Tweeërlei mogelijkheid1
Dr. Miskotte, op zoek naar een onderwerp voor zijn dissertatie, heeft hele velden in de filosofie, de literatuur en de theologie doorwoeld. Waarschijnlijk heeft hij daarbij meermalen de doctorshoed, die hem wenkte, uit het oog verloren. Nieuwe uitzichten lokten hem telkens ver van z'n basis af. 't Laatst overkwam hem dit bij 'een onderzoek betreffende de leer der heiliging in de prediking van Hermann Friedrich Kohlbrugge'. Daarbij "sloeg de schrijver ... een zijpad in en ontdekte daar de mogelijkheid, het Oude Testament als een eigen geestelijke wereld te bezien."a Daaraan hebben we dit boek te danken.
Gelukkig ligt hier dan een gedeelte van de stof, die deze vervaarlijke werker beheerst, vast. Dat de vorm hem juist hier verraste, acht ik niet toevallig. De hypermoderne verfijning van het denken van zijn auteurs moet hem een machtige verleiding zijn geweest om hen te volgen. En niet minder de lyriek van dit oude volk der psalmen, als het onder het schrikkelijke revolutionaire weerlicht der twintigste eeuw zijn leed en zijn liefde weer uitzingt.
Met die mogelijkheid, het Oude Testament als een eigen wereld te bezien, bedoelt de schrijver het volgende. - Wij, christenen, zijn gewend het in het Nieuwe te laten uitlopen. De Jood is echter een bewijs, dat het ook doorloopt. Het volk van het Oude Testament woont in ons midden. Dit weergaloos feit',b zoals dr. Miskotte het noemt, heeft ook vroeger de theoloog vaak tot nadenken gestemd. Daarbij komt dat de Israëliet aanspraak maakt op het Oude Testament.c Hij zegt dat niet de preek in de kerk, maar die in de synagoge een zuivere weerklank geeft op psalmen en profeten. Ook dat is meer gehoord. Maar nieuw is het aanzien van deze moderne getuigen, de gloed waarmee het verkondigd werd, de denkkracht die werd ingezet, de volledigheid van het betoog en de aandacht die er aan geschonken is. Dit alles maakt, dat het op een Jodenmissie in Europa ging lijken.
Deze feiten hebben de belangstelling van dr. Miskotte-getrokken. Die is tegelijk van culturele en theologische aard. Hij heeft het recht te zeggen, dat het laatste gezichtspunt overweegt.d De behandeling is streng en zeer beheerst. Dit zal hem bijwijlen geen geringe inspanning hebben gekost. De verleiding tot romantiek was hier wel heel groot. Het getuigt van wijs beleid en zelfkennis, dat al het biografische zo streng werd geweerd.
"Die Juden sind ja jetzt mitten in einer gewaltigen, weit übers Politische hinaus den Geist der Nation in seinen Tiefen aufwühlenden Renaissance."e Dit stuk van een citaat uit het boek onthult ons de situatie. Dat er iets met het oude volk gaande is leert ons de jongste historie voldoende. Maar het boek van Miskotte verdiept voor ons heel sterk de achtergrond van dat gebeuren. Het zendingsbewustzijn der Joden ontwaakte tegelijk met het antisemitisme in Duitsland: omstreeks 1880.f De prioriteitsvraag behoeft hier niet gesteld. Zulke verschijnselen komen paarsgewijze op uit de diepere lagen der historie. De kracht die thans het ras en het lot in Duitsland naar voren doet komen,g moet in het donker van de verborgen gronden reeds lang gestoten zijn op de Joodse geest, die, zoals we zullen zien, precies andersom gericht is.
In ieder geval, het Jodendom werd zich weer bewust van zijn 'bijzonderheid' en zijn 'volledigheid'.h Rosenzweig,3 een der auteurs van dr. Miskotte, drukte dat zo uit: "aber wir ... sind ewig."i Men zag de mogelijkheid van een Joods katholicisme als resultante van een eeuwige jeugd en allermodernste rijpheid.j Bindingsmiddel van deze wereldkerk zou zijn een ethische tering, beantwoordend aan de ernst van het bestaan in z'n menselijke openbaring en toepasselijk op de meest gecompliceerde technische verhoudingen der moderne cultuur. Het heidendom, dat wij van de antieke staat hebben geërfd, zou daarbij messiaans moeten worden opgeruimd. - En met ⚑dit ethisch katholicisme 'wichelde' de Jood dan langs de germaanse aarde, 'wahlverwant' met Reformatie en Humanisme.k Daar trad de Duitse Jezus hem tegemoet, tegelijk als bloed- en geestverwant,l symbool van een kerk, die Joods-bijzonder en modern-volledig zou zijn.
Deze kerk heeft geen dogma; de traditie heerst er.m In de negentiende eeuw sliep de Joodse theologie.n Maar in de twintigste vragen de moderne staat, de synagoge zelf en de christelijke kerk, alle drie: Wat is een Jood? Dat maakt, meent dr. Miskotte, bezinning op Joodse theologie nodig.o De Jood zelf vraagt naar de zin van de zendingsboodschap, die hij heeft te brengen.p En voor de christen dezer dagen staat de betekenis van het Oude Testament op het spel.q Alles nog iets meer dan op de datum, toen dit boek verscheen. De wereldslinger slaat van Logos, de wereldrede uit naar Eros, het wereldverlangen.r Elk volk zoekt z'n God.s Zo luidt een van de teksten van Miskotte's boek.
Als gevolg hiervan en ook om te ontkomen aan het mefistofelisme, dat hem bedreigt, omdat hij als balling en modern mens 'dubbel ontworteld is',t zocht de Jood het in drie richtingen, het zionisme, de herleefde orthodoxie en de godsdienstfilosofie. Alle drie komen op voor de Thora.u Geen ethicering of secularisering vermag deze godsdienstige bron op te drogen. De vertaalbaarheid van het Oude Testament, zo zien deze Joden het, maakt het tot de Heilige Schrift der mensheid.v 't Hele christendom is een poging om het in het Arisch te vertalen. De Jood der twintigste eeuw voelde zich echter in staat het beter leesbaar te maken voor de Duitse ziel.
In deze zendingslectuur heeft dr. Miskotte zich verdiept. Een dogmatische formulering van het verschijnsel was niet mogelijk, omdat de grondgedachten van het Jodendom op steeds doorgaande vertolking zijn aangelegd.w Daarom tracht de schrijver ze machtig te worden volgens de zgn. fenomenologische methode. Men geeft ze dan niet zoals men ze toevallig tegenkomt. Men stelt echter ook niet de laatste waarheidsvraag. Men gaat er tussen in.x In dit geval moest er gezocht worden die vormen in het oog te krijgen, waarin de waarheid der Joodse gedachte het meest kans had om anderen te overtuigen.
Als getuigen moesten daarbij allereerst dienen een vijftal schrijvers, die men de grote profeten in Miskotte's boek kan noemen. Het zijn Max Brod, Leo Baeck, Hermann Cohen, Martin Buber4 en Franz Rosenzweig. De beide eersten stellen de Joodse gedachte meer stuksgewijze tegenover de Europees-christelijke, terwijl de anderen ieder een geheel van levensbeschouwing voordragen. - Daarna worden enkele 'extremen' behandeld, schrijvers die op de flanken van het Joodse denken zich bewegen, de communist Ernst Bloch, de atheïst Constantin Brunner en de nihilist Franz Kafka.5 De reeks wordt gesloten door enkele nieuw-orthodoxen.
Een overzicht te geven van deze uitgebreide stof is in zo kort bestek niet mogelijk. Even wil ik de vijf eerstgenoemde schrijvers, waaraan Miskotte enige honderden bladzijden wijdt, de revue laten passeren.
Max Brod onderscheidt in het leven edel en onedel leed. Het edele moet men dragen, omdat het ons nader tot God brengt en ons genade leert verstaan. Maar er is ook leed dat we met Gods hulp moeten trachten uit de wereld te werken.y Er is wel verband tussen beide, maar in één bepaalde richting. De mystiek van 't geloof heeft een uitgang in de praktijk, in het helpen van God tegen het onedele. De Thora draagt de wetenschap, de kunst en de politiek. - Het lot wordt hier op drie manieren verzedelijkt: 1. door het leed te noemen; 2. door het te delen in edel en onedel leed; 3. door voor de genade een stroombed te zoeken in de cultuur.
Leo Baeck, Berlijns rabbijn, schrijft meer kerkelijk. Hij plaatst geheim en gebod tegen elkaar over.z Het geheim is het monotheïsme. Daarin is de natuur, waarin het heidens levensgevoel zich beweegt, verlaten. In het monotheïsme wentelt de geest om zijn eigen as, door een innerlijke dialectiek. Drager van deze kosmische genialiteit is Israël. Zo wordt deze religie universeel, maar de band tussen het volk en zijn God wordt toch niet verbroken. Want de wereld keert van Hellas tot Israël in. Eerst in de Reformatie tot de Duitse mens, maar door hem tot de ware protestant, de Jood.a Zo worden bloed en geest hier als verbonden gezien door Israël. - Ook bij Baeck gaat de beweging in één richting, van het geheim naar het gebod. De medemens staat voor hem in 't hart der religie, niet pas in de ethiek.b Luthers leer, die van het gebod naar 't geheim brengt, heet bij hem Europa's noodlot. En de staat, zoals Luther die laat gelden, het tegendeel van messianisme.c
Hermann Cohen is de bekende grondlegger van het neokantianisme. We leren hier echter een zeer bijzondere zijde kennen aan het werk van deze grootmeester der functionele gedachte, in aansluiting aan zijn filosofie van de godsdienst. Hier is het hem te doen om de enkeling, de leeddrager, de Jood.d Voor de wereld van het leed kan de Israëliet als 'apriori' gelden, zuivere onderstelling van dit algemeen menselijke.
Cohen houdt echter de lijnen van zijn denken ook hier nog heel strak. Maar hij acht dat nodig om een flinke afstand tegenover de natuur te bewaren. Anders kan men niet voor haar zorgen. Hij vindt het beter dat God in de methode vernevelt dan dat zijn volk zijn gebod tegenover de wereld niet nakomt. - Ook hier weer wijst alles in de richting van het gebod, de praktijk, de daad. Dat is, bij de wederkerigheid van God en mens, een opvallend iets. Cohen noemt het daarom met nadruk correlatie, omdat de menselijke pool in de verhouding zo grote nadruk krijgt.e En dr. Miskotte plaatst straks onder het gezichtspunt van deze correlatie de hele Joodse godsdienstfilosofie.
Martin Buber, een Oostenrijker, is de mysticus onder deze schrijvers. Na een periode van intens meeleven met de grotestadscultuur van Wenen kwam hij onder de diepe indruk van het chassidisme,6 een Joods réveil uit de achttiende eeuw. De zin der menselijke daad werd hem hier geopenbaard.f De betekenis daarvan ligt weer in de wederkerigheid.g De grondwoorden van 't ware Jodendom leerden hem dat ze wilden uitdrukken, niet wat God of de mens is, maar wat zich tussen hen beweegt,h De heilige is geen rustende, maar een schrijdende gestalte,i een vorstelijke figuur, die het rad der wereld wendt. - De arbeid is niet koud-zakelijk, maar God is er in verzonken als in de methode bij Cohen. Hij neemt het karakter van een dialoog aan, waarin een mythische sprake over de wereld gaat.j - Met dit mythisch mysticisme sluit Buber dan aan bij de moderne filosofie der existentie.k De mens die de roep der mythe verstaat, dat is de mens van't naakte leven, de eenzame, de Jood; die alle tempelschaduw verlaten heeft voor de onbeschutte werkelijkheid.
Heel uitvoerig wordt Franz Rosenzweig, schrijver van Stern der Erlösung, behandeld. Hij zoekt een nieuw denken, waarbij men de dingen in hun wezen laat.l Men moet niet, zoals het idealisme, achter God naar God zoeken. God is God en de mens is mens.m Maar daarom heeft dat 'zijn' zo'n heel verschillende betekenis in beide gevallen. Men moet naar dat zijn niet vragen, maar naar wat ze doen en lijden.n Dat is de verhalende wijsbegeerte,o waarvoor men 't geschreven woord nodig heeft.
In die wijsbegeerte regeert de tijd. Het eerste blijft het eerste en men kan geschiedenis niet construeren. Hellas verhaalt ook al van God en mens en zijn heidendom blijft klassiek. Maar men mag zijn vormen niet zomaar laten gelden. Hellas is als 't begin van een sprookje: 'er was eens'. Uit de Openbaring moet er verder verteld worden. En daarom geeft het nieuwe denken het woord aan de theologen, de Joden.p
De nieuwe theologie vraagt niet naar waarheid maar luistert naar 't verhaal van een gebeuren; het grote gebeuren der Schepping; het oude, duistere, verlatene gebeurenq Hier waakt het wonder in iedere hoekr en breekt uit met de openbaringsklank: 'gij'.s De Jood, die dit hoort, keert het heidendom de rug toe, maar vergeet niet, dat't uit de Schepping luid werd. Hij blijft mens in dezelfde werkelijkheid als de heiden.t
De openbaring graaft zich nog dieper in de tijd in dan de Schepping. In het kerkelijk jaar loopt de ware historie van God, mens en wereld en daarbij komt ook het einde, de Verlossing in 't zicht.u Volgens dr. Miskotte klopt echter in de leer der Openbaring, de middenschakel tussen Schepping en Verlossing, het Joodse hart het meest hoorbaar.v De zin der Openbaring wordt door Rosenzweig ontwikkeld in een leer der absolute liefde, waarin alles tussen God en mens wederkerigheid is.w In de 'schreeuw' wordt dit minnespel doorbroken en keert de mens tot de werkelijkheid terug, die nu als Verlossing beleefd wordt.x
Ook hier, evenals bij Baeck, is Israël het volk van de kosmische genialiteit. Het is, sedert Abraham, los van deze aarde en wordt in de Openbaring, in de erotische dialectiek van zijn monotheïsme, zo sterk boven de natuur uit geheven, dat het zich niet thuis meer voelt in de Schepping. Het is een 'metafysisch volk',y hetzelfde wat Cohen het 'apriori' noemde. Maar nog sterker dan bij deze laatste wordt de correlatie tussen God en mens tot een 'dualis'-vorm.z
Buitengewoon merkwaardig, deze groep Joodse godsdienstfilosofen, die aan dr. Miskotte het wezen der Joodse religie verraden. Hier is een opvatting van het menselijk bestaan, waarbij dit laatste schepsel van de zesde dag, de Abraham-Adam, de Jood-mens, zo apart aan de hand van God door de historie gaat, dat hij nauwelijks meer een schepsel kan genoemd worden, maar een uitbeelding wordt van de Messias. Vrij van alle binding door de grond of door het lot, en op aarde altijd in ballingschap, Meer een vooronderstelling dan een realiteit, en toch als zodanig de zin der humaniteit in zich dragend. De mensheid voorstellend, die zich, al wentelend om eigen geestelijke spil of liever als dubbelster of satelliet met God samen wentelend om een gemeenschappelijke as in de ruimten der eeuwen naar een onbekend doel beweegt. En die in deze onrust haar rust vindt.
Dr. Miskotte ziet in deze correlatie-leera een zelfstandige voortzetting van het Oude Testament. Als de profetie niet uitkomt aan het Kruis, dan kan ze ook met oplopende spanning doorgaan. Maar ze krijgt dan het karakter van avontuur,b omdat Jezus het 'het is volbracht' reeds heeft gesproken. Alle substantialiteit, al het gegevene als genade, als dogma, wordt opgelost in de functie van de heiliging.c Niet alleen de heidense gelatenheid tegenover het lot, maar ook de christelijke verzekerdheid wordt in deze wervelwind van ethiek meegevoerd. Alleen de verbondsgedachte blijft als laatste rest in het seculariseringsproces over.
Met dit laatste worden we dan tevens herinnerd aan veel, wat in het Joodse leven en denken een tegenwicht vormt tegen het bovenstaande. Het intieme familie-leven en het bewustzijn een uitverkoren volk te zijn ook als bloedgemeenschap.d De 'Mensch draussen' kan de 'Jude drinnen'e niet helemaal ontlopen. Zo is ook het begrip 'Umkehr' bij de schrijvers van dr. Miskotte naar twee kanten te interpreteren.f Het kan de omkeer zijn in de wenteling, die geheel ondergeschikt blijft aan de ethische beweging in voorwaartse richting. Maar hij kan ook de gedachte oproepen aan een mogelijkheid, die daar tegen ingaat; een inkeer tot Christus.
Deze laatste mogelijkheid schemert even door bij Franz Kafka, schrijver van de mystische vertellingen Der Prozess en Das Schloss. Tot hem moet dr. Miskotte zich wel heel sterk aangetrokken voelen en hij zal hem sterk bezig gehouden hebben. Ik noemde hem nihilist. Miskotte heeft nog geen naam voor hem. Dat strijdt niet tegen elkaar. Kafka is de man van 'alles of niets'. Bij Kafka gaat de atheïstische kritiek door tot de meest alledaagse dingen van het leven. Niet allereerst God, maar de wereld heeft er onder te lijden. Er bestaat hoogstens een ironische samenhangg tussen God en wereld, een gedachte die ook H. G. Wells8 ergens uitspreekt. Er is "een minimale kans ener eschatologische uitkomst..."h
Miskotte schrijft van hem: "Er is een merkwaardige plaats in Der Prozess (S. 374 f.) waar de abstracte mogelijkheid der christelijke verkondiging ... wordt overwogen."i Daarop doelde ik zopas. Tegenover 'de mogelijkheid, het Oude Testament als een eigen geestelijke wereld te bezien' wordt hier een andere mogelijkheid even aangeduid. Er is een kansel in een domkerk. En van het bestaan daarvan overtuigt zich de held van het boek al tastende langs de stenen, terwijl buiten de kerk het wereld-onweer woedt.j Ik zou mij daarop niemand eerder dan Kohlbrugge kunnen voorstellen. Ik vermoed dat dr. Miskotte hem er op zou plaatsen.
Deze beide mogelijkheden bestaan hier dus naast elkaar. Dr. Miskotte heeft vooral aan de eerste vorm en uitdrukking gegeven. Hij heeft daarmee dialectisch positie gekozen tegenover zijn eigenlijk onderwerp: 'de leer der heiliging in de prediking van Kohlbrugge'k. Het verwondert mij niet dat prof. Kohnstamm zijn vraag stelde in het Weekblad voor Christendom en Cultuur van 14 juli 1933.9 Moet de overgang van de ene mogelijkheid naar de andere zo dialectisch zijn? Moet de Jood over Kafka tot Jezus komen? De wegen van de Geest zijn meestal meer geleidelijk dan die der gedachte. Is het Israël der realiteit hier ook te sterk betrokken in de gedachtenvlucht van enkele filosofen?
Dit zijn enkele vragen, die bij mij opkwamen na lezing en herlezing van dit merkwaardige boek.