Brieven van Noordmans over neocalvinisme - barthianisme
door dr. S. J. Ridderbos1
"De brutalen hebben de halve wereld." - Ja, heeft (naar ik meen) Miskotte gezegd, maar dat is dan ook slechts de helft en die helft is er ook naar!
Toch kan ook die slechtste helft reeds heel wat zijn. Enige jaren vóór de laatste oorlog had ik als Kamper student de brutaliteit mijn theologische vragen te richten tot O. Noordmans. Het woord is niet te sterk, als men bedenkt dat Noordmans een van de grootste, zo niet de primus is geweest van de Nederlandse theologen uit de eerste helft van deze eeuw. Al was hem bij het begin van de briefwisseling ook nog geen eredoctoraat aangeboden en stond hij als predikant nog steeds in het Gelderse Laren!
Toch doctor ecclesiae, zoals hij terecht genoemd is. Maar deze man bleek meer te zijn. Niet slechts doctor, maar sua gratia minister ecelesiae. In plaats van zich vriendelijk van een studentenbrief af te maken, ging hij als een vriend op de gestelde vragen in en moedigde hij (alsof hij geen belangrijker dingen te doen had, maar voor een minister was dit belangrijk) aan tot verdere correspondentie.
Natuurlijk was dit aan geen dovemansoren gezegd. En de antwoorden, die ik ontving, betekenden voor mij een hele wereld, al noemt het spreekwoord dit ook slechts de helft. Brieven van dezelfde allure en stijl als zijn boeken: Noordmans hoefde zich voor zijn publiciteitswerk niet 'op' te maken; hij was zo.
Toen ik ze onlangs weer eens herlas, bekroop me de lust ze na bijna dertig jaren te publiceren. Kierkegaard spreekt over 'de liefdedaad van een gestorvene te gedenken'.a Dit zijn wij zeker verschuldigd aan deze dode, temeer waar de huidige theologenbent hem verouderd schijnt te vinden, gezien de prijzen waarvoor zijn boeken soms van de hand gaan.
De gestorven Noordmans heeft aan dit gedenken geen behoefte, 'want voor Hem leven zij allen' (Luk. 20 : 38). Maar wij zouden deze liefdedaad ook uit een wettige zelfliefde kunnen verrichten, omdat hij de kerk nog altijd iets heeft te zeggen. Speciaal nu de verhouding Hervormd-Gereformeerd in de laatste tijd weer met nadruk aan de orde is gesteld, hebben de onderstaande brieven m.i. ook vanuit deze gezichtshoek een actuele betekenis.
Ik ontken hiermee niet, dat ze uit een andere tijd stammen. Over 1935 viel de schaduw van Hitler en het is duidelijk, dat ook in dit opzicht de Larense pastor dicht bij de grens woonde. Wat verder het expliciete onderwerp van de briefwisseling betreft (Kuyper-Barth): ook hier is de tijd kennelijk zijn weg gegaan. Het eerste deel van Barths Dogmatik,b dat toen slechts verschenen was, is sindsdien door vele andere gevolgd, waarin weer heel andere accenten worden gelegd. De echte 'Kuyperianen' van de eerste generatie zijn uitgestorven, hoewel Kuypers papieren weer hoger genoteerd staan dan toen in de gereformeerde hoek van de theologische beurs voornamelijk Schilder-coupures verhandeld werden. Bovendien is de relatie (waarvan hierboven sprake was) tussen de Hervormde en Gereformeerde Kerk nooit door de namen Barth-Kuyper te typeren geweest.
Dit laatste neemt echter niet weg, dat in de verhouding van deze beide kerken ook twee denkrichtingen, of liever: twee (theologische) zijnswijzen een rol spelen, waarvan de achtergronden slechts door de scherpe 'zoeklichten' (titel van een zijner boeken)c van een Noordmans kunnen worden blootgelegd. Daarover gaat het ten diepste in deze brieven en zo kan wat daarin uit de tijd van voor de oorlog schijnt, nog wel eens uitermate bij de tijd blijken te zijn. Na de oorlog schreef Noordmans in 1947: "Ik mis node het nauwere contact met 'de gereformeerden' en verlang naar de tijd, dat de scheiding tot het verleden zal behoren. Voor mij zal dat wel niet meer hier op aarde zijn."d
Dit laatste is nauwelijks een profetie te noemen, al had hij gelijk. Maar de vervulling van zijn wens kunnen wij bevorderen, ook door hem te lezen.
Laren (G.), 5 april 1935
Zeer geachte heer R.
Gaarne wil ik trachten uw brief van maart jl. te beantwoorden. Ik moet beginnen met mij te verontschuldigen wegens mijn dralen. De drukke tijd des jaars is daaraan schuld. - Met 'richting'2 is inderdaad betrekking van de oude op de nieuwe mens bedoeld. De oude mens is de plaatsbewaarder en in sommige opzichten de plaatsbekleder van de nieuwe mens. Het is de existentiële mense die voor God staat. Alles wat daaraan toegedaan wordt, van ademen tot bidden is 'Eros'f en valt onder 't oordeel. Maar de gerichtheid, de plaats voor de nieuwe mens, het op God betrokken en tot Hem geschapen zijn, niet. - Ik heb, jaren geleden, Barth daarover vragen gesteld. Hij verwees toen, met het oog op concretisering van deze existentiële verhouding tot God, naar de sacramenten; vooral naar de Doop. Hij deed dat nog aarzelend.3 - Onlangs sprak ik hem weer. Toen sprak hij reeds van een 'sacramentalische Welt'. Daarmee bedoelde hij de vastigheden, waarvan een mens kan uitgaan, de genadeplaats waar hij kan staan; de handwijzers die hem de richting naar God wijzen.. Hij had heel wat te noemen om deze 'sacramentalische Welt' te vullen.4
U voelt het verschil met Brunner. Daar zijn het, hoe formeel ook genomen, de natuurlijke aanknopingspunten, waarvan werk gemaakt wordt.g Bij Barth zijn het de genade-middelen, de bovennatuurlijke bewerktuiging van de mens (als ik het zo noemen mag), die uitgebouwd wordt. Bij Barth wordt de aanknoping geheel anders gelegd. Het herinnert aan de 'dona superaddita' ofschoon het er niet mee gelijk komt. De homo peccator is veel naakter, zijn niveau ligt veel dieper dan bij Brunner.h Er is verwantschap met Kohlbrugge. Er is veel verschil met het neocalvinisme, zoals er verschil was tussen Kuyper en Kohlbrugge en het is niet geheel te verklaren met de protesterende houding.
Daarmee kom ik vlak in de buurt van uw tweede vraag: of het niet onbillijk is het 'hele' van de neocalvinistische theologie te plaatsen tegenover het meer gebrokene van de ethische. Ik wil aan de theologie van Kuyper geen hybris verwijten. Empirisch genomen zou er meer reden zijn dit van de ethische te zeggen. Toch is de dialectiek binnen de ethische theologie meer leidend in de richting van de (naar mijn overtuiging) diepere delving der hedendaagse nieuwere theologie. Dogmatisch en wetenschappelijk laat Kuyper heel wat heel aan de mens. Het humane niveau, de standplaats voor God, de basis voor de nieuwe mens is vrij hoog en breed. De theologie sluit aardig aan bij de wetenschap en het dogma past aardig in het encyclopedisch geheel der theologie. Er is minder verlegenheid en schrik dan men ook als men niet wil - als christen, kerklid, gelovige, theoloog tegenover de feitelijke toestand der christenheid en der cultuur gevoelt.
De dingen waarover u mij schrijft, zijn geen theologische spitsvondigheden, geen partijgeschillen tussen ethischen en neocalvinisten. Ik voel althans absoluut geen behoefte, de beste brokken voor mijzelf of mijn richting in beslag te nemen. Het is de gemeenschappelijke nood, die ons samen tot bezinning moet brengen. Het is een ontzettende vraag, die ons de adem schier beneemt: waar ligt het niveau van de natuurlijke mens. Hoe diep is het moeras, waarin onze beschaving gebouwd staat? Zinken wij weg? Is er grond? Is er nog iets anders dan Jezus alleen? Het aanknopingspunt? Moeten wij alleen gerechtvaardigd worden door het geloof en niet leven door het geloof; bestaan door het geloof?
Ik ben ervan overtuigd dat onze tijd deze vragen zo dringend leert stellen, dat er een nieuwe fase in de theologie mee geopend wordt. De voorboden daarvan beluister ik meer in de theologie van Gunning dan in die van Kuyper, ofschoon Kuyper meer gesloten gereformeerd was en minder leed aan Duitse 'Vermittelungen'. De hele angst van een ondergaande christenheid was in Gunning en zijn fanfares op de vrijheid en dergelijke, die uit het Duitse idealisme stamden, worden als 't er op aankomt verre overstemd door de tonen van zijn geroep uit de diepte, z'n belijdenis van weggezonkenheid.
Kuyper is optimist ten opzichte van de dragende kracht van christelijke en gereformeerde beginselen; van een wedergeboren humaniteit, van een christelijke cultuur.
Ik vrees dat die verwachting te hoog gesteld is geweest. Hoe minder dit het geval blijkt, hoe liever het ieder natuurlijk zou moeten zijn. Maar laten we in ieder geval duidelijk - en duidelijker dan we tot nog toe gewend waren - uitspreken: Christus is de hoeksteen. Hij rijst als wij zinken.
Gaarne blijf ik tot verdere correspondentie of bespreking bereid.
Met hoogachting, uw dw.
0. N.
Laren (G.), 25 juli 1935 Zeer geachte heer R.
Dat ik niet eerder kwam tot beantwoording van uw brief van 14 april, weegt een beetje zwaar op m'n gemoed en ik moet beginnen mij daarvoor te excuseren. Ik ontving hem in de drukke tijd voor Pasen en legde hem daarom even terzijde. Daarna ben ik zo aanhoudend in touw gehouden, 't laatst door een tournee van vier volle weken in examencommissie, dat uw schrijven, dat door bijgevoegd artikel uit de studenten-almanak5 wat meer volume had dan een gewone brief, steeds even moest wachten. Ik nam het toen mede op reis, maar had geen gelegenheid tot rustige beantwoording. Thans kan ik mij daartoe zetten, in de hoop dat u mijn verontschuldigingen wilt laten gelden. Ik geloof dat het van groot belang is, wanneer er contact bestaat tussen gereformeerden in en buiten de Hervormde Kerk. Al behoor ik tot wat men de 'ethische' groep noemt, toch voel ik mij daarom niet minder een kind van gereformeerde huize. Deze herfst hoop ik aan de VU. te lezen over: Kritieke spanningen in de gereformeerde theologie.i En dan neem ik die theologie in de brede zin van het woord. Met al de diepere motieven van die theologie weet ik mij van harte verbonden. Samen staan wij thans voor de grote vragen, die God ons opgeeft. De taak die het calvinisrile in onze moderne wereld heeft te vervullen is geweldig en God geve dat we allen, met achterstelling van eigen inzicht, naar zijn Woord mogen vragen.
Uw eerste vraag geldt de 'sacramentalische Welt' van Barth en u zou willen weten of de 'vruchten van de wijnstok' daar ook toe gerekend worden. In verband daarmee geldt ze de omvang, de wijdte van het en Christoi; het geloofsgehalte van de wetenschap (de christelijke); de christianisering van de cultuur. U is u volkomen bewust van de gevaren, die hier dreigen, maar wilt toch niet over het hoofd zien dat Christus gekomen is om niet in een kerk gevangen te blijven, maar om koning te zijn over de wereld.
Over deze dingen gaat het nu juist in deze tijd. Wanneer u mij goed wilt verstaan, dan kan ik op al deze punten met u meegaan. Trouwens, dat kunt u van te voren wel weten. Ten opzichte van Barth durf ik hetzelfde vast te stellen. Wij zouden geen van beiden het leven, de wetenschap, de cultuur op zich zelf demonisch durven noemen. Manicheïsme is hier uitgesloten.
Het gaat echter over de mate van spanning die er is tussen geloof leven; dogmatiek en wetenschap; en kerk (of christendom) en cultuur. Paulus, Augustinus en Luther hebben geweten hoe dialectisch de verhouding van geloof en leven is. In het 'sola fide' ligt opgesloten dat het geloof zelf ook niet mag worden opgevat als een stukje leven, maar dat het daarbij gaat om het Woord en achter het Woord om God zelf. De ere Gods bij Calvijn moet men niet allereerst opvatten als kosmische heerlijkheid of ethische hoogheid, maar het betekent de erkenning dat God God blijft, ook nadat Hij de wereld heeft geschapen en zijn Woord heeft gegeven. Dat is echter niet een belijdenis om van te schrikken, maar de enige troost in leven en in sterven. Het grote lichtpunt in deze tijd is dit, dat al het andere zo donker en onzeker is geworden.
Er moet dus een verborgen verhouding zijn tussen geloof en leven, wetenschap, cultuur. Maar het is een verhouding; de eenheid is geestelijk. Ze mag niet näïef-reëel worden gezien. Men kan ze niet logisch, rationeel afleiden; of empirisch uit eigen levensbesef afleiden. Het kan gevaarlijk zijn heeft Owen6 reeds gezegd - te weten dat het geloof nooit zonder vruchten is.j Men komt in verleiding het geloof empirisch-rationalistisch af te leiden. Geloof blijft geloof, altijd weer: hangen aan Gods Woord. U ziet hoe weinig ik - een ethische - hier het zedelijke op de voorgrond breng en alles dialectisch, geestelijk bepaald zie. Voor mij stond Gunning hier reeds zuiverder dan Kuyper. ⚑Het gaat dus alles om de graad van de spanning tussen de verschillende gebieden. Voor onze ogen zien wij de spanning in kosmische opvoering als een onweder op het wereldtoneel. De cultuur kan niet demonisch zijn. Maar het is niet gemakkelijk dat vol te houden. Alleen door het geloof kan men het zeggen. 'Natuur en duivel begrenzen de cultuur'.k Slechts als 'oogst' wordt het een bijbels begrip. Datzelfde geldt nu ook van wetenschap en leven. Het theoretische der wetenschap maakt, dat men het daar minder merkt. Maar de hedendaagse chemie laat ons zien, hoe problematisch deze onschuld is. Hoe demonisch het 'leven' is, dat moet ieder gelovige in de eerste plaats weten.
De kritieke spanningen in de gereformeerde theologie hangen hier mee samen. Hier is verschil tussen prof. Aalders en mij. Voor mij maakt hij in zijn Incarnatie de verhouding tussen Christus en de kosmos te direct.l Ik zie die meer geestelijk bemiddeld; minder naïef-realistisch. Barth spant mij eerlijk gezegd - de verhoudingen te sterk. Ik ben dan een beetje bang dat het geestelijke van het blijven van de Heilige Geest, het troosten, de rust van het volk Gods, schade lijdt. Het neocalvinisme van Kuyper is voor mij niet up-to-date; niet ingesteld op de wereldsituatie van heden. Het behoort tot een vroegere periode. Het kan de volle kritiek van het Woord op leven en cultuur niet vertolken. Ik grijp daarbij op Augustinus terug.
In verband hiermee kunt u wel raden, wat ik te zeggen heb over wat u naar voren brengt over Schepper en schepping en over mystiek, naar aanleiding van Brunners Der Mittler.m De verhouding van Schepper en schepsel mag niet te statisch genomen worden. De prediking en dus ook de preekregel, de dogmatiek, zijn geestelijk, niet zakelijk, theoretisch-wetenschappelijk. Zonde en genade moeten wel op de voorgrond staan, zoals ze bij Paulus - ook Augustinus - en Luther doen. Wanneer daarachter een meer schoolse7 vertolking van de verhouding tussen Schepper en schepsel in de theologie soms meespreekt, vooral in de middeleeuwen en later weer sedert Melanchton - de praeceptor of schoolmeester van Germagnel8⚑ - dan mag men het secundaire van die uitwerking nooit uit het oog verliezen. Het enige wat de mystiek principieel uitsluit, is de prediking van zonde en genade; waarbij de bemiddeling van de Heilige Geest op de voorgrond staat.
U ziet dat het mij niet aan de wil en de lust ontbreekt, deze dingen met u te behandelen. Ik blijf heel gaarne tot verdere correspondentie bereid. Vergeef mijn langzaam tempo, dat met vele beslommeringen samenhing.
Met hoogachting, uw dw. O. N.
Laren (G.), 8 dec. 1935
Zeer geachte heer R.
Dank voor uw kaart van 7 december. Ik zou het boekn graag onder ogen hebben: ik had het reeds aangekondigd gezien. Daarom schrijf ik naar de bibliotheek te Kampen. - Ik hoop maar dat die discussie met prof. Schilder enige vrucht zal opleveren. Ik acht het zo'n gelukkig verschijnsel dat we elkaar weer meer spreken.9
Voor mij ligt uw brief van 14 oktober. Ik begin met u hartelijk te danken voor uw gelukwensen met de toen nog aanstaande promotie te Groningen.10 U maakte dezelfde opmerking, die mijn promotor deed horen, dat ik het zou moeten goedvinden, dat de 'school' mij deze onderscheiding verleende.11 Inderdaad lag daarin een aardige puzzie, die voor mijn theologisch denken niet zonder betekenis was.
Wat het verschil betreft tussen neocalvinisten en barthianen, om nu maar een paar gebruikelijke namen te noemen, lijkt mij de moeilijkheid niet allereerst te liggen in de positie die men inneemt. Men kan in de eerste positie zo onrustig zijn en op het tweede standpunt zozeer naar vastheid en lijn verlangen, dat men praktisch dicht bij elkaar komt, zoals dat ook inderdaad telkens het geval is. - M.i. komt het verschil pas duidelijk uit, als men op de richting let, waarin de geesten zich bewegen. - Een zekere spanning blijft er altijd tussen de taak der kerk om het Evangelie te prediken en die om het leven te ordenen. Daarop heb ik - zoals u in De Reformatie gezien zult hebben - te Amsterdam de nadruk gelegd.o Nu ben ik, als ik het zo zeg, voor een ras-echt barthiaan eigenlijk te nuchter. De Barthgroep12 heeft op dit punt ook bezwaren tegen mijn opvattingen. Ik meen dat er van de grenzen der kerk meer vastheid en rust uitgaat dan dat volgens Barth het geval is. Barth bepaalt die grenzen te christologisch, zodat ze in het werk van de Heilige Geest geen goede plaats kunnen krijgen. En daarom spreek ik meer onbevangen over het leven, ofschoon ik dat blijf zien onder het gezichtspunt des geloofs. De bladzijden 171-178 van Barths Credo-boekp zijn uit dat oogpunt zeer leerzaam. Terecht haalt u ze aan. Op bladzijde 171 zegt Barth ook met zoveel woorden, dat hij deze dingen uit de christologie wij verstaan. Dit is geen fout, maar ik zou ze meer trinitarisch en niet zo uitsluitend christologisch willen beschouwen. De beschouwing van Barth wordt te sacramenteel, zoals die van prof. Schilder te cultureel wordt. Op beide manieren wordt het werk des Heiligen Geestes miskend. Bij Barth is de onrust mij te groot en loopt de geloofsverzekerdheid gevaar doordat de vastheid zich in het grote sacrament der christologie terugtrekt. Bij prof. Schilder komt het geloof naar de andere zijde te kort. Het verliest de behoefte aan het sacrament, omdat Christus zichtbaar en tastbaar wordt voor de gelovigen, 'zinnelijk waarneembaar' (Assen).13
De theologie van Barth is een vlucht voor dit concrete, handtastelijke christendom. Het lijkt schromelijke overdrijving als men zegt dat men langs die weg van zinnelijke waarneming en handtastelijke christelijke cultuur terecht kan komen bij de ras- en bloedtheologie van de tegenwoordige Duitsers. Maar de polariteit van de beide standpunten in de kerk in Duitsland heeft toch veel van een waarschuwing in zich. Daarom stel ik mij met Barth binnen de grenzen der kerk, maar niet zo uitsluitend christologisch. Ik geloof dat de gereformeerden hier een mystieke, geestelijke middenweg bewandeld hebben en nog hebben te bewandelen. Hun sacramentsleer wijst dat aan. Het geestelijk eten en drinken in Calvijns Avondmaalsleer en in de leer van de Doop, die veel meer zwevend blijft dan bij Kuyper. Het grote sacrament, dat geen sacrament meer is in de engere zin van het woord, zit bij Calvijn in de volharding der heiligen. Deze is niet zo eng christologisch te bepalen als de sacramentele geloofsleer van Barth, die aan het Duits-lutherse nooit kan ontkomen. Daarom mag ik ook een zekere leer van de ascese14 ontwikkelen, waartoe - zoals u terecht opmerkt - op barthiaans standpunt bezwaar zou kunnen bestaan. Op mijn meer trinitarisch standpunt kan het leven nuchterder in de theologie betrokken worden. Maar dan zal het juist van de grenzen uit bepaald moeten worden - daarin blijf ik met Barth één. Wij mogen van de Opstanding uit de Schepping niet als zomaar teruggegeven beschouwen. Wij blijven tussen Hemelvaart en Wederkomst wel opgesloten. Hier van cultuur te spreken en maar boudweg, voor 't vaderland weg, te organiseren is een onheilig werk. Christelijke arbeid blijft fragmentarisch en incidenteel en de toren van Babel is niet halverwege blijven wachten, omdat de kerk er de spits op zou moeten zetten. - Ik hoop, dat we al corresponderende iets zullen te zien krijgen van dat, wat zich tussen ons bevindt, de Waarheid waarin de Geest wil leiden. Gaarne blijf ik te uwer beschikking.
Met vriendelijke groet,
O. N.15