdaad minder dan enig ander kerkelijk leider van zijn tijd. Zo waarschuwt hij in 1896 zijn studenten voor verdraagzaamheid. "Voorwaar", aldus Gunning, "het Trentse concilie, toen het op 4 dec. 1563 met het geroep: vloek over alle ketters, vloek, vloek! uiteenging, stond zedelijk hoger dan de boekman, die rustig op zijn kamer alle overtuigingen als op haar plaats wettig `waardeert', en, zo hij diepte genoeg had om aan Satan te geloven, ook aan hem met zijn aanhang, als persoonlijk oprecht, en bovendien als historisch noodzakelijk dáár zijnde, een `recht der minderheden' in de kerk toewensen zou."e Deze stem komt uit de gesloten orde der heiligen, waar de belijdenis van Christus iedere dissonant uitsluit.
Heel anders klinkt het volgende, in 1901 geschreven: "Voor 50 jaren waren de `liberalen' het sterkst. Nu de `orthodoxen'. Het recht van de sterkste geldt in onze kerk evenals te Pretoria, in Atjeh, Finland of Armenië."f Dit geluid komt uit de laagvlakte, waar hij zijn rechtvaardige ziel kwelt.
Beide uitingen zijn buitengewoon fel, zoals men, zich Gunning uitsluitend irenisch denkend, niet verwacht zou hebben. Ze doen ons zien wat soort middenman Gunning was. Een, uit wiens mond naar twee kanten een zwaard uitging. Het ene is tegen minderheden, het andere tegen een meerderheid gericht.
Wat de tegenstelling `orthodox-modern' betreft, daarin neemt Gunning wel het meest absolute standpunt in van allen. Hier heeft hij de volstrektheid van de middeleeuwer zuiver behouden. In de kerk heerst Christus ongedeeld. Christus niet belijden is de zonde zelve. Wij moeten, zegt Gunning, aanmatigend schijnen.
Wij geloven in rechtstreekse openbaring: theologie in de volle zin des woords. Wij hebben geen orgaan voor openbaring. zodat ieder iets zou opvangen van hogere waarheid. Gods openbaring roept zelf het orgaan in ons wakker. De waarheid brengt haar eigen licht mee.g
Orthodox en modern is niet hetzelfde geloof. Men moet niet naar een formule zoeken om beide te verenigen. Gunning wenst een beslissing in de strijd. Hij verheugt zich daarom in kerkelijke conflicten. hoe pijnlijk ook. Godsdienst mag niet in de plaats van God komen. De modernen staan voor Gunning op het standpunt der Wet, der aspiratie. De kerk leeft van de vervulling, het Evangelie. Desnoods kan men hen op dat voorstadium in de kerk laten. Maar ze mogen omtrent de belijdenis geen onzekerheid scheppen.
Leervrijheid heeft Gunning nooit gewild. Men mocht de kerk niet met het familieleven vergelijken, zegt Gunning reeds in 1860: Doop en Avondmaal wezen de afstand tussen familie en gemeente aan. hIn 1884 acht Gunning uitbannen alleen te vermijden door ignoreren.i Willens en wetens kan men aan belijdenis en loochening geen gelijke rechten toekennen. Van een principieel recht der minderheden wil Gunning niet weten. Tucht en ban noemt hij in 1883 het redmiddel der kerk.j
Het roepen om tucht in zijn laatste periode is dus niet iets nieuws. Gunning beroept zich in 1902 ook zeer nadrukkelijk op de continuïteit van zijn ethisch denken. "Bepaaldelijk Chantepie de la Saussaye kleefde ik aan. kleef ik aan. zal ik blijven aankleven",k verklaart hij in zijn pastoraal testament. Hij beroept er zich op dat De la Saussaye de synodale organisatie `een Nederlandse uitvinding van de negentiende eeuw' genoemd had `en de ongerijmdheid zelve zonder weerga in de geschiedenis.'l Hij klaagt er over dat zijn leermeester `schier van al zijn leerlingen verlaten' is, als hij leert: `Eerst Christus, en dan de kerk.'m
Dit nadruk leggen, in 1902, op de voortduring van zijn ethisch inzicht is wel in de eerste plaats tegen de meer individualistische ethischen gericht, maar het is daarom toch geen bloot gelegenheidsargument. Gunnings gedachten over tucht moeten in het licht van die beginselverklaring worden gezien. Zij krijgen haar ware betekenis pas in verband met zijn verticale kerkbeschouwing, zijn apostolisch ideaal. Haar zin verstaat men pas goed wanneer men er aan denkt dat de lijnen van Gunnings kerkbegrip eerst goed opkomen en vast worden, als men het in hope tegen de eeuwigheid houdt.
Anders wordt het als Gunning het heden, de empirische kerkelijke wereld nabij komt. Dan keert hij zich niet tegen de minderheden, maar tegen de meerderheid. Dan treft hij geen apostelen en profeten aan, maar Hollandse kerkeraadsleden. In plaats van geestelijk gezag een meerderheid, met de macht van het getal. Gunning waarschuwde in 1884 tegen het gebruik van. die macht als iets heidens.n In de staat was dat geoorloofd. Daar mocht een zedelijkheid toegepast worden, die boven het individu uitging. In de kerk echter mocht men niet boven het geweten uitgaan. Dit gold zowel van degene die tucht uitoefende als van hem die ze trof. Een tuchtoefening, waarvan de waarheid niet duidelijk was aan de gemeente, zoals in 1886, vond Gunning verkeerd. Maar evenzo moest ze voor het geweten van de getroffene verstaanbaar zijn.
Zo gaat én tegen minderheid én tegen meerderheid de eis der bekering uit, in naam van de Una Sancta. De belijdende gemeente, zo kan men Gunnings gedachten met zijn eigen woorden samenvatten, is geen middendingo tussen belijdeniskerk en persoonlijk geloof, maar staat er boven. En Gunning, zo voeg ik erbij, is geen middenman, maar een belijder van het enige geloof dat er is.
Wanneer nu tenslotte de vraag oprijst of Gunnings kerkbegrip ook een ontwikkeling vertoont, dan zou ik die willen bevestigen. In 1863 wil hij nog in onzuivere toestanden berusten, mede om het nationale niet op te offeren.p In 1902 is hij losser geworden van de vaderlandse kerk, ofschoon hij zich van meer nabij met haar bezighoudt. De klem van de Una Sancta is toegenomen en al wat daarvoor in de weg staat, ook nationale overwegingen, voelt Gunning als een verlaging.
Daarnaast staat een wijziging van zijn gedachten over vorm en geest. Gunning is begonnen met in de kerk elke vorm te wraken, die niet geestelijk doorademd is. Die wil hij alleen in de staat dulden. Later heeft Gunning erkend dat hij te schuchter is, "te vreesachtig, bang om enige beweging te provoceren die niet zou zijn innerlijke overtuiging".q Misschien moest het Woord Gods meer absoluut boven alles gelden.
Een derde trek is het toenemend ongeduld over de samenvoeging van belijdenis en ontkenning. Gunning wenst een beslissing, met steeds sterker nadruk. "De aanspraak om, bloot om het ruwe plompe feit dat hij er feitelijk is, te gelden, maakt alleen de bandiet."r Dat is voor Gunning geen wettige legitimatie.
Hierbij komt dan nog dat Gunning in zijn laatste jaren de meerderheid van stemmen als uitgangspunt heeft aanvaard. Hij voelt die noodzakelijkheid als een schande en sluit ze in de kring der dingen, die ons verlagen. Maar de schrijver van Verlagen wij onszelve niet! wil met schaamte toch daarmee beginnen, omdat het niet anders kan. Als Dante moet men om de heuvel des lichts op te gaan 'de ene voet in de laagte steunen'.s
Eindelijk zien we bij Gunning een wassend vertrouwen in de geestelijke bevoegdheid van de ambtsdragers in de kerk. Deze acht hij in staat om te oordelen over de dingen, waarover het in de kerk gaat. Want het gaat niet om de wetenschappelijke zijde daarvan. Men oordeelt in de kerk met dezelfde geloofsnaïviteit, waarmee men ook de bijbel leest.
Men kan over deze evoluties van Gunnings gedachten omtrent de kerk verschillend oordelen. Ik kan er niet anders in zien dan een ontwikkeling van zijn apostolisch kerkbegrip. De voortgang van zijn denkbeelden loopt in verticale, niet in horizontale richting. Het is geen toenemende belangstelling in dingen van de tweede rang, maar sterker verlangen naar het allerhoogste. Geen verburgerlijking van zijn geest, geen vaderlandse vergaderzucht of kerkrechtvergoding. - De opoffering van het nationale, het op de voorgrond brengen van het Woord tegenover het geweten, het roepen om tucht, ze wijzen alle drie op een hogere verschijning van de kerk, een openbaring van geest en van waarheid, die met gezag over de harten komt. Een kerk, waarvan Augustinus' woord zou gelden, dat hij het Evangelie niet zou geloven als het gezag der kerk hem daartoe niet bewoog.t Een katholieke kerk.
De beide andere punten die ik noemde: het uitgaan van meerderheidsbesluiten en het vertrouwen in de geestelijke bevoegdheid van ambtsdragers, schijnen in tegenovergestelde richting te wijzen. Toch is dat slechts schijn. Voor het eerste spreekt de verwijzing naar Dante boekdelen. Een meerderheidsbesluit is geen hoogte, geen werk van de Heilige Geest, maar een laagte, een schande. - Het tweede, het toenemend vertrouwen in gewone mensen, is een bewijs dat, hoe verticaler hij over de kerk denkt, hoe meer hij Christus tegenover kerk op de voorgrond plaatst, hij des te milder wordt in zijn beoordeling van mensen. Nog meer dan vroeger maakt hij ernst met zijn geloof dat de Heilige Geest wel kan samengaan met menselijke feilen. De liefde wast. Zijn apostelen en profeten dalen van hun tronen; ze worden kleiner en komen dichter bij; ze komen ter classicale vergadering.
Er is iets buitengewoon beminnelijks in deze laatste fase van Gunnings gedachten over de kerk. Maar het is niet de persoonlijke vriendelijkheid van de grijsaard. Het ligt in de lijn van zijn pastoraal ambt. Hoe hoger hij het gezag schat, dat hem machtigt de vergeving der zonden te betuigen, hoe meer hij deelneemt aan de ontlediging van Christus en aan de nederdaling van de Heilige Geest.
Ik blijf in deze ontwikkeling een voortzetting zien van Gunnings vroegere ideeën. Niet zonder invloed van anderen, met name Hoedemaker, maar ook van Kuyper. Maar toch zeer duidelijk in eigen lijn. Een bewijs daarvan is ook dat hij tot het laatst toe uitbanning, heeft afgewezen.
Met het oog op de toekomst schijnt mij dit kerk-credo, zoals ik het zou willen noemen. nog grote betekenis te hebben. Vooral de wederkerige betrekking tussen Una Sancta en onzichtbare kerk, de overgang van de ene in de andere en weer terug, naarmate men de kerk in het licht van de eeuwigheid of van de tijd ziet, is van grote betekenis. Deze immanente beweging in het dogma der kerk geeft daaraan het karakter van een levend wezen, vol geest en eeuwigheid. Zij herinnert aan de wondere ommegang. die de kerk in het dogma der Drieëenheid aanneemt. Wel is het waar dat wij protestanten altijd en overal zichtbare en onzichtbare kerk onderscheiden. Maar schier overal wordt de zichtbare kerk in mindere mate een geloofsartikel geacht dan de onzichtbare. Dit is bij Gunning niet het geval.
Van hieruit valt ook wel licht op de kerkbeschouwingen van onze tijd. Wanneer de Una Sancta eenzijdig uit het kerk-credo wordt uitgelicht, lopen wij gevaar van verroomsing. De kerk kan het hemelleven toch niet nabootsen. Zij heeft het te geloven. Daartegenover mag gewezen worden op Gunnings liefde voor de kerk der hope en der psalmen, de gereformeerde kerk.
Omgekeerd mag de ernst, de soberheid en de eenvoud van ons gereformeerd kerkelijk leven ons niet tot het andere uiterste brengen. De kerk is voorwerp des geloofs en mag in het zedelijk en maatschappelijk leven niet opgaan. Gunning mag er ons aan herinneren als hij schrijft dat Doop en Avondmaal in de kerk een principieel onderscheid scheppen.u In ons geloof zijn eenheid en heerlijkheid opgesloten en wij protestanten mogen die beide niet vergeten. Gunning doet ons steeds daaraan denken door zijn sterk verlangen naar een katholieke kerk.