Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 3 · p. 368–372

Weergave
Passages naar Readwise sturen

Gunning en de kerk1

Maar men vergist zich als men meent dat het 'hoger dan de kerk' hier vergeten is. Het toont slechts hoe concreet Gunnings kerkbegrip bedoeld is. Hoe hij met mensen te doen heeft en niet met begrippen. Hoe hij met zijn volmacht van Christus' wege het volk zoekt om zich van zijn persoonlijke opdracht te kwijten. Men vergist zich als men denkt dat hij horizontaal is gaan denken en rekent met de kaart van het land. Zijn volle verticale richting heeft Gunning hier behouden. Het concrete is niet dat van bestaande toestanden of van de Dordtse kerkorde, al schijnt het bijna dat Gunning de kerkregering door Woord en Geest daarmee vereenzelvigt, als hij zegt dat 'de zaak zelve' in ons land geweest is. Gunning blijft onder alles de man die veel vroeger gezegd heeft dat men voor kerkherstel niet drie eeuwen, maar negentien eeuwen moet teruggaan. En dat alleen het apostolisch christendom waarlijk modern is. In deze beide uitspraken ligt zijn antithese tegen rechts en links vastgelegd.

Concreet is dus Gunnings kerkbegrip, maar verticaal-concreet. Het concrete ligt niet in kerkrechtelijke mogelijkheden, in aannemelijke modi vivendi. In dat opzicht is Gunning nooit gelukkig geweest. Het is geloofsrealisme. Voor hem was het postulaat des geloofs wezenlijker dan wat men aan gegeven toestanden rondom zich ziet. Wanneer hij zegt: herstel der classicale vergaderingen, dan wil dit eigenlijk zeggen: herstel van apostelen en profeten. Ik hoor het hem nog zeggen op een kleine bijeenkomst,2 waartoe ik mede was uitgenodigd als jong predikant ten huize van zijn schoonzoon op het einde van zijn leven. Hij besprak met ons zijn kerkelijke wensen. De spanning tussen werkelijkheid en ideaal loste hij op door het woord van de dichter aan te halen: 'Es wächst der Mensch mit seinen Zielen.' - De empirische leden der kerkelijke vergadering zouden afdoende uitwassen tot hoger gestalte. Enige ogenblikken manifesteerde zich de afstand op tegenovergestelde wijze. Toen ik hem tot driemaal daarover enige al te nuchtere vragen stelde, verloor de toenmalige voorzitter der synode, de broer van de oud-hoogleraar, zijn geduld en zei dat alles bij herstel der classicale vergaderingen in orde zou komen, waarop professor Gunning plechtig verklaarde het met zijn broer niet eens te zijn en in dit opzicht pessimist te zijn. In de praktijk zou Gunning ongeveer gesproken hebben zoals in 1864 tegenover Groen van Prinsterer in zijn brochure Twee wegen, één doel. Hij vergelijkt de oproep tot uitbanning aan de Haagse kerkeraad met het gevaar dat eens de zonen van Sceva liepen, toen ze, zelf ongeestelijk, boze geesten trachtten te bezweren. Hij erkent dat Karel X recht had om, toen de opstand uitbrak, tot zijn minister te zeggen: men schiete toch op de rebellen. Maar vindt toch dat de minister ook geen ongelijk had toen hij antwoordde: ja, Sire, maar wie zal schieten?

Wie is de man van het heden, wie van de toekomst? Wie is de realist, wie de idealist? Groen of Gunning? Groen zegt: gij zijt idealist met uw toekomstkerk. Er moet wat gedaan worden 'n hei heden. Gunning zegt: gij zijt idealist. Ik reken met het heden, met de werkelijkheid. In de gegeven werkelijkheid is alleen de eis der bekering praktisch.

Het concrete van Gunnings kerkbegrip is geloofsrealisme. Het rekent met een Toekomst die met een grote 't' wordt geschreven. Die ook wel nabij kan zijn, maar dan juist zover van ons af als de lengte van het Evangelie, die van ons slechts door de haarbreedte van de bekering gescheiden is. Alles wat aan deze zijde van die dunne scheidslijn geschiedt is onpraktisch. Het is organiseren van ongeloof en zonde. Wat aan de overzijde gedaan wordt is praktisch, ook al is het nauwelijks een daad te noemen.

Wat Gunning ziet als de concrete kerk, dat is de heilige processie, waarin patriarchen, profeten, apostelen en martelaren, de heiligen aller eeuwen gaan. Ze zijn in de eeuwigheid ruim zoveel als in de tijd. Zij korten de eeuwen en dringen ze samen tot de samenwoning van broederen, die Gunning zo zeer begeert. Zij hebben Christus als hun leidsman.

Deze verticaal-concrete kerkidee bracht Gunning naar zijn volk toe, wanneer hij reeds in 1884 herstel van de classicale vergaderingen vraagt. 'Es wächst der Mensch mit seinen Zielen.' De eis der bekering stellen is alleen praktisch.

Gunning wil daarom niet meedoen aan de eenzijdige, protestantse verheerlijking van de onzichtbare kerk. De roomse kerk, zo oordeelt hij, heeft het kerkbegrip verdikt. De zichtbaarheid van paus en bisschoppen is te grof. Die kerk heeft de voorwaarde, door Jezus in de woestijn afgewezen, aangenomen. Door vermenging van de goddelijke waarheid met wereldse bedoelingen en menselijke hartstocht krijgt de waarheid "een voor allen bevattelijke eindigheid, begrensdheid, en een plastische schoonheid, die veel levendiger indruk maakt dan de sobere ernst van het onvermengd ware." Daartegenover hebben de protestanten een verdunde opvatting van kerk in de onzichtbare kerk. Gunning noemt die onzichtbare kerk een slaapdrank. De kerk is concreet. Christus werkt door organen. Tussen beide in ligt dus het concrete van Gunnings kerkidee. Wanneer wij ons Gunnings kerkbegrip willen denken, komen wij niet uit met onze gewone drie dimensies. Het gaat ook met de tijd als vierde dimensie genomen niet geheel op. Het doet mij denken aan de voorstelling die Israëls profeten van het messiaanse rijk hadden. De distantie en de omtrekken daarvan waren verschuifbaar naar achteren en naar voren, van het heden tot in de verre eeuwigheid. Die voorstelling was een troost in het heden en tegelijk een dogma voor het geloof. Gunnings kerkbegrip staat in regelrecht verband met zijn geloof. Het is een geloofsartikel. Tegen Groen reeds en tot het einde toe legt hij daarop de nadruk. Groen vond dat Gunning geloof des harten en kerkbegrip verwarde. Men kon één zijn in het geloof des harten en verschillen in kerkbegrip.

Gunning bestrijdt dit. Groens juridische kerkbegrip is voor hem een van elders ontleende beschouwing, geen geloofsbezit. Ook tegen de gereformeerden heeft Gunning betoogd dat verschil in kerkbegrip een geloofsverschil is.a Gunnings kerkbegrip is ⚑een dogma.

Het is de leer van de personen en ordeningen Gods waardoor wij verzekerd worden van de vergeving der zonden. De kerk is dus nooit een aardse, grijpbare, naar menselijk kanoniek recht ingerichte priestergemeenschap. Maar ze is evenmin de abstractie daarvan, de onzichtbare kerk, die geen personen en ordeningen kent. Tussen deze beide polen nu schuift Gunnings ⚑kerkbegrip op en neer. Het merkwaardige is dat, hoe hoger de kerkgestalte terugschuift naar de eeuwigheid, naar het dogma, naar de onzichtbare kerk, ze des te concreter wordt. Dan rijzen de gestalten van apostelen en profeten op. Men kan zeggen dat Gunnings verlangen naar de kerk eigenlijk het verlangen is naar het hemelleven met zijn hiërarchieën. Naarmate echter de kerkgestalte naar het heden wordt geschoven, worden haar trekken minder bepaald, meer geestelijk. Dan kan Gunning zeggen, zoals hij deed in 1896, dat alleen de wederkomst van Christus op aarde zichtbaar is.b Dan kan hij in het bijzonder het gereformeerde kerktype waarderen in zijn eenvoud en geestelijkheid. Zo in Vorm en Geest. "De gereformeerde kerk is de kerk der armoede, der poëzie die uit diepe kolken naar boven bruist, van de heldhaftige strijd tegen alle gezag dat het geweten binden wil, der martelaren, der woestijn, der genialiteit, der mystiek. Met haar schitterende eenzijdigheden, haar krachtvolle gevaarlijkheid, en ook met haar hoogverheven psalm-poëzie, haar oneindige diepte van leven des harten - met dit alles is zij mij het heerlijkste dat op aarde gevonden of gedacht kan worden."c

Hier komt Gunning het dichtst bij een zuiver geestelijk kerkbegrip. De heidenen zijn, voor ze in Israël zijn, zegt Gunning tegen Groen in 1864, `geheel op het terrein des Geestes gesteld'.d Hij voelt volkomen geestelijke gemeenschap met het gereformeerde volk. De eeuwige verkiezing is hem hoofdzaak. Het is de leer van Christus in ons wonende door de Heilige Geest.e De lutheraan hecht aan instelling en instituut. De gereformeerde aan het leven Gods in de diepte.f

Zo spreekt Gunning, als hij zich op de grondslag van het heden stelt; dan lossen de gestalten zich op tot geest: kerkelijk leven als martelaarschap en woestijnreize, armoede, psalmgezang.

Reeds meer vorm heeft zijn kerkbegrip als hij in 1884, als hij de Zelfstandigheid der gemeenten propageert, zich indenkt in het calvinistische verleden: "In concentrische kringen en geledingen ordent zich de vaste bouw der kerk. In elk der ordeningen die deze kringen te zamen houden, komen de grondkrachten die dit gemeentelijk leven beheersen tot werking. Met diepe blik en praktische schranderheid is het zó geordend dat telkens de uitnemendste krachten uit de lagere kringen geroepen worden om de hogere te schragen, gelijk wederkerig die hogere in de schone concentratie van het geheel het lager verband omvatten en steunen. Zo ontstaat een bestuur ... door de werking der beproefde en als ervaren gewaarborgde persoonlijkheid.'g

Dit is een mooie karakteristiek van gereformeerd kerkverband. Een der treffendste die ik ken. Men ziet, hier komen dadelijk de ordeningen en personen, het concrete naar voren. Toch de persoonlijkheid het meest. Niet op instelling en instituut ligt de nadruk. Het ligt in de richting van zijn apostelen en profeten, zijn hemelse kerk. Want men mene niet dat Gunning ⚑deze kerkvorm als vaste inrichting zonder meer waardeert. Hij verheerlijkt geen abstractie, maar een geheiligde personengemeenschap. Want voorzover het protestantisme halverwege zich vastgezet heeft in eigen vorm, noemt Gunning het in 1897 in Hooger dan de kerk 'gestremde boete': het beginsel der boete, der bekering, der erkenning der rechtvaardigheid in God alleen, zegt Gunning, had het gehele leven, de gehele kerk moeten gelden. Men vervluchtigde echter de eenheid der kerk tot onzichtbare kerk.h Wij moeten daarop terugkomen en de gestremde boete weer opnemen om de Una Sancta met haar ordeningen de weg te bereiden. Gunning meent dat het protestantisme zich te veel afgesloten heeft en te weinig een op de Heer wachtende houding heeft aangenomen.

Alleen de Una Sancta mag een systeem hebben, een afgesloten geheel zijn. Het is een orde waarin het gezag de vrijheid niet schaadt, maar ondersteunt. Waarin de zwakkere de druk van de sterkere niet ondervindt, maar alleen zijn hulp; waarin de kennis der waarheid de dwalende niet veroordeelt, maar onderwijst. Het is een personengemeenschap, onder het hoofd Christus, een woning waarin een geest woont die wel samen kan gaan met menselijk feilen. Het is een kerk, waarin de vergeving der zonden van het hoofd Christus bij volmacht nederdaalt tot de schuldige.

Hoe hoger wij dus rijzen in het geloofsartikel der kerk, hoe concreter de lijnen worden, hoe meer wij de werkelijkheid van het heden naderen, hoe geestelijker en gedokener het kerkbegrip zich gaat vormen. Dan naderen we de woestijn waarin Christus de voorwaarde van de vermenging met het

aardse, de verleiding der macht, heeft afgewezen. Tussen deze uitersten schuift Gunnings kerkbegrip op en af.

Dit verklaart ook Gunnings ironische felheid en zijn militante vreedzaamheid ...

Voetnoten

  1. a

    De kracht der waarheid tot overwinning, p. 30 v.↩

  2. b

    Vgl. De eenheid der kerk, p. 12 v.↩

  3. c

    Vorm en geest, p. 22.↩

  4. d

    De kracht der waarheid tot overwinning, p. 30↩

  5. e

    Vorm en geest, p. 20.↩

  6. f

    A.w., p. 21.↩

  7. g

    Zelfstandigheid der gemeenten, p. 29v.↩

  8. h

    Hooger dan de kerk!, p. 14 v.↩

Eindnoten

  1. 1

    De lezing over Gunning en de kerk, die ten grondslag lag aan het hiervoor opgenomen gelijknamige opstel, werd door N. gehouden op de najaarsvergadering van de Ethische Vereeniging, die plaatsvond op 30 en 31 oktober 1929 te Laren-Blaricum. Deze vergadering was gewijd 'aan het kerkelijk standpunt van enige vooraanstaande figuren uit kerkelijk Nederland', waarbij elk van deze figuren werd besproken door een geestverwant. Naast N. traden op:

    J.J. Meyer over Tj. Cannegieter P.J. Kromsigt over Ph.J. Hoedemaker J.Geelkerken over A. Kuyper.

    Zie AWCC. 5 (1929) nr. 48, p. 8, en nr. 50, p. 8.

    De lezing is in manuscript bewaard gebleven. Omdat de tekst grotendeels overeenkomt met het door N. zelf gepubliceerde, wordt alleen dat gedeelte opgenomen, dat enkele interessante afwijkingen biedt. De cijfers in margine verwijzen naar GPers. Citaten zijn alleen geannoteerd voor zover ze niet of slechts gedeeltelijk in het voorafgaande opstel voorkomen.↩

  2. 2

    Waarschijnlijk werd deze bijeenkomst in 1905 gehouden in het huis van ds. H. Visser te Workum. H. Visser (1870-1941), hervormd predikant te Idsegahuizen (1895), Workum (1901) en Zwolle (1905-1936), was getrouwd met Gunnings dochter Arnolda (1866-1931). De broer van Gunning, die aanwezig was bij deze bijeenkomst, was E. B. Gunning (1836-1906), o.a. hervormd predikant te Oosthem (1888-1906). Hij was van 1900-1905 lid, in 1905 tevens voorzitter van de Algemene Synode.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet onder Weergave de correcties aan om de verbeterde OCR-fouten en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Gunning en de kerkDeel 3Twee kerkelijke richtingen →