Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 4 · p. 141–152

Weergave

De algemene genade1

1

Wat aanleiding gaf tot het schrijven van een paar artikelen, die ik mij voorstel te geven, heeft de redacteur van dit blad reeds medegedeeld in het nummer van 6 december jl. Men heeft daar ook kunnen vinden het resumé van een lezing, die ik hield voor de theologische studenten aan de VU. Daarmee heb ik feitelijk reeds een inleiding geleverd op wat ik nu nog ga zeggen. De lezer weet uit welke hoek de wind waait.

Prof. Schilder zou echter graag een bepaald punt toegelicht willen zien, nl. dat, waar ik het had over de algemene genade en de plaats die deze inneemt in de nieuwere gereformeerde theologie. En dan nader het verband, waarin ik hierbij zijn naam met die van Kuyper gebracht had. Mijn correspondent is niet helemaal, gerust over de rol die ik hem daarbij heb toebedeeld.

Inderdaad was ik geschrokken van de inhoud en de toon van het stuk, dat prof. Schilder in Jezus Christus en het menschenleven onder de titel Jezus Christus en het cultuurlevena heeft bijgedragen, en ik heb dat te Amsterdam niet onder stoelen en banken geschoven. De wijze waarop in die publikatie over Jezus, zijn kribbe en zijn kruis, gesproken wordt, is voor degenen, die er niet aan gewend zijn, moeilijk te verdragen. Ik heb mij afgevraagd, of dit nog wel hetzelfde geloof is, waarin ik opgevoed ben, of dat hier een nieuwe religie bezig is uit te groeien, die pretendeert te stoelen op gereformeerde wortel, maar die zoveel verschilt van wat wij tot nog toe daarop zagen staan, dat de vraag zich opdringt, of ze niet uit een ander evangelie haar sappen trekt.

Ik meende deze indruk te moeten voorop stellen. Ik doe dat zonder opzettelijke onvriendelijkheid tegenover de schrijver en met de pijnlijke onzekerheid in mijn binnenste, of het wel met de goede vorm overeenkomt om als gast in dit blad op deze wijze binnen te treden. Maar, dit gesprek, waartoe de redacteur mij uitnodigde, kan mijnerzijds niet loskomen van de beginstreep, zonder dat ik uiting heb gegeven aan het gevoel van onrust, dat mij bij de kennisname van deze nieuwe dingen bekroop.

Nu ik dat gedaan heb en van een indruk ben uitgegaan, die voor mij voorlopig het karakter draagt van een pijnlijke ontdekking, nu moet ik wel even verder gaan op dit pad en zeggen dat ik mijn best gedaan heb, op die eerste indruk veel af te dingen. Ik heb de weelderige schrijftrant van prof. Schilder in overweging genomen en bedacht, dat, als deze dingen niet op zo uitbundige wijze geuit waren als nu het geval is, de bezwaren, die bij mij opkwamen, misschien sterk konden worden gereduceerd. Als de futuristische schildering tot een strenge tekening werd teruggebracht, zou dan alles er niet heel anders uitzien? Zou ik de toon van de muziek kunnen scheiden? Zou de zaak dan zelfs niet zover vereenvoudigd kunnen worden, dat ik prof. Schilder moest toegeven, dat zijn verschil met Kuyper er een is, dat meer in woorden dan in wezen bestaat?b En zou de kwestie daarmee niet herleid zijn tot de gewone, onder ons reeds zolang bekende vraag, of Kuyper de gereformeerde leer mistekend heeft en anderen, laat ik zeggen Kohlbrugge, Gunning, daartoe grotere genade hadden ontvangen? Zo gesteld interesseert deze aangelegenheid mijn correspondent sterk, blijkens zijn bovenbedoeld artikeltje in dit blad. Hij wenst liever niet als een exponent van Kuyper te gelden, ook wanneer hij deze meent te moeten corrigeren.

Om hierover meer licht te krijgen heb ik ook andere publikaties van de schrijver gelezen, zoals z'n dissertatiec en zijn Wat is de hemel? In de eerste is het betoog uit de aard der zaak rustiger. Ik trof er veel aan, wat overweging van de zijde der dialectische theologen alleszins waard is. Ik moet ook van de laatste zeggen, dat, hoe exotisch het boek telkens aandoet, en hoe exuberant de taal, de gedachte toch voorzichtiger wandelt dan in de bijdrage in bovengenoemde bundel.

Maar mijn eindoordeel, voor zover ik daar hier reeds van spreken mag en dat aan 't eind van deze artikelen ook nog geen eindoordeel zal willen zijn, omdat ik meen dat het aan de kerk toekomt en ogenblikkelijk op haar weg ligt - is dit, dat deze opvattingen soortelijk van de gereformeerde leer verschillen. Dat de weg tot hereniging tussen de Hervormde Kerk en de Gereformeerde Kerken, gesteld dat deze stellingen daar algemeen ingang vonden, vrijwel zou zijn afgesloten. Dat 1886 dan het aanzijn had geschonken aan een nieuwe godsdienstvorm, waarvan de oorsprong in de twintigste eeuw zou moeten worden gezocht en waarvan zelfs het christelijk gehalte voor mij problematisch zou zijn. Wij zouden daarmee in ons land een tegenhanger bezitten van het geloof der Duitse christenen, omdat de politiek en de cultuur er de overhand zouden krijgen over prediking en geloofsleven. Wanneer dr. Schilder Jezus een 'Kerkvorst'd noemt en de christenen het zuivere mensenrase, dan verleent hij daarmee aan de kerk een bodemvastheid op aarde, die weinig overeenkomt met het levensgevoel van patriarchen, profeten en martelaren. De bijbelse vulling kan de vorm en de toon van deze twintigste-eeuwse dogmata niet voldoende kerstenen.

Dat is mijn indruk bij het begin van dit gesprek.

Nu geef ik toe, dat sommige uitingen van Kuyper soortgelijke indruk kunnen wekken, als men, met het oog daarop, uit zijn werken een bloemlezing zou willen samenstellen. Zodat er dan reden zou zijn voor de mening van dr. Schilder, dat het slechts een verschil van woorden is en van toon, terwijl de zaak zelf dan daarmee zou aflopen, dat Kuyper hem "achter zijn vaandel kreeg in de strijd tegen elk ziek 'vroomheids'-ideaal. "f In Kuypers De gemeend gratie komen zelfs passages voor, die dr. Schilder compromitterend zou achten en die hem te biologisch zouden aandoen. Want bij alle tegenspraak tegen de dialectische theologie is in zijn boeken goed merkbaar, dat 'de scherpe snede' van deze godgeleerdheid ook hem geraakt heeft. De felheid waarmee hij er op reageert, maakt juist duidelijk, dat wat in Kuypers dagen nog betrekkelijk rustig naast elkaar bestaan kon, dit nu niet meer kan. Dat alleen reeds de contemporaine geschiedenis ons dwingt om zuiverden te onderscheiden en scherper partij te kiezen.

Ik waag het hier enkele van die plaatsen uit Kuypers Gemeene gratie af te schrijven, die dat doen zien.

In deel 1 lees ik, over het Heilige Land: "Moest thans nog voor het volk van Israël een plaats worden uitgezocht, die in aard overeenkwam met de plaats die het destijds van God ontving, dan zou het natuurlijk niet in het nu dode slop van Cyprus en Palestina, maar in het hart van Europa moeten geplaatst zijn."g En: "Geheel de bedding van het leven der volkeren is verlegd. Voor Europa is het zuiden thans onbeduidend, en ligt in het noorden de levenskracht."h

Over de Joden: "Zij, van wier lippen men in onze dagen dan ook nooit één enkel woord beluistert, waarin heilige toorn spreekt over 'dit bederf van het beste', dat God in Israël bereid had, en die daarentegen steeds de Joden opvijzelen, mogen zichzelve wel eens afvragen, of hun liefde voor de ere Gods en voor de Christus Gods, die de Joden aan het kruis geslagen en gedood hebben, geen schade lijdt door hun onevenredige nationale sympathie."i

En in deel 2 over de christenen: "God mint zijn volk als zijn oogappel, en strekt daarom in buitengewone mate zijn zegenende werkingen uit over die volkeren, onder welke de kerk zijns Zoons is opgetreden. Hij geeft aan die volkeren het gezondste klimaat, het best gelegen land, de grootste overmacht over de natuur. Hij doet ze van het beste ras zijn. "j

Zo te spreken over: 'het beste ras'-'in het noorden'- met daartussenin een kleine bevlieging van antisemitisme - zou een gereformeerd theoloog zich op dit ogenblik niet meer kunnen veroorloven, zonder zich rekenschap te moeten geven van de politieke geloofsbelijdenis, die daarin verscholen lag. Ten opzichte van zulke biologische voorstellingen van de werking der genade moet men thans kleur bekennen, nu men weet waar ze toe leiden kunnen, als ze in ernst genomen worden. Men kan ze niet meer, zoals Kuyper, in onschuld gebruiken. De bliksem der historie is er ingeslagen en een hinken op twee gedachten is evenmin mogelijk als ten tijde van Elia op Karmel.

Hinc illae lacrimaek bij prof. Schilder en anderen over de dialectische theologie. Wie er zich op wil laten voorstaan, dat dr. Kuyper hem, op het stuk der cultuur, achter zijn vaandel kreeg, kan het niet meer in heilige onnozelheid doen. Wie sommige publikaties van prof. Schilder gelezen heeft, zal moeten toegeven, dat hij het verband tussen geloof en cultuur meer bewust tracht te maken. Maar het tragische is, dat hij de zaak daarmee veel erger maakt. Voor ik dit artikel afsluit, moet ik dat laatste nog trachten te verduidelijken.

Dr. Kuyper laat door de algemene genade een terrein geschapen worden, waar kerk en wereld, wedergeborenen en onwedergeborenen, elkander ontmoeten en waar ze tijdelijk kunnen samenwerken aan culturele arbeid. Wat hier gewonnen wordt, brengt wel 'blijvende winste',l zoals het heet in De gemeene gratie, maar alles wat op dat terrein gereed komt, houdt iets uitwendigs. Het blijft tot de buitenbolwerken behoren. Het eigenlijke, het echte, het teerste wat zich tussen God en mens afspeelt, behoort tot het gebied der particuliere genade.

Dit algemene terrein, dat bij Kuyper aan de mensheid in haar geheel, na de zondvloed, in de huidige wereld- en cultuurperiode, nog gelaten wordt, is voor dr. Schilder niet meer aannemelijk. De godgeleerdheid van heden kan niet meer werken met iets wat bodem wil zijn. De biologische betekenis van de aarde, als gegeven basis voor het leven, is te zeer misbruikt, om zonder meer in de theologie te worden aanvaard. Deze dingen moeten thans meer kritisch worden bekeken, wat dr. Schilder dan ook doet. Daarom kon ik zeggen, dat hij door de dialectische theologie is geraakt. ⚑De schrijver laat de algemene genade, voor zover ze in de theologie een terrein wil effenen voor een bredere kerk, waarin gelovigen en ongelovigen elkaar ontmoeten, varen. Hij moet zich in zijn cultuur-theologie, of hij wil of niet, bedienen van de scherpe tegenstellingen, die gelden bij de particulierè genade, die de mens geen grond of bodem, van welke aard dan ook, overlaat. Zo komt het dat de gelovige culturelen zich hun arbeidsterrein in de hemel krijgen aangewezen en de ongelovigen in de hel. Wat hierop neerkomt, dat alleen de eersten een grond hebben en de anderen niet. Het horizontale vlak, de niet-dialectische richting, wordt verruild tegen het verticale, het wèl-dialectische. Prof . Schilder spreekt van de "ups-and-downs van de golvende cultuurbodem, die zich langzaam strekt tot hij de arena wordt van Christus en Antichrist in het laatst der dagen."m Het is duidelijk, wat dit laatste moet betekenen. Er zijn maar twee richtingen. De ene is die van de Heer uit de hemelen als Hij nederkomt; en de andere is die van de geest uit de afgrond als hij zich verheft, om zich op de troon Gods te zetten. En deze beide bewegingen hebben plaats in het verticale vlak; zij gaan absoluut-vlak tegen elkaar in. Dr. Schilder schrijft over hemel en hel; niet over de aarde.

En toch wil de schrijver geen dialectisch theoloog zijn. Hij voelt zich antipode van deze theologie. Hij wil achter het cultuurvaandel van dr. Kuyper blijven lopen, ook al zakt de bodem onder zijn voeten weg. Ook al moet hij alles wat bij Kuyper terrein, geduld, voorlopigheid, rest, overblijfsel heet, laten varen, om voor het nog, het christelijk humanisme, het nog-niet, de christelijke eschatologie, in de plaats te stellen. Dit wordt alleen mogelijk door een verabsoluteren van de cultuur, dat de geschriften van prof . Schilder kenmerkt. De volstrektheid van de categorieën, die op het terrein der particuliere genade hun plaats hebben, wordt hier ingevoerd voor het gebied der algemene genade. Roeping en ambt in een zin zoals die gelden in verband met het geloof, worden hier gebruikt in betrekking tot de cultuur.

Zo wordt het horizontale vlak der cultuur en der algemene genade, waarin men, zoals Kuyper doet, tussen het universele en het particuliere kan heen en weer lopen, overeind gezet. En profeten en apostelen, ja ook Christus zelf, krijgen daarin hoger of lager een plaats.

Het gevolg daarvan is de openbaring van een aards radicalisme, dat, zo het ingang vond, het karakter der kerk zou doen ontaarden; nog grondiger dan het biologisch evangelie der Duitse christenen. Want de cultuur is een geestelijken en daardoor feller macht dan het leven als eerste en oorspronkelijke gegevenheid.

De kerk is echter heel iets anders dan een ornhoogstaand cultuurvlak of toren van Babel. Ze is een ark, waarin men behouden kan blijven als de cultuurwereld ondergaat. Wanneer men op Pinksteren gaat spreken in de taal van de torenbouwers, dan ontstaat er een spraakverwarring, die in de boeken van prof. Schilder het oor, dat wil luisteren naar het Evangelie, zo pijnlijk aandoet. In dat idioom had ik nog nooit over de bijbelheiligen horen spreken.

22

In een vorig artikel kwam ik tot de slotsom, dat prof. Schilder de cultuur verabsoluteert. En daaronder verstond ik, dat hij haar een plaats geeft in 't middelpunt van de theologie, zodat men over haar gaat spreken in termen en met accenten, die wij gewend waren te reserveren voor de goederen, die de particuliere genade ons schenkt of belooft. Ik wees op de babylonische spraakverwarring die daardoor in onze kerkelijke pinkstertaal ontstaat. Dr. Schilder maakt de cultuurvragen absoluut en in ruil daarvoor de geloofsvragen cultureel.

Dat de cultuurvragen absoluut worden gemaakt, anders dan bij Kuyper, eist eerst enige toelichting. Ik wees er in mijn vorig artikel reeds op, dat de tegenstelling van hemel en hel direct op de cultuur wordt betrokken. Die van tijd en eeuwigheid, waarbij ál het bestaande en de geschiedenis in ál haar uitingen een karakter van sterke voorlopigheid krijgt, wordt terzijde geschoven. Een verschil in waarde tussen tijd en eeuwigheid is er voor de schrijver niet. De hemel is "de 'som' van de geschiedenis."n Wel wordt er een catastrofe verwacht, maar deze ligt in de lijn der geschiedenis en zou ook gekomen zijn, als de zonde niet was opgetreden. Ze komt overeen met de overgang van de eerste scheppingsdag naar de tweede en van deze naar de derde enz. De cultuurvragen hebben daarom absolute betekenis en alles wat er met de schepping naderhand gebeurt, de zondeval, de verlossing door Christus, blijft, in vergelijking met 'de eerste beginselen der wereld',o bijkomstig. Van het begin uit moet alles geduid worden. Genesis 1-3 is eigenlijk het belangrijkste stuk van de bijbel. Er zijn nog wel mensen, wier leven zich beweegt tussen de polen van het geduld in de tijd en het zuchten naar de eeuwigheid, maar dat moet uit zijn.p Het gebeurt ook nog wel dat zusters in de gemeente onder de preek alles laten opgaan in de tegenstelling van schuld en rechtvaardigmaking.q Maar ook dat is af te keuren. zij moeten teruggeleid naar het werkverbondr en vandaar naar het natuurverbond van Genesis 1.s Men ziet het, alle absolute tegenstellingen, waarmee de kerk gewoon is te rekenen, worden naar het begin, naar Genesis 1-3, liever nog Genesis 1-2 teruggeschoven en naar 'de eerste beginselen der wereld' verlegd. Jezus wordt gerekend dat ook te doen, omdat Hij de farizeeërs herinnerde hoe het in den beginne was.t

Wel komt de Zoon van God van boven, maar God komt daarbij in onze continuïteit. De Zoon gaat met ons mee,u wij niet met Hem. Het Evangelie is een verlengde van de schepping. Toen, bij de schepping, heeft God de eerste beginselen afgekondigd; Jezus leidt daarheen terug en zo wordt het Evangelie een cultuurprobleem.v De eeuwigheidsvraag wordt concreet en actueel.w

In deze verabsoluteerde cultuur krijgen nu de laatste en uiterste tegenstellingen een plaats. De gemene gratie spreidt niet meer een verzoenend licht, maar krijgt tegenover zich de gemene vloek.x De éne, 'gemene-gratiecultuur'wordt naar het rijk der sprookjes verwezen. Er is cultuur in gehoorzaamheid en cultuur in overtreding. Er is gratie èn oordeel; geen gemene gratie. Er is cultuur der uitverkorenen èn der verworpenen. Het éne is koren, het ándere kaf. Een 'gemene' opbrengst levert de cultuur niet. Er is wel een 'gemene roeping' tot cultuur, maar die wordt slechts in de kerk goed gehoord. Daar wordt het 'scheppingsmandaat' weer opgenomen; de 'creatuurlijke godsdienst'.y En met behulp van compromissen, waarmee de Bergrede, het program van beginselen, buiten de kerk wordt toegepast, neemt deze cultuur haar loop ook in de wereld.z Want er staat geen schutting tussen de kerk en de wereld.a Tussen beide in staat de gezonde mens;b ook wel persoonlijkheid genoemd.c Hij past de eerste beginselen, die God bij de schepping heeft afgekondigd, weer toe en zo groeit de hemel langzamerhand op aarde.

Daartegenover staat nu de ontwikkeling van de hel. Zij bestaat in de specialisatie, de scheiding tussen cultuur en religie, van algemene en bijzondere genade, waarmee Kaïn begon en waarmee Seth genoegen nam.d

Gezondheid en stijl wijken uit het leven en de schepping gaat op deze lijn haar ontbinding tegemoet. Satans stijl wil niet gelukken. Wel zal de Antichrist een anti-programma pogen af te werken,e maar tevergeefs.

Nu kan dr. Schilder deze omzetting van 'gemene gratie' in 'gemene roeping' niet consequent volhouden. Ook hij moet de verabsoluteerde tegenstellingen in de cultuur laten temperen. Het 'gemene oordeel' als correlatief van de gemene gratie wordt dan tussen haakjes geplaatstf en de algemene genade krijgt een functie, die toch veel lijkt op die, welke ze bij Kuyper heeft. Christus houdt zich in, en de Antichrist wordt weerhouden en zo ontmoeten beide elkaar toch in de cultuur. Maar de verbinding is toevalliger en losser dan bij Kuyper. De cultuur der wedergeborenen gaat op de schepping terug en vormt een wereld; die der onwedergeborenen is slechts een 'rest' en spoedt zich naar het oordeel. De lijnen snijden elkaar en lopen geen ogenblik evenwijdig. En slechts één van beide lijnen mag eigenlijk cultuur heten en heeft iets met genade te doen.

En nog in ander opzicht wordt de tegenstelling verzacht. Beide lijnen zullen niet doorgetrokken kunnen worden. Er komt een catastrofe, zowel voor de ene als de andere. Iets van het verschil tussen tijd en eeuwigheid neemt ook dr. Schilder aan. In de woorden 'hemel' en 'hel' ligt toch iets meer opgesloten dan een 'nog niet'. Er staat iets ontzaglijks te wachten. Maar voor de kerk die gezond is en waarlijk cultureel, is dat niet abnormaal. Het ligt reeds in de schepping opgesloten; het is een natuurlijk, creatuurlijk, cultureel gebeuren, dat ook zou hebben plaats gehad als de zonde niet gekomen was.

Men ziet dat de antithese, die Kuyper vooral voor het terrein der wetenschap heeft uitgewerkt, in zijn Encyclopaedie, hier op het gebied der algemene cultuur wordt doorgetrokken. Kuyper wilde in de leer van de algemene genade de nadruk leggen op wat de gelovigen met alle schepselen gemeen hebben. Zij stond wel achter de particuliere genade, maar ook in tegenstelling daarmee. Wegens de zondeval moest de genade particulier worden. De leer van de algemene genade kwam ook op uit de belijdenis van het dodelijk karakter der zonde.g Maar het motief was juist tegengesteld. Bij de eerste ging het om de antithese; bij de laatste om de band die desniettegenstaande alle schepselen samenhield. Het was er Kuyper om te doen om degenen die zó in de tegenstellingen van de bijzondere genade vastzaten, dat ze niet durfden te leven, de moed daartoe te geven. Ook van de cultuur zou 'een blijvende winste' voor de eeuwigheid overblijven. ⚑Daarbij gaat Kuyper ook wel op de schepping terug. Hij legt nadruk op de betekenis van Genesis 1-5. Maar hij doet dat niet in zo absolute zin. De algemene genade, waarmee wij te maken hebben, dateert veeleer van Noachs dagen.h Wat wij cultuur noemen, volkeren, talen, overheid, is toen ontstaan. Naast de particuliere genade, waarvan de lijn bij Abraham duidelijk wordt, is de gemene gratie in de historie opgetreden.i Zij houdt iets betrekkelijks en blijft buiten de absolute tegenstelling van Adam en Christus, die bij de particuliere genade alles beheerst.

Daarvan wijkt prof. Schilder nu af. Hij wil de gelovigen de cultuurtaak nog nauwer op het hart binden en verschuift alles wat daartoe behoort in de richting van de particuliere genade. Voor hem is het gebied der gemene gratie met de verhouding tussen Adam en Christus gegeven.j De genade, die er voor een culturele taak nodig is, heeft geen zelfstandig karakter naast de charismata der kerk.

Daardoor vermijdt hij sommige van de fouten van Kuyper, die ontstaan door de verbinding van de terreinen der algemene en der particuliere genade, nadat ze eerst afzonderlijk zijn beschreven en duidelijk onderscheiden. Ik herinner aan de citaten die ik in mijn vorig artikel gaf, en waarin we lazen, dat God zijn kinderen van het beste ras doet zijn en hen in het noorden plaatst, als de cultuur in het zuiden achteruit gaat. Voor een dergelijk historisch materialisme of - Kuyper profeteerde hier onwetend - christelijk biologisme is dr. Schilder gevrijwaard. Maar hij maakt het nog veel erger, omdat hij twee gebieden dooreenmengt, die gescheiden moeten blijven. Over een artistieke gave mogen wij niet op dezelfde wijze en in hetzelfde verband spreken als over een christelijk charisma. Een betrekking in de maatschappij draagt een ander karakter dan een ambt in de kerk. Aardse schoonheid en hemelse heiligheid mogen we niet in één adem noemen. Cultuur en geloof blijven twee.

Wanneer men dat vergeet kan men een heiligheids-fanaticus worden, zoals de wederdopers, en op andere wijze de dopersen. Daarom schreef Kuyper zijn Gemeene gratie. Hij plaatste beiderlei genade duidelijk uiteen.

Dr. Schilder breekt daar nu weer mee, maar drijft de verbinding in omgekeerde richting als de dopers. De bijzondere genade wordt nu overgebracht naar de cultuur. En dan wordt men onheilig. Het tere, dat ook volgens Kuyper in 't bijzonder aan de particuliere genade eigen isk en dat hij in zijn meditaties in De Heraut vaak op zo ontroerende wijze tot uitdrukking wist te brengen, wordt dan geprofaneerd.

Wij zien in onze dagen de diastase tussen geloof en cultuur weer groter dan Kuyper dat deed of kon doen. Hij had, toen hij zijn artikelen over de Gemeene gratie schreef, 't opvlammen van de Wereldoorlog nog niet gezien en kon niet die indruk hebben van de demonie der cultuur en der geschiedenis, die de tijdsomstandigheden ons hebben gegeven. Blijkens zijn Stone-lezingen zag hij de historie als een waarneembaar kersteningsproces.l Voor velen, en ook voor mij, is die kerstening in strikter zin geloofszaak. Wij vinden goed dat Kuyper geloof en cultuur duidelijk onderscheidde en scheidde, zodat voor beide een eigen genade nodig was van zeer verschillend karakter. Maar terwijl Kuyper ze naast elkaar plaatste en tal van verbindingen aanwees, zien wij ze meer uiteentreden, voor het natuurlijk oog bijna tegenover elkaar treden, elkaar bedreigen. Wat wetenschap, wat kunst, wat politiek is, dat zijn althans voor ons weer vragen geworden.

Nu komt in een tijd, waarin deze vragen ons met elementair geweld worden gesteld, en waarin wij er met oud-christelijke verlegenheid tegenover staan, dr. Schilder geloof en cultuur zomaar ineenschuiven. Ik vraag mij af hoe het mogelijk is. De dialectische theologie heeft de grotere diastase aanvaard en gaat er van uit. Althans houdt er rekening mee. Dr. Schilder doet het omgekeerde. Ik kan mij dat niet anders verklaren dan door aan te nemen, dat hij het Kuyper-standpunt wil handhaven tegen de kritiek in, die de contemporaine geschiedenis daarop uitoefent. De tijd zet de beide terreinen, die dr. Kuyper naast elkaar plaatste, uiteen. Dr. Schilder verzet zich en schuift ze ineen. De theologie van deze tijd laat de kerk afstand nemen ten opzichte van de cultuur en legt het accent op de particuliere genade. Dr. Schilder verzet zich, vereenzelvigt haar met de cultuur en verabsoluteert de algemene genade tot algemene roeping, die op dezelfde wijze fungeert als de particuliere roeping in de kerk.

Dr. Schilder kan dat niet helemaal zo menen; althans niet volhouden. Maar hij heeft er zich in vastgebeten en wil niet loslaten. Dat hij het zo niet menen kan, althans niet volhouden, blijkt telkens. Zo, wanneer hij zegt, dat een kerkbode soms meer voor de cultuur betekent dan het toneel.m Dan wrijf ik mij de ogen uit en roep uit: Zo! - bedoelt ge dat met cultuur! Ik wil niets van een kerkbode zeggen, maar ik gebruikte het woord 'cultuur' in een andere zin. Tegenover een kerkbode behoef ik ook geen diastase te nemen.

Maar er zijn andere bladzijden, waarmee ik niet zo gemakkelijk gereedkom. Dan merk ik, dat de schrijver toch meent wat hij zegt en dat bij over Christus en zijn apostelen gaat spreken op een wijze, die ik onheilig noem. ⚑Dan ontstaat er een nieuwe tale Kanaäns, die niet lijdt aan overdreven dierbaarheid, maar aan onmiskenbare ruwheid en profaniteit.

Zo wordt over Jezus' leven met muzikale termen gesproken. Het heet een wohltemperiertes Klavier'.n Een uitdrukking, die de schrijver elders gebruikt om het eigenaardige van de algemene genade, van de cultuur aan te wijzen.o Het ambt van Christus wordt hier niet naar z'n helse angsten en pijnen beschouwd, in verband met de zonde, maar met de aangename zweving, 't veilige midden, de wijze matiging, die eigen zijn aan een wereldperiode, die nog geen hemel, maar ook nog geen hel is, en waarin de vijf broers van de rijke man zich zeer op hun gemak gevoelen.p In de bediening van dat ambt "overkomt nu aan de corrupte wereld weer het mirakel van de verschijning van de gave, schone, ideale mens."q Dat doet mij denken aan de beschrijving van een Antichrist, een satan-gentleman, zoals Corelli3 die vroeger getekend heeft in Smarten van Satan;r meer dan aan de Christus der Schriften. Het heet verder 'een schijnbaar a-culturele kribbe', waarin Hij gelegen heeft, en 'een schijnbaar cultuur-indifferent kruis',s waaraan Hij gehangen heeft. Want uit "een gat ... ergens in een hof ... zal het lijf van deze Mensenzoon dan gaaf, en heel gezond en schoon, weer opstaan op het paasfeest."t Elders wordt gesproken van Jezus"prachtig mensenlichaam na Pasen'.u En zo staat hier weer alles in het teken der plastische schoonheid, zoals zopas in dat der muzikale harmonie. Deze Christus heet dan 'als Kerkvorst' de 'Koning der cultuur'.v Van het ontzettende van het kruis en de schrik der opstanding merkt men hier niets. Met zoveel woorden wordt de mening van Kuyper, dat de religie in haar hoogste vorm zich van het kunstkleed ontdoet, afgewezen.w

En dit Evangelie komt Paulus nu te Rome brengen. Deze "Paulus was één stuk gezondheid. Ook cultuurgezondheid."x Later is "Luther met zijn ronde kop ... als cultuurverschijnsel honderd ducaten waard."y En deze allen, Christus, de profeten, de apostelen, de kerk en de heiligen, zijn er om 'weer typen van het zuivere mensenras' te kweken. De vertegenwoordigers van dit ras, de wedergeborenen, zijn nog niet volmaakt, maar'zijn er toch weer'.z Deze mens is de cultuurmens, "van 't begin de schone mens in de schone hof."a

Is dit alles dus toch zo gemeend? Dr. Schilder bevestigt het zeer beslist. Hij schrijft: "Wij geven toe, dat dit standpunt brutaal schijnt ... Maar wij willen niet anders ... Omdat Wij aanvaarden, dat dit standpunt het bijbelse is, schrikken wij niet terug voor de consequenties."b

Wij hopen dat velen, ook in de Gereformeerde Kerken, wèl zullen schrikken voor deze verabsolutering van de leer der algemene genade, deze ontheiliging van de Schrift.4

Voetnoten

  1. a

    K.Schilder, Jezus Christus en het cultuurleven, in Jezus Christus en het menschenleven, N. Buffinga ed., Culemborg 1932, p. 225-285.↩

  2. b

    K. Schilder, Wat is de hemel?, Kampen 1935, p. 295.↩

  3. c

    K. Schilder, Zur Begriffsgeschichte des "Paradoxon" mit besonderer Berücksichtigung Calvins und des nach-kierkegaardschen "Paradoxon", Kampen 1933.↩

  4. d

    Schilder, Jezus Christus en het cultuurleven, p. 279.↩

  5. e

    A. w., p. 251.↩

  6. f

    *Schilder, Wat is de hemel?, P. 294.↩

  7. g

    *A. Kuyper, De gemeene gratie, 3 dln., Kampen Z.j.2,dl. 1, p. 372. * N. citeert in dit stuk de eerste druk (Amsterdam 1902-1904). Wij verwijzen hier naar de tweede, ongewijzigde druk. De pagina hiervan verschilt van de eerste en is in de voetnoten van N. aangepast.↩

  8. h

    *Ibid. * De cursivering is van N.↩

  9. i

    *A. w., p. 386.↩

  10. j

    *A.w.,dl.2,p.674.*De cursivering is van N.↩

  11. k

    Zinspeling op: Inde irae et lacrimae, Juvenalis 1.168.↩

  12. l

    Kuyper, a. w., dl. 1, p. 458-466.↩

  13. m

    *Schilder, Wat is de hemel?, p. 304 v.↩

  14. n

    *A. w., p. 73.↩

  15. o

    Jezus Christus en het cultuurleven, p. 255.↩

  16. p

    Vgl. *Wat is de hemel?, p. 84.↩

  17. q

    Vgl. *a. w., p. 313.↩

  18. r

    Vgl. *a. w., p. 285.↩

  19. s

    Vgl. *a.w., p. 313.*↩

  20. t

    *A.w., p. 286.*↩

  21. u

    *A. w., P. 63. *↩

  22. v

    *Jezus Christus en het cultuurleven, p. 249.↩

  23. w

    *Wat is de hemel?, p. 86 v.*↩

  24. x

    'A.w., p. 287.*↩

  25. y

    *Jezus Christus en het cultuurleven, p. 277.*↩

  26. z

    Vgl - *a. w., p. 281 v,*↩

  27. a

    *A.w., p. 273.*↩

  28. b

    Vgl. *a. w., p. 260 vv.↩

  29. c

    *A.w., p. 282.*↩

  30. d

    Vgl - *a. w., p. 257 v.*↩

  31. e

    *A. w., P. 268.↩

  32. f

    Vgl. *a.w., p. 265.*↩

  33. g

    Vgl. Kuyper, De gemeene gratie, dl. 1, p. 11.↩

  34. h

    Vgl. bijv. a.w., p. 11 v.↩

  35. i

    Zie Vooral a. w., p. 290 v.↩

  36. j

    Vgl. Schilder, Jezus Christus en het cultuurleven, p. 251 en 271 v.↩

  37. k

    *Kuyper, a.w., dl. 1, p. 381.*↩

  38. l

    Vgl. A. Kuyper, Het calvinisme. Zes Stone-lezingen (in october 1898 te Princeton (N. i.) gehouden), Amsterdam enz. z.j., Kampen 19593,passim.↩

  39. m

    *Jezus Christus en het cultuurleven, p. 263.↩

  40. n

    *A. w., P. 245,↩

  41. o

    Vgl. *a. w., p. 265.↩

  42. p

    Zinspeling op Lk. 16 : 19-31.↩

  43. q

    *Jezus Christus en het cultuurleven, p. 251.*↩

  44. r

    M. Corelli, De smarten van satan. Of de zonderlinge lotgevallen van den millionnair Geoffrey Tempest, Leiden 1898.↩

  45. s

    *Jezus Christus en het cultuurleven, p. 259.*↩

  46. t

    A. w., P. 259 v.↩

  47. u

    *Wat is de hemel?, p. 271.↩

  48. v

    Jezus Christus en het cultuurleven, p. 279,↩

  49. w

    Vgl. a. w., p. 283. Het citaat van Kuyper is te vinden in A. Kuyper, De gemeene gratie in wetenschap en kunst, Amsterdam 1905, p. 44; later opgenomen in één band met De gemeene gratie, dl. 3, Kampen z.j.2, p. 48. K. ontleende deze gedachte aan E. von Hartmann. Zie diens aesthetik, Leipzig z.j., dl. 2, p.458: "Je mehrdie Religion sich im Fortgang ihrer Entwickelung vergeistigt, desto spröder verhält sie sich gegen die Versinnlichung im ästhetischen Schein, desto mehr Künste streift sie von ihrem Kultus als unangemessen ab."↩

  50. x

    *Jezus Christus en het cultuurleven, p. 261.*↩

  51. y

    *A. w., P. 262.↩

  52. z

    *A.w., P. 251.*↩

  53. a

    *A.w., P. 252.*↩

  54. b

    *A -w., P. 270.↩

Eindnoten

  1. 1

    Op uitnodiging van K. Schilder publiceerde N. twee artikelen onder de titel De algemene genade in De Reformatie. Weekblad tot ontwikkeling van het gereformeerde leven 16 (10.1. 1936) nr. 15, p. 115 v. en 16 (17.1.1936) nr. 16, p. 123 v.; opnieuw opgenomen in G. Puchinger, Een theologie in discussie. Overprof. dr. K. Schilder, profeet - dichter -polemist. Met als bijlage het debat Schilder-Noordmans uit 1936, Kampen 1970, p. 70-82 (pag.). In deze artikelen ontvouwde N. zijn visie op de algemene genade en gaf hij een beoordeling van Schilders theologie en van diens verhouding tot Kuyper. S. reageerde daarop in een serie van zeventien artikelen, waarin hij N.'analyse van zijn werk afwees (in De Reformatie 16 (1935/36) nrs. 17/18; 20-27; 30-34 en 36/37 - eveneens opgenomen in G. Puchinger, a. w., p. 84-138). Op Schilders antwoord (zie noot 4) is N. niet verder ingegaan. De Reformatie. Weekblad tot ontwikkeling van het gereformeerde leven, werd opgericht in 1920. Doel: vernieuwing in de Geref. Kerken in de lijn van Bavinck. S. was vanaf de vijfde jaargang tot aan het eind van zijn leven redacteur. Het blad wordt uitgegeven te Goes.

    Voorafgaand aan N.' artikelen plaatste S. in De Reformatie 16 (6.12.1935) nr. 10, p. 75 v. het resumé van N,' lezing Kritieke spanningen in de gereformeerde theologie, dat deze tevoren aan de VU. -studenten, voor wie hij deze lezing hield (zie in dit deel, p. 107-130), had verstrekt (zie Puchinger, a. w., p. 64 vv.). De opmerkingen in deze lezing over de theologie van S, waren voor de laatste aanleiding N. in zijn blad aan het woord te laten komen. Bij het eerste artikel van N. plaatste S. de volgende noot: "Enige weken geleden deelden we aan de lezers mede, dr. O. Noordmans uitgenodigd te hebben, in De Reformatie te schrijven; waarover en met welk doel te schrijven zou zijn is reeds gezegd. Hier volgt dr. Noordmans' eerste artikel. Ik geef eerst aan dr. Noordmans het woord, en hoop, als dr. Noordmans uitgesproken is, mijn antwoord te geven."↩

  2. 2

    Bij het begin van N.' tweede artikel plaatste S. de volgende noot: "Dr. O. Noordmans berichtte ons, dat hij het voorlopig bij dit tweede artikel wilde laten. We danken hem, dat hij onze uitnodiging aanvaard heeft, en hopen volgende week ons antwoord te beginnen."↩

  3. 3

    Zie voor M. Corelli VW., dl. 1, p. 253, noot 5.↩

  4. 4

    Van opname van S.s antwoord op N.' artikelen heeft de red, af moeten zien vanwege de omvang hiervan. Hetzelfde geldt voor een gedetailleerde inhoudelijke samenvatting. Voor een samenvatting van de kern van S.s verweer verwijzen we naar M. E. Brinkman, die in hfdst. 2 van zijn De theologie van Karl Barth: dynamiet of dynamo voor christelijk handelen. De politieke en theologische kontroverse tussen Nederlandse barthianen en neocalvinisten, Baarn 1983, enkele pagina's besteedt aan de discussie Schilder-Noordmans (p. 193 vv.)- We volstaan hier met het geven van een formele aanduiding van de artikelen:

    art. 1: aankondiging dat S. zich genoodzaakt zal zien op de scherpte van N.'oordeel over zijn theologie ('ontheiliging der Schrift') met dezelfde scherpte te reageren. Vooruitlopend op zijn bespreking karakteriseert S. hier N.'theologie als 'ongehoorzaamheid aan de Schrift en daardoor fundamentele verloochening van ons algemeen ongetwijfeld christelijk geloof in een theorie die dit tot elke prijs voorkomen wil'. Daarbij spreekt S. zijn blijdschap uit dat deze confrontatie plaats kan hebben "zonder 'boos' te worden." art. 2: over de vraag of N. een zuiver beeld geeft van Kuypers mening inzake de gemene gratie; weerlegging van N.' bewering dat er op dit punt een tegenstelling zou bestaan tussen Kuyper en S. art. 3: bestrijding van N.' opvatting dat S. de cultuur verabsoluteert. art. 4: in aansluiting aan het vorige art. werkt S. hier uit dat hij niet de cultuur maar het Woord van God absoluut noemt. Dit art. eindigt met de constatering dat áchter het verschil in mening tussen N. en S. een andere Schriftwaardering, een ander geschiedenisbegrip en een andere opvatting van schepping en herschepping schuilt. art. 5-1 1: bespreking van de principiële verschillen tussen N. en S. (toegespitst voor wat N. betreft op diens Herschepping):

    art. 5: kritische bespreking van N.' scheppingsbegrip; constatering dat N. hierin afwijkt van de geref. dogmatiek. art. 6: kritiek op N.' opvattingen inzake de zondeval. S. betwist N.' opvatting dat de verhouding tussen Schepper en Verlosser niet die is tussen Maker en Hersteller. art. 7: korte behandeling van het begrip 'medearbeider Gods', uitgaande van de verbondsgedachte. art. 8: nadere uitwerking van art. 7. Verband medearbeiderschap en Gods voorzienigheid. art. 9: verband medearbeider-Gods-zijn en Christus' verlossing. art. 10: verwerping van N.'opvatting van 'oergeschiedenis': N. heeft zich hiermee volgens S. verwijderd van het historische christendom. art. 11: over de plaats van het verbond in N.' theologie. art. 12-15: bespreking inhoud N.' artikelen in De Reformatie: art. 12: weerlegging van N.' opvatting dat S.s visie op de gemene gratie anti-Kuyperiaans is. art. 13: weerlegging van N.' vrees dat de met S. s gedachten gegeven godsdienstvorm een tegenhanger is van het geloof van de Duitse christenen. art. 14: verdediging van de 'bodemvastheid' van de genade. art. 15: herneming van de kritiek dat S. de cultuur zou verabsoluteren. art. 16: begin slotopmerkingen. Afwijzing van N.' conclusie dat hemel en hel de door S. behandelde thema's zijn in plaats van de aarde. art. 17: Slot: over Christus en zijn ambt.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet onder Weergave de correcties aan om de verbeterde OCR-fouten en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Brieven van Noordmans over neocalvinisme - barthianismeInhoudPersoon of Geest →