Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 3 · p. 672–674

Weergave

John Knox en Karl Barth1

De Schotse geloofsbelijdenis

Na een bloedige burgeroorlog, waarbij Engelse en Franse troepen meestreden, kwam in Schotland op 7 juli 1560 een vrede tot stand, die aan de natie het recht liet een vrij Parlement te doen samenkomen om over de zaak der religie te beslissen. Deze vergadering kwam op 1 augustus van hetzelfde jaar bijeen en gaf aan een zestal predikanten, waarvan John Knox2 de bekendste is, opdracht tot het opstellen van een geloofsbelijdenis. Dezen kweten zich van hun taak met een zekerheid en een spoed, die evenredig was met hun geloofsijver en met de ernst van het ogenblik. In vier dagen kwamen ze met hun arbeid gereed en zonden die in vijfentwintig artikelen bij het Parlement in. Kar] Müller karakteriseert het stuk als 'calvinistisch, kras anti-rooms, maar op het geloof der oude kerk gegrond'.a

Het is dit eerwaardige document, palladium van het Schotse protestantisme, dat Karl Barth op uitnodiging van de Senaat van de Universiteit Aberdeen in 1937 en 1938 in een reeks 'Gifford-Lectures'3 heeft behandeld. De lezingen zijn opvallend kort wat verklaard moet worden uit de omstandigheid dat ze gedurende één collegeuur ook nog in het Engels vertaald moesten worden. Barth vergoelijkt dit met de opmerking dat hij elders wel eens uitvoeriger geweest is, wat we hem niet zullen bestrijden.

Men kan deze lezingen moeilijk aankondigen zonder met Barth even stil te staan bij de pikante situatie die door de uitnodiging van de Universiteit Aberdeen was ontstaan. De betekenis die de laatste halve eeuw voor de theologie gehad heeft komt daarbij in heel helder licht te staan.

Gifford-lectures voor natuurlijke theologie

Het testament van Lord Gifford, waarbij aan de vier Schotse universiteiten lezingen werden ingesteld, is van 1887. Daarbij verlangt de testamentmaker dat het instituut zal dienen tot verdieping en verbreding van wat men natuurlijke theologie noemt. Dat is een Godskennis die verkregen en medegedeeld wordt op dezelfde wijze als welk wetenschappelijk inzicht ook zonder dat als bron een bijbel en voor instandhouding een kerk behoeft te dienen.

Voor zo'n testament is 1887 al wat een laat jaartal. Maar men mag daarbij niet vergeten dat het in Groot-Brittannië is opgesteld en dat de natuurlijke theologie daar altijd een sterke positie heeft gehad en nog bezit. Trouwens in 1887 vierde de godsdienstwetenschap, in onderscheiding van de godgeleerdheid, ook op het vasteland nog hoogtij, al staat er kentering voor de deur. C. P. Tiele is in 1896 en 1898 een van de eerste Giffordlezers geweest.4 Hij trachtte, geheel naar Engelse smaak, wetten voor het godsdienstig leven te vinden. Veertig jaar later is Barth, die 'Nein'b zegt tegen alle natuurlijke theologie, volgens een zeer liberale interpretatie van het testament van Lord Gifford zijn opvolger, zoals Kraemer,5 de bijbelgeleerde en zendingsman, dat is in Tieles leerstoel te Leiden.

De figuur 1887-1937 heeft ons wel iets te zeggen.

Natuurlijke theologie een intermezzo

Maar dit is een intermezzo. De hele bevlieging met de natuurlijke theologie, al duurt ze ook een paar eeuwen, is een tussenspel: deze emancipatie der theologie van bijbel en kerk heeft geen kerk- of wereldgeschiedenis gemaakt. Wij hebben aansluiting aan de geloofsbelijdenissen der zestiende en zeventiende eeuw over de daartussen gelegen tijden heen. Het zijn geen wanhopig verouderde stukken, zoals velen, ook onder de kerkelijke mensen, ons zouden willen doen geloven.

De betekenis van het boek van Karl Barth is dat het actuele van de Schotse belijdenis van 1560 zo krachtig tot uitdrukking komt. Terecht staat dat ook op de omslag. Daarom schreef ik ook boven deze aankondiging de namen van de zestiende-eeuwse en van de twintigste-eeuwse theoloog.

De keuze van de Schotse belijdenis was een gelukkige. Zij werd in vier dagen tijds uit de nood der omstandigheden geboren en bezit daardoor een eenvoud en een bondigheid, een regelrechte verhouding tot de bijbel, die Karl Müller deed zeggen dat ze steunt op de oude kerk.

Deze oorspronkelijke kracht en frisheid maakt het Karl Barth gemakkelijk haar te vertolken in de taal van onze dagen en haar een woord te laten spreken midden in de kerkstrijd van onze dagen. Wie zou hier in meerdere mate de bevoegdheid hebben om aan John Knox de hand te reiken dan hij?

'Politische Gottesdienst'

Dit komt het duidelijkst uit in de negentiende lezing: over de 'politische Gottesdienst'. Dat is nog iets anders dan wat wij gewend zijn de christelijke politiek te noemen. Die was in de zestiende eeuw niet bekend. Het ging er toen om en het gaat er nu hoe langer hoe meer weer om of men Gode meer gehoorzaam moet zijn dan de mensen. Dat dit het geval is leest men in en nog meer tussen de regels van dit hoofdstuk van Barths boek.

Sommige hoofdstukken, zoals dat meer het geval is bij deze Zwitserse theoloog, vermogen bij de lezer een zeker ongeduld te verwekken. Zij spinnen de dogmatische draad zo zuiver; ze bepalen zich zo uitsluitend tot de afweer van de ketterij van allerlei gading, dat men tenslotte een zekere zakelijkheid gaat missen. Althans de Hollander en nog meer de Engelsman zullen, ook al zullen ze niet willen tegenspreken, toch een groeiende opstandigheid bij zich voelen opkomen, die heel dikwijls een der symptomen van een humanistische geesteshouding, in andere gevallen misschien ook nog iets anders is. En het ergst komt dit tot uiting als het gaat over de 'politische Gottesdienst'. Ik herinner mij een dergelijke stille geërgerdheid nog heel duidelijk van een bespreking, die Barth enige jaren geleden te Amsterdam met enkele figuren uit politieke en juridische kringen had. Hier moet toch eindelijk en tenslotte de daad eens ter sprake komen.

Het merkwaardige van dit boek van Barth is nu dat zijn hoofdstuk over de politieke godsdienst het breedste is. Hier staat de daad dicht achter de woorden. Hier merkt men dat een twintigste-eeuws theoloog aan John Knox de hand geeft.

Concreet

Van daaruit moet men dan in het boek teruggaan. Men zal het van achteren af moeten lezen als men een indruk wil krijgen van de actualiteit van deze publikatie.

Er is onderscheid tussen een dogmatische beslissing en een geloofsbelijdenis. De protestantse geloofsbelijdenissen staan eigenlijk in de preekvorm. Ze hebben een zekere overvloed, die het dogma niet kent. Soms lijkt het mij alsof Barth daar niet aan denkt en op die wijze een mooi artikel, dat leunt tegen de oude kerk, wat te schriel maakt. Soms brengt hem dat bij wijze van reactie weer tot concretiseringen die in een belijdenis als die van 1560 of in een preek niet thuishoren. Zo in de vierde lezing over de ere Gods en de eer des mensen. Hier betoogt hij dat er twee zijn, God en de mens. Dit is wel zo, maar is niet op zijn plaats in een gereformeerd Credo, waar een eigenlijke ⚑leer van de mens ontbreekt en waar men, zoals in de Schotse van 1560 zo mooi uitkomt, de zonde vindt waar men de mens zou zoeken.

Daarom behoort men deze hoofdstukken te lezen in het licht van het negentiende hoofdstuk. Deze dogmatiek is als de logica van Pascal. Zij loopt warm. Tussen haar abstractheid en de daad is geen kloof. Ze is als het er op aankomt niet abstract. Abstract was de natuurlijke theologie. De theologie van John Knox en Karl Barth is concreet. Zij raakt het leven en de geschiedenis.

Voetnoten

  1. a

    K. Müller, Die Bekenninisschriften der reformierten Kirche. In authentischen Texten mit geschichtlicher Einleitung und Register, Leipzig 1903, p. XXXVI↩

  2. b

    Zinspeling op Barths Nein! Antwort an Emil Brunner, München 1934.↩

Eindnoten

  1. 1

    Onder de titel John Knox en Karl Barth besprak N. in Eltheto 93 (1938/39) nr. 3, p. 52-54. Barths Gotteserkenntnis und Gottesdienst nach reformatorischer Lehre. 20 Vorlesungen (Gifford-Lectures) über das Schottische Bekenntnis von 1560 gehalten an der Universität Aberdeen im Frühjahr 1937 und 1938, z.p. 1938.↩

  2. 2

    John Knox (ca. 1505-1572). Schots kerkhervormer. Als volgeling van de Reformatie week K.na de troonsbestijging van Maria Stuart uit naar Genève en werd daar een vurig aanhanger van Calvijn. Vanaf 1559 leidde hij de door de adel op gang gebrachte calvinistische reformatie in Schotland. In augustus 1560 nam het Parlement de door K. in samenwerking met enkele anderen opgestelde Confessio Scoticana aan, die een van de grondslagen vormde voor de hervorming van de Schotse kerk in calvinistische zin.↩

  3. 3

    Gifford-Lectures heten de voordrachten die vanaf 1888 jaarlijks voor brede kring worden gehouden aan de universiteiten van Glasgow, Edinburgh, St. Andrews en Aberdeen ter bevordering van de natuurlijke theologie (in de ruimste zin) op grond van een fundatie uit de nalatenschap van de Schotse rechtsgeleerde Adam Gifford (1820-1887).↩

  4. 4

    Zie dl. 1, p. 355, noot 12.↩

  5. 5

    H. Kraemer (1888-1965), hervormd theoloog, die jarenlang een belangrijke rol speelde op het gebied van zending en oecumene. Grote invloed had zijn in 1938 geschreven boek The christen message in a non-christian world, dat voor een belangrijk deel de discussies bepaalde op de Internationale Zendingsconferentie te Tambaram (1938). Van 1937-1948 was K. hoogleraar te Leiden als opvolger van W. B. Kristensen. In en na de Tweede Wereldoorlog speelde hij een belangrijke rol in het door hem opgerichte 'Gemeenteopbouw', dat probeerde de Hervormde Kerk te vernieuwen. Van 1948-1955 was K. directeur-generaal van het oecumenisch instituut van de Wereldraad van Kerken te Genève.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet onder Weergave de correcties aan om de verbeterde OCR-fouten en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← De boodschap der ZwitsersInhoudKarl Barth →