De senectute1
Het is goed dat collega Visser in zijn Naschrift in nummer 6 van Het Orgaan zijn opvatting van ordinantie 13, artikel 40 nog eens nader heeft uitgelegd. Ik heb het daarop ook nog eens bekeken en dat bracht mij tot eigenaardige conclusies.
Laat mij beginnen met op te merken dat mijn exegese niet meer gezag had dan de zijne. Want het ontwerp-kerkorde, waaraan ik heb meegewerkt en dat aan de Synode werd aangeboden,2 had geen bepaling over de zeventigjarige emeritus; ook niet in de artikelen 35 vv., waarin over bijstand via het pastorale werk gehandeld werd. De functionarissen die deze bijstand verlenen, heetten daar allemaal hulppredikanten. Zij waren voor vijf jaar benoembaar. Het waren: dienstdoende predikanten, zendingspredikanten, emeriti en proponenten.
Men weet dat hoofdstuk VIII van ord. 13 door de Synode sterk is omgewerkt, in verband met de nood bij het pastoraat. Er ontstonden drie nieuwe functies: pastorale medewerkers, hulppredikers en vicarissen3 (art. 36-38). En nu wil ik op een belangrijk punt wijzen in verband met de exegese van ord. 13, art. 40. In het ontwerp van onze commissie voor de kerkorde werd voor de bevoegdheden van alle hulppredikanten in art. 36 verwezen naar de ordinanties, waarin deze reeds waren vastgelegd. Dat wil zeggen voor de zendingspredikanten naar ord. 4, art. 10, al. 3; voor de emeriti naar ord. 13, art. 28 en voor de proponenten naar ord. 7, art. 18, al. 2. Zo behoefde er alleen nog bijgevoegd te worden dat dienstdoende predikanten als hulppredikant geen ambtelijke vergaderingen mochten leiden. En tenslotte dat zij, die het kerkelijk examen hadden afgelegd, ook hulppredikant mochten worden en waartoe zij dan bevoegd waren. Verder werd in hoofdstuk VIII over bevoegdheden niets gezegd. Die waren vastgelegd ter plaatse waar dat behoorde, plaatsen, die ik boven heb genoemd.
In de kerkorde, zoals de Synode die bij eerste lezing heeft vastgesteld, kon men het daarbij niet laten. Immers hier waren drie nieuwe functies geboren: pastorale medewerkers, hulppredikers en vicarissen. Voor hun bevoegdheden kon men niet verwijzen naar vindplaatsen in andere ordinanties of hoofdstukken. Men moest ze zelf regelen, zoals dan ook is geschied (art. 36-38).
En nu is dit het verwarrende, dat men zich gedragen heeft alsof men dat ten opzichte van de proponenten en de emeriti ook kon doen. Alsof in de artikelen over de bijstand de eigenlijke plaats was, waar de bevoegdheden ook van deze mensen werden geregeld (art. 39 en 40).4 Men schrapte alvast de regeling van de bevoegdheden van de proponent daar, waar zij behoort te staan: in ord. 7, art. 18, al. 2 van het ontwerp onzer commissie voor de kerkorde. En men bracht die over naar ord. 13, art. 39, nr. 1 van Eerste lezing, waar zij niet hoort.
En zo deed men nu ook ten opzichte van de emeriti. Weliswaar liet men art. 28 van ord. 13 staan. Men had niet de moed om het te schrappen, zoals bij de proponenten. Maar men deed alsof het eigenlijk hier thuishoorde en hier definitief werd vastgesteld. Men bestreed het, zoals collega Visser het noemde, door er die omineuze bepaling de senectute aan toe te voegen.
consequent ware geweest als men zo ook gedaan had in art. 41 met de dienstdoende predikanten. Als men de bevoegdheden van dezen ook in hoofdstuk VIII had omschreven, omdat zij ook wel eens als bijstand optreden. Maar dan zou de dwaasheid zo duidelijk gekroond zijn, dat dit niet ging. Met de proponent en de emeritus meende men het zich echter te kunnen veroorloven. Men hokte ze in bij de pastorale medewerkers, de hulppredikers, de vicarissen, alsof zij eigenlijk ook bijstand-figuren waren, wier bevoegdheden elders niet goed konden worden bepaald.
De proponent en de emeritus als zodanig worden echter niet in hoofdstuk VIII geschapen. Zij bestaan al lang voordat er een beroep op hun hulp gedaan wordt. Hun bevoegdheden horen te staan in de ordinantie over opleiding en in het hoofdstuk over het emeritaat. In eerste lezing echter werd, zoals wij zagen, de eerste locus geschrapt, de tweede weersproken. Dit verraadt een grove kerkrechtelijke misvatting. De proponent en de emeritus zijn alg zodanig geen hulpfiguren. Zij bekleden een vrij, geestelijk beroep. De proponent begint er mee en de emeritus eindigt er mee. En een dienstdoend predikant bekleedt, als hij plaatselijk werkzaam is, ook dit vrije beroep. Hij is tegelijk dominee van de hele kerk. Dat is de heerlijkheid van het ambt. Daarom is het een dwaze aanmatiging als men in een reglement op de bijstand de bevoegdheden van deze lieden zou gaan bepalen. Dat te doen voor de proponent en de emeritus is even grote dwaasheid als wanneer men het zou doen in art. 41 van ord. 13 voor de dienstdoende predikant.
Een arts, die afgestudeerd is, gaat een vrij beroep uitoefenen. Hij mag in 't hele land tien miljoen mensen de pols voelen, van de Dollard tot het Zwin. Natuurlijk is hij wel benoembaar als schoolarts te Winschoten. En men kan bepalingen maken zoveel als men wil ten opzichte van de aard en de duur van zijn werkzaamheid in die betrekking. Maar men zal er zich wel voor wachten daarin een clausule op te nemen omtrent de duur van zijn vrij beroep. Ook als hij te Winschoten op 65-jarige leeftijd uit de scholen moet, dan mag hij toch tot zijn dood toe alle Nederlanders de pols voelen.
Van zulke dingen schijnt men op het bureau, waar art. 39 en 40 geredigeerd zijn, geen notie te hebben. Er moet een eind komen aan deze kerkelijke bureaucratie, die zich vergrijpt aan het wezen der kerkelijke waardigheden.
Dit waren de conclusies, waartoe ik kwam nadat coll. Visser mij had gewezen op het 'en' in art. 40, waardoor de eerste helft van dat artikel wordt tot een bepaling van de bevoegdheden van de emeritus-als-zodanig, alsof hij, evenals de vicaris, naar zijn wezen een hulpfiguur was. En nadat ik datzelfde 'en' ook had opgemerkt in art. 39 bij de proponent. Ten opzichte van wat er staat ben ik daardoor in het schuitje van Visser gekomen. De bedoeling moet ik, zoals ik reeds zei, evengoed als hij afleiden uit wat er staat. Ik heb aan deze nieuwe artikelen niet meegewerkt. En nu ben ik wat die bedoeling betreft ook niet meer gerust. Het schrappen van de bevoegdheden van de proponent in ord. 7 en de overbrenging daarvan naar hier kan in ieder geval niet hersteld worden door een redactiewijziging van art. 39. In verband daarmee vermoed ik dat de redactor in art. 40 ook wel geweten heeft wat hij schreef en dat hij de bepaling 'de senectute' zeer bewust in het eerste deel van art. 40 heeft geplaatst, om art. 28 te verkrachten.
Er schuilt achter deze dingen iets vreemds, waarop ik tenslotte nog moet wijzen. De bepalingen 'de senectute' maken de indruk van een zekere achterbaksheid. Er bestaat blijkbaar een zekere zijde, die gebrand is op de senectute-bepalingen. Men krijgt de indruk dat deze 'zijde' de voordeur is uitgegooid en nu door de achterdeur weer probeert binnen te komen. Deze zijde' werkt met wat de Duitsers 'Leisetreter' noemen. Men leest er gemakkelijk overheen. Ik deed dat tot nog toe bij art. 40 ook. Het hoofdbestuur in zijn Capita Selecta liet de bedoeling in het midden.5 Men krijgt de indruk van een opzettelijke onduidelijkheid. De bepaling de senectute is in eerste lezing met buitengewoon korte en onduidelijke wendingen toegevoegd. Wat de kortheid betreft wijs ik nog eens op ord. 1, 16, 4, waar men leest dat ambten, bedieningen en functies, waaraan inkomsten verbonden zijn, op vijfenzestigjarige leeftijd worden neergelegd, "terwijl overigens de leeftijdsgrens van zeventig jaren geldt". Deze laatste bepaling kwam in het ontwerp-kerkorde van de commissie niet voor. Daardoor worden nu alle ouderlingen, diakenen, commissieleden enz. tot aftreden gedoemd. Actief deelnemen aan het kerkelijk of geestelijk leven wordt op zeventigjarige leeftijd verboden. Duizenden en nog eens duizenden worden er door getroffen. Met een variant op een beroemd woord van Churchill kan men zeggen: "Nooit werden zovelen door zo weinig woorden ten dode opgeschreven."6 Zij worden allen gedeponeerd in het massagraf. Overigens: In die wijd gapende kuil wordt ongeveer alles wat kerkelijke en geestelijke adem heeft neergeschud. De kerk zou, als dit artikel werd aangenomen, zelfs Hitler hebben overtroffen. De Nazi's hebben, voor zover ik weet, het leven op zeventigjarige leeftijd nooit verboden.
Deze enormiteiten, de opheffing van het vrije geestelijk beroep van de hele predikantenstand, van proponent tot emeritus, en het verbod op het leven, lijken zo voorzichtig mogelijk in het ontwerp-kerkorde te zijn ingevlochten. Men heeft enige tijd nodig om het te ontdekken. De Synode moge op haar hoede zijn!
Wat bovengenoemde opheffing betreft, de emeriti behoeven daartegen niet weerloos te staan. Hun vrij beroep kan hun bij reglementsartikel niet worden afgenomen. Het draagt in zekere zin een character indelebilis.7 En dat ontlenen zij niet aan een kerkorde, allerminst aan een hoofdstuk over hulpdiensten. De kerkorde constateert het slechts. Het is een opdracht, die hun reeds als proponent van hogerhand gewerd.