Deel 5
Strategie. Om de rechte orde der kerk
- I. De tegenwoordige positie van de predikant
- 1De tegenwoordige positie van de predikant192124
De redenen, waarom N.' artikelen over bovengenoemd, zo triviaal klinkend onderwerp, door de redactie werden opgenomen, zijn in de Verantwoording opgesomd.
- 2Sociale mogelijkheid en algemeen sociaal ideaal192035
OBNP. 2 (1 5.6.1920) nr. 5. Dit artikel verscheen tussen de beide synodevergaderingen van april en augustus 1920 (zie n. 1.1).
- 3Isolement192139
OBNP. 3 (15.2,1921) nr. 1. Met 'isolement' is bedoeld het isolement van de predikant binnen een organisatie die niet bij machte was bestaande structuren als 'de stichting' te doorbreken en een geestelijk functioneren van haar werkers te effectueren. In feite versterkte de bestaande organisatie bedoeld isolement. Zie voor de achtergronden ook van dit art.: n. 1. l.; 4. l; vgl. dr. A. de Groot, a. w.
- 4Antwoord op 'Macht is recht'192148
Ingezonden in NRC. 9.4.1921, Avondblad C, als antwoord op een Ingezonden van dr. 1.M.J. Hoog in NRC. 4.4.1921 Macht is recht. Zie ook hier n. 1.1; 3.8; 10.9, 10.
- 5Mobilisatie192151
Aan dit artikel in OBNP. 3 (15.9.1921) nr. 7 ging vooraf een (vanwege het zuiver technisch karakter ervan niet opgenomen) artikel van N. in hetzelfde tijdschrift dd.15.4.1921, getiteld Minimum-traktement.
- 6Bondsorganisatie192154
OBNP. 3 (15.10.1921) nr. 8. Korte samenvatting inhoud: De aaneensluiting der predikanten in een organisatie komt voort uit het inzicht in het tekortschieten van de liberale mentaliteit met zijn excessieve individualisme, inherent aan de bestaande (schijn)organisatie: zij is een domineeskerk zonder werkelijke invloed van de predikant. Kennelijk heeft N. gedeelten van dit artikel ontleend aan De tegenwoordige positie van de predikant (nr. 1). Vgl. daarom de aldaar gegeven annotatie.
- 7Pastorale ethiek192157
OBNP. 3 (15.12.1921) nr. 10. In dit artikel raakt de strijd voor de traktementen geheel aan de reorganisatiebeweging. Beide keren gaat het om het inhoudelijk functioneren, om de plaats van de kerk in de wereld, om de ethiek van het ambt. Ook in dit artikel zijn er overeenkomsten met de lezing de tegenwoordige positie van de predikant (nr. 1). Mogelijk heeft de meer militante houding van N. te maken met de slechte ervaringen in Suameer.
- 8De taak der besturen in 1922192260
OBNP. 4 (15.5.1922) nr. 4. Het gaat over de gecompliceerde verhouding van bestuur en beheer. Hieraan vooraf gaat een Orgaan-artikel Pensioenpremie, verschenen in hetzelfde Orgaan-nummer als Pastorale ethiek, 3 (15.12.1921) nr. 10. N. keerde zich in dit niet opgenomen artikel tegen de plannen om aan de predikanten een verplichte pensioenpremie op te leggen. De traktementsregeling was immers nog niet geëffectueerd door weigerachtigheid van veel kerkvoogdijen.
- 9Roeping en loon192262
OBNP. 4 (15.5.1922) nr. 4.
- 10Antwoord op 'Afschaffing van eigendomsrecht in de Hervormde Kerk'192465
Een Ingezonden in de NRC. van 11.3.1924. Voor dr. Hoog zie n. 3.8. Het genoemde artikel is een in gezonden in de NRC. van 23.2.1924, getiteld Afschaffing van eigendomsrecht in de Hervormde Kerk. Dr. 1. M. J. Hoog betoogt daarin het volgende: "De onderscheiden gemeenten van de Nederl. Hervormde Kerk zijn ieder op zichzelf genomen eigenaressen van meer of minder goederen, deze gemeenten zijn rechtspersoon die, in geval van nood, haar eigendommen tegen aanranding moeten verdedigen ... Is het mogelijk de rechtsgrondslag aan te wijzen waarop het ingrijpen van de synode in het beheer rust, de rechtsgrondslag waarop zij laat grabbelen in de particuliere eigendommen der gemeenten? ... De malligheid dat de Raad, die officieel Raad van beheer is gedoopt, eigenlijk bij vergissing zo is genoemd, omdat beheer toch weer géén beheer is, breng ik alleen als zodanig in herinnering. Intussen zal'deze creatie (= de Raad van beheer - red.) spoedig het machtigste lichaam in de Hervormde Kerk ... zijn' (mr. Bartels)." Hoog vraagt of het niet mogelijk is "dit despotisme te keren" en besluit: "Wellicht zal de nieuw opgekomen beweging onder de kerkvoogdijen ... gesteund door het advies van prof. Van Apeldoorn al dit mogelijke doen."
- 11Professor Van Apeldoorn en de synode192468
Dit Ingezonden van N. in de NRC. van 17.4.1924 werd kennelijk geschreven n.a.v. het Advies van prof. Van Apeldoorn. Voor volledige titel, zie n. 3.5.
- 12De bevoegdheid tot traktementsregeling192471
In dit Ingezonden in de NRC. van 1 1.5.1924, ochtendblad, zet N. zijn ()p 17.4.1924 met Van Apeldoorn begonnen discussie voort. Zie N.' artikel Prof. Van Apeldoorn en de synode (nr. 1 1). Het is ons niet bekend of en in welke vorm prof. Van Apeldoorn heeft geantwoord.
- 13Een oud synodaal recht192475
In dit Ingezonden in de NRC. van 3.6.1924 gaat het 'gesprek' met Van A. door. Onderwerp is nu de weigering van approbatie als oud, algemeen erkend recht der besturen c.q. kerkelijke vergaderingen in hun zorg voor 'het lot van de dienaren der kerk', desnoods tegenover de plaatselijke gemeenten. Zie n. 4.6; 12.3.
- II. Het eschatologisch karakter van kerkelijke tucht
- 14Het eschatologisch karakter van kerkelijke tucht193082
AWCC. 5 (3.1.1930) nr. 10. De publikatie viel dus precies vóór de synodezitting van 7-10 januari 1930, waarin de reorganisatievoorstellen van de 'commissie van vijf' aan de orde kwamen. Met tien tegen negen stemmen was deze cie. (zie noot 17) door de synode van 1927, op verzoek van de Confessionele Vereniging, ingesteld met de opdracht een kerkregering te ontwerpen "waarbij ten volle gerekend wordt met de ambten der Kerk en waardoor de ware eenheid bevorderd wordt en onze Kerk weder een belijdende Kerk zij in het midden van ons volk". De voorstellen werden door de synode van 1929 verwezen naar een buitengewone synodevergadering op bovengenoemde datum. Deze verwierp ze met tien tegen negen stemmen (zie n. 1.13). Dit leidde tot de oprichting van het Nederlands Verbond tot Kerkherstel (KHe.) met als voorlopig bestuur: Th. L. Haitjema (voorzitter), R. B. Evenhuis (secretaris), G. P. van Itterzon, M. Jongebreur en G. Oorthuys, waarin de gehele orthodoxie van confessionelen, gereformeerde bonders, kohlbruggianen (en ethischen!) vertegenwoordigd was. Het vroeg de synode terug te komen op haar besluit en in elk geval het Grote-Synodevoorstel opnieuw te overwegen. De synode beschikte afwijzend. Het orgaan Nieuw Kerkelijk Leven (NKL.) verscheen voor het eerst september 1930 en de druk bezochte eerste vergadering werd te Utrecht belegd op 15.10.1930, waarin de eis van een 'ondubbelzinnige Christus-belijdenis onzer kerk' werd uitgesproken. In het voorlopig reglement sprak men zich uit voor een kerk in de lijn van antwoord 54 van de Heidelbergse catechismus. Vgl. H. Bartels, Tien jaren strijd om een belijdende kerk. De Nederlandse Hervormde Kerk van 1929-1939, diss. Utrecht, Den Haag 1948, p. 8-27, 34-40.
- 15Wat wil Kerkopbouw?193188
Deze, slechts in manuscript voorhanden en in een rafelig slot uitlopende lezing werd gehouden op een conferentie, belegd door het moderamen van Kerkopbouw op 9 en 10 april 1931 te Bilthoven, voor een bespreking met een aantal vrijzinnige genodigden waaronder prof. dr. J. Lindeboom en de predikanten B. J. Aris en K. A. Beversluis. De andere spreker was prof. dr. A. M. Brouwer (zie n. 20.2), die het tot stand komen van KO. schetste en zei wat men wel en niet wilde, ook met betrekking tot de tucht. De conferentie was een antwoord op de vraag of vrijzinnigen konden toetreden tot de Vereniging. Die vraag was gesteld op de oprichtingsvergadering(16.2.1931 in I'Europe te Utrecht). In het toen gegeven antwoord was o.a. gezegd: 'Wie beginselen en punten aanvaardt is welkom.' Bedoeld was het zgn. 'Beginselprogram', ook wel 'Werkprogram' genoemd. Daarnaast lag het kortere Manifest, ondertekend door het voorlopig moderamen (o.a. Kohnsta Korff, Van der Leeuw en Noordmans), in vlugschriftvorm gereed ter oprichtingsvergadering. Hier spraken A. M. Brouwer (opening), W. Th. Boissevain (De kerk in haar verscheidenheid), G. van der Leeuw (De kerk in haar dienst), F. W. A. Korff (De dienst der kerk aan de wereld). Vgl. Kerkopbouw, toespraken gehouden op de stichtingsvergadering der vereniging op 16.2.1931, Zeist 1931.
- 16Geest en hoofdzaak193198
KO. 1 (8.5.1931) nr. 3.
- 17Organisatie en waarheid193199
KO. 1 (t 0.7.1931) nr. 8 = A WCC. 7 (10.7.1931) nr. 37. Het blad KO., orgaan van de Vereniging Kerkopbouw, is in feite tweemaal gestart (heeft dus ook twee eerste jaargangen). De eerste keer begon het als onderdeel van A WCC. op het derde blad van de omslag en wel op 24.4.1931. In deze vorm verscheen het onder de naam Kerkopbouw, Berichten en Mededelingen der Vereniging'Kerkopbouw', van 24.4.1931-22.4.1932 (nrs. 1-29) als tweewekelijks tijdschrift, onder redactie van m.n. ds. J. G. W. Goedhard. In mei 1932, jg. 1, nr. 1, verscheen het zelfstandig onder de naam Kerkopbouw, Orgaan van de Vereniging 'Kerkopbouw', als maandblad, onder redactie van dr. J. F. Beerens. De elfde jaargang nr. 1 (mei 1942) is het laatste nummer. Toen eindigde het blad abrupt. Uit de datering blijke of wij de eerste jaargang bedoelen dan wel de tweede 'eerste'.
- 18Boekbespreking van 'Kerkopbouw'1931103
Deze brochure, geschreven door prof. dr. J. Lindeboom, verschenen in 1931 te Assen, werd door N. besproken in KO. 1 (7.8.1931) nr. 10.
- 19Leertucht1932105
Deze op 20.5.1932 te Bilthoven voor het moderamen van KO. gehouden lezing was de derde en laatste van een serie over hetzelfde onderwerp. De beide vorige werden gehouden door prof. dr. A. M. Brouwer en door ds. D. A. Vorster, die zich beiden tegen processuele leertucht verklaarden. Dr. J. F. Beerens, de redacteur van het nieuw gestarte orgaan van de vereniging van die naam, KO. (gedurende een jaar had men gastvrijheid genoten op het omslagblad van het A WCC., zie n. 17. 1), gaf een korte samenvatting van alle drie de lezingen in KO. 1 (juni 1932) nr. 2, p. 10-12.
- 20Op een dood spoor1932114
AWCC. 8 (3.6.1932) nr. 31: een ingezonden artikel. Het werd uitdrukkelijk buiten verantwoordelijkheid van de redactie aldaar geplaatst. Het is een specimen van N.' strijdvaardigheid: kiezen van het juiste moment (zie n. 14.1), te weten vlak vóór de classicale vergaderingen, het element van verrassing en de katalyserende werking die ervan uitging. Als (kritische) reactie op de pacificatie-voorstellen (zie n. 19. l; 23.1) wekte het geestdrift bij KHe., dat - voor het eerst - het gevoel kreeg van een gemeenschappelijke strijd. Geen wonder dat zowel NKL. 2 ( juni 1932) nr. 10 als De Gereformeerde Kerk, 44 (23.6.1932) nr. 2281 het direct overnamen. Het artikel corrigeerde een aantal medestanders binnen KO., die geneigd waren alle tucht te weren (fervente tegenstand vooral van H. Th. Obbink en A. M. Brouwer). De kritiek op m.n. laatstgenoemde is subtiel maar onmiskenbaar verwoord ('sommige leden').
- 21De vuist der kerk1932116
AWCC. 8 (8.7.1932) nr. 36. W. A. Hoek (zie n. 30.73) schreef in zijn Kerkelijke Kroniek in AWCC. van 17 en 24.6.1932 twee artikelen over: Gaarkeukens, trouwringen en spoorwegen, jg. 8, nr. 33 en 34. Hij deed dit ten antwoord op N.' artikel Op een dood spoor, AWCC. 8 (3.6.1932) nr. 3 1. Dit artikel (nr. 20), waarin N. zich keerde tegen de pacificatie-voorstellen en met name tegen A. M. Brouwer, die de voorstellen mede had opgesteld en verdedigd in AWCC. 8 (15.4.1932) nr. 24, eindigt met drie beelden, te weten de gaarkeuken (waartoe een kerk verwordt, die niet meer de ware gemeenschap bijeenhoudt), de trouwring (die beter in onderlinge spanning kan worden gedragen, dan 'vreedzaam' afgelegd) en de treinen (die met een botsing bedreigd worden). Als N. nu over een schotel groen moes, drie dwaze maagden en een lichtvaardige jongeling schrijft, lijkt het of hij denkt aan Spr. 15 : 17; Matth. 25 : 1-10 en Matth. 19 : 16-26. In werkelijkheid gaat hij even mee in de speelsheid van Hoeks artikelen, waarin deze vertelt over zijn moeder bij het uitdelen van het eten, over meisjes die hij in de trein ontmoette en die naar zijn trouwring keken en over een louche minnaar, die zijn ring afdeed om 'vreemd te kunnen gaan'. - De door N. gebezigde uitdrukking 'abel spel' beduidt een bepaald type middeleeuws toneelstuk zoals Lanceloot, waarin ernst en humor, opgebouwd rondom een liefdesthema.-De titel De vuist der kerk wordt verklaard door Hoeks woorden: "Doch nu komt er een voorstel tot wettelijke regeling van deze toestand, die geen toestand met ere en evenmin met schande is ... En daarin ligt iets ruiterlijks. Het is alsof de kerk eindelijk met de vuist op tafel slaat en zegt dat het uit zal zijn met camouflage, komediespel en clandestien gedoe."
- III. De 'Indische' handleiding met betrekking tot reorganisatie
- 22Kerkherstel en Kerkopbouw1932124
Hier begint een serie artikelen verschenen in het Indisch Protestantsch Kerkblad en in het Algemeen Protestantsch Kerkblad. Ofschoon hierdoor de chronologische volgorde onderbroken wordt, plaatsen wij ze op grond van hun duidelijke samenhang als geheel. In feite betreft het een beknopte cursus in kerkelijk denken: IPK. 1 (mei, juni 1932) nrs. 11, 12; 2 (juli 1932) nr. 1: Kerkherstel en Kerkopbouw 1, 1, 111; IPK. 2 (nov ' 1932) nr. 5: Pacificatie; IPK. 2 (dec. 1932 en jan. 1933) nrs. 6, 7: Wat is een leek? I, 11; IPK. 2 (febr. 1933) nr. 8: Presbyteriaal of episcopaal; IPK. 2 (april 1933) nr. 1 0: Kerk en natie; IPK. 2 (mei 1933) nr. 1 1: De kerkorde der toekomst; IPK. 3 (nov. 1933) nr. 5: Heilig conservatisme; A PK. 1 (18.1.1934 en 8.2.1934): Een voorstel tot reorganisatie der Nederlandse Hervormde Kerk 1, 11. Het IPK. kwam voort uit de Bandoengse kerkbode, op initiatief van de plaatselijke predikant ds. A. C. Christoffels. Door een 'meer verstandelijke opzet' wilde hij uitkomen boven het niveau van de plaatselijke kerkbode. Hij ontving daarvoor waardering van de hoogleraren Brouwer, Obbink en Van Rhijn. In de redactie zat o.a. de dichter dr. W. A. P. Smit. Het verscheen als 'rechtzinnig maandblad, gevestigd te Bandoeng', van 1931-1934. Het werd eind 1933 met het Algemeen Protestantenblad gecombineerd tot het Algemeen Weekblad voor de Protestantse Kerk in Nederlands Indië (A PK.) met C. Zijlstra als hoofdredacteur, M. B. van der Hoeven, ds. C. Hamel en dr. E. de Vries als mederedacteuren en vaste medewerking van o.a. dr. P. J. Koets, dr. H. Kraemer en ds. O. Noordmans. Later werkte o.a. de historicus dr. H. J. de Graaf mee. Van dit blad is slechts één geregistreerd exemplaar in Nederland aanwezig (in de bibliotheek van het Instituut voor de Tropen), waarvan bovendien de nrs. 1-45 van de eerste jaargang ontbreken. Het blad eindigt met de 7e jaargang nr. 12 dd. 21.3.1940. Het stond in het teken van de kerkelijke bewustwording van de Indische protestantse kerk, welke leidde tot een eigen gestalte en de eerste algemene synode in 1936. Tegen deze achtergrond gezien is de medewerking van N. verklaarbaar. Vgl. A. J. Rasker, De Nederlandse Hervormde Kerk vanaf 1795, Kampen 1974, p. 322 v.
- 23Pacificatie1932136
IPK. 2 (1.1 1.1932) nr. 5. Dit pacificatie-voorstel was waarlijk niet het eerste (zie n. 33.22). Voor inhoud voorstellen, samenstelling commissie etc. zie n. 19. l; voor de gang door de kerk vgl. H. Bartels, a. w., p. 60-75; voor het appèl tot belijden met name op de vrijzinnige theologen zie nr. 1 5 en voor de crisis in KO. zie nrs. 20, 21.
- 24Wat is een leek?1932–1933141
IPK. 2 (dec. 1932 en jan. 1933) nr. 6, 7.
- 25Presbyteriaal of episcopaal1933147
IPK. 2 (februari 1933) nr. 8.
- 26Kerk en natie1933151
IPK. 2 (april 1933) nr. 10.
- 27De kerkorde der toekomst1933156
IPK. 2 (mei 1933) nr. 11.
- 28Heilig conservatisme1933159
IPK. 3 (nov. 1933) nr. 5.
- 29Een voorstel tot reorganisatie der Nederlandse Hervormde Kerk1934162
Alg. Prot. Kerkblad voor Indië (APK.) 1 (1 8.1.1934). Het Indisch Protestants Kerkblad werd in 1934 samengevoegd met het Algemeen Protestanten Blad tot Algemeen Protestants Kerkblad in Nederlands Indië. Zie n. 22. 1. In deze toelichting van het KO.-ontwerp haalt N. de verhouding van kerk en zending naar voren. Voor historische achtergrond van dit artikel, zie n. 1 9. l; 34.2; voor verband zending-tucht, zie noot 8 en nr. 33.
- IV. Beginselen van kerkorde
- 30Beginselen van kerkorde1932172
Dit geschrift (titel af tekorten als BKO.) verscheen voor het eerst in de brochurereeks van Kerkopbouw, uitgegeven bij Van Gorcum & Co. te Assen (najaar 1932), in reeks E als nr.1. Interessant is de reactie van Th. L. Haitjema in NKL. 3 (febr. 1933) nr. 6: Op de wachttoren tegen 'verpolitieking' van het kerkelijk leven. Hij schrijft: "Ds. Noordmans neemt het zeer beslist op voor een belijdende kerk met leertucht, waarin Augustinus' ootmoedige maar tegelijk herderlijk-besliste geest het aandurft, op het erf der kerk de stoel der rechters en de bank der beklaagden te laten staan." H. is benieuwd naar de reglementaire uitwerking van de beginselen in het ontwerp-KO., dat in voorbereiding is. "Waarom bleef deze vereniging (KO. - red.) hardnekkig vechten tegen de windmolens der Kuyperiaanse 'verpolitieking' in de verte, die gesignaleerd werden achter het reorganisatieontwerp-1929, terwijl alle leden der Hervormde Kerk, kerkopbouwers en kerkherstellers beide, gekneld lagen in de greep van de 'verpolitieking'van de thans geldende reglementaire kaders?" "KHe. wil zich gaarne laten waarschuwen tegen het kielzog van de kerken van Kuyper ... Mag ik van ds. N. vragen te waarschuwen tegen het kielzog der negentiende-eeuwse 'vrije volkskerk'-verheerlijking?" Zie n. 43.1.
- 31Beginselen van het Rapport1933193
Datum lezing onbekend (N. noteert: Conferentie Kerkopbouw-Kerkherstel 1933). Mogelijk: 12 september. Vgl. KO. 2 (juli, aug., sept. 1933) nr. 3, 4, 5. Het ontwerp KO., in juni 1933 gereed gekomen, werd nog niet aanstonds gepubliceerd. Er was KO. namelijk veel gelegen aan de instemming van KHe. (zie n. 34.2). KO. meende aan de grondbedoelingen van KHe. tegemoet te zijn gekomen, zoals t.a.v. de 'grote synode', een gegeven uit het ontwerp-1929. Maar KHe. was juist bezig met een eigen kerkelijke actie voor dit confessioneel desideratum in de richting van een belijdende kerk. (Zie n. 32.18; vgl. H. Bartels, a. w., p. 70 vv.) Daarom (tevens vanwege de korte voorbereidingstijd) wees het een verzoek van de Commissie van contact (zie n. 15.5; 43.16) met betrekking tot een ontmoeting Ko.-Khe. tegen 14 juli ter bespreking van het KO. ontwerp af. KO. verzocht de classes deze doorkruising van zijn eigen plannen niet te steunen. Nadat in augustus KHe. zijn voorstel had zien schipbreuk lijden, bleek het bereid tot de gevraagde toetsing der KO.-voorstellen op een door S. F. H. J. Berkelbach van der Sprenkel voorgezeten vergadering op 12 september. Wij hebben hier waarschijnlijk N.' bijdrage voor die vergadering voor ons. KO. bleef uitstellen a. de publikatie tot oktober; b. zijn ledenvergadering van 28 september tot 14 november. Overeenstemming KO.-KHe. werd niet bereikt.
- 32Kerkopbouw - Kerkherstel1933203
Op het manuscript staat vermeld 10 mei 1933 Deventer. Dit is dus de toespraak, die N. hield op de propaganda-bijeenkomst waarvan KO. 2 (juni 1933) nr. 2 ons een verslag geeft. Enkele markante formuleringen uit dit verslag zijn in de annotatie opgenomen. Het weekblad van de Gereformeerde Bond De Waarheidsvriend, dat overigens niet, of een enkele keer, scherp kritisch, op het reorganisatiegebeuren reageerde (zie noot 20), nam dit verslag - stilzwijgend als waardering bedoeld - in extenso over in zijn nummer 24 (13.7.1933) nr. 44. Ten tijde van deze toespraak legde de reorganisatiecie. van KO. de laatste hand aan het eigen ontwerp. Zie verder n. 31.1.
- 33Het reorganisatie-ontwerp van Kerkopbouw toegelicht1933209
Deze brochure (titel af te korten als ROKOT.), een uitgave van KO., bevat een meer principieel gedeelte van de hand van N., en een meer praktisch-technisch gedeelte, getiteld De nadere uitwerking, van de hand van prof. dr. C. G. Wagenaar. Beide theologen zouden spreken op de algemene ledenvergadering, die op 28 september 1933 gehouden zou worden, zie n. 31. l; vgl. KO. 2 (juli/aug. 1933) nr. 3,4. Deze vergadering werd echter uitgesteld tot 14 november gezien het feit dat beide verenigingen (KO. en KHe.) nog niet tot een akkoord waren gekomen. Ook niet op de bespreking van 12 september, welke werd voorgezeten door dr. Berkelbach van der Sprenkel (zie n. 31. 1). De brochure bevat de tekst der lezingen. Vgl. ook KO. 2 (dec. 1933) nr. 8: verslag door A. M. Brouwer. Prof. mr. Paul Scholten schreef een woord vooraf, waarin hij als motief voor dit boekje noemde de noodzaak om naast de wetstoelichting bij de tekst van het ontwerp bredere betogen te geven over uitgangspunt en hoofdlijnen van de reorganisatie. Het geschrift verscheen te Baarn; de datering van het woord vooraf is 22.10.1933. In zijn rede Werkelijkheidsbesef en reorganisatie, voor de jaarvergadering van KHe. gehouden te Utrecht op 11. 10. 1933, uitgegeven als brochure ("met Naschrift over het dezer dagen verschenen Reorganisaticontwerp van de Vereniging 'Kerkopbouw' ") (Wageningen 1933), poogde Th. L.Haitjema kritisch tegenover KO. uiteen te zetten wat werkelijkheid voor hem betekende: a. niet zonder meer de zichtbare zondige werkelijkheid, waarvoor men niet anders zou kunnen dan 'capituleren' als 'doorbraakplaats' van de roepstem Gods, als openbaring van Gods heilige wil voor het heden; b. niet de vrome zieleroerselen van des mensen diepste wezen; c. niet de kerk zoals zij reilt en zeilt, zodat allen mogen meebeslissen over de vraag hoe zij er uit zal zien. Daarom: geen ja én nee. Geen richtingstrijd. Geen 'maskéring van de kloof'. Niet alles 'aspireert naar de volle waarheid'. Vgl. N.' adaptatie van de Gunningiaanse notie, die Haitjema bekend moest zijn o.a. uit de lezing Beginselen van het rapport die hij hield voor KO./KHe. Men moet niet tot elke prijs 'iets laten gebeuren'. Wel wil H. met Hoedemaker zeggen: "Wij zijn met de vrijzinnigen samen krank geworden, wij moeten ook samen met hen gezond worden", maar tevens met Hoedemaker: "Men bouwe geen sanatorium in een moeras". De tegenstelling is er en die moet 'Ootmoedig en fier'- erkend worden. Antwoord 54 HC. mag niet in het gedrang komen. In zijn rede kon H. niet ingaan op het ontwerp-KO., omdat het nog niet gepubliceerd was. Het werd echter in oktober gepubliceerd, dus was dit naschrift op de publikatie van de rede wel zeer heet van de naald. H. somt allereerst de positieve punten in het ontwerp-KO. op: het kerkelijk karakter, inzicht in de noodzaak van procesmatige leertucht, invoering van persoonlijke leiding en begeleiding m.n. bij opzicht en tucht, inschakeling van allerlei arbeid bij de kerk, afschaffing van verouderde toestanden (bijv. invloed der Walen). Bezwaar tekent hij aan tegen: de huisgemeenten, de omschrijving der kerk in art. 1 (zie voor beide: bijlage 2c), het terugzetten der classis en naar voren halen van de prov. synode. Hij kent ook de toelichting van N. (ROKOT.) en noemt die 'buitengewoon beleidvol' (p. 22). Hij wil mét N. enkel spreken uit de wereld van de apostolische geest, alleen een 'zending' kennen die tegelijk 'zuivering' is. Maar juist daarom speurt hij bij N. te weinig 'onrust over de zuiverheid der boodschap', de vraag naar 'de belijdenis als het skelet der prediking' (p. 23). Hij verstaat niet, dat N. rustig KHe. en vrijzinnigen op één lijn stelt, als was er geen verschil tussen 'Christus vasthouden' en 'het volk vasthouden'. Mag men nu werkelijk de afdelingen der Vrijzinnig hervormden zien als 'geboorteplaatsen van nieuwe orthodoxie'? (p. 37/14). Is het niet 'naïef' te menen dat 'iedere huisgemeente' (let op art. 40 en art. 1 en 2) 'Christusbelijdend' zal zijn? Hebben wij hier in wezen niet een pacificatievoorstel? Dat art. 39 het initiatief tot het stichten van huisgemeenten aan lidmaten in handen geeft met passering van de kerkeraad, vindt H. 'een humanistisch element', ook al noemt art. 44 dan de kerkeraad. Vgl. nu met deze sterk kritische beoordeling door H. het zeer lovende artikel van Th. C. Vriezen in NKL. 4 (dec. 1933) nr. 4: Een kerkorde op de grondslag van de christelijke hoop. Volgens V. waagt dit ontwerp het met de christelijke vrijheid, maakt het de hele kerk tot zendingsgemeente en ziet de huisgemeente als 'organisch leven' en voor de kerk 'bevruchtend'. Toch vreest hij dat het 'te eschatologisch', te hoog gegrepen is. Als men de kerk zo uittilt boven de partijen, voert men dan juist daardoor niet tweespalt in? Is de strijd niet de vader der dingen en niet de rust? Zie ook n. 14.18.
- 34Het reorganisatie-ontwerp van Kerkopbouw1933226
A WCC. 9 (27.10.1933) nr. 11.
- 35Twee lezingen over Kerkopbouw1933231
De lezing is gehouden voor de afdeling Utrecht KO. op 30 november 1933. Zij reageert mede op de brochure van Haitjema, Werkelijkheidsbesef en reorganisatie, m.n. het Naschrift daarvan. Men zou deze lezing van N. kunnen noemen: De ruimte der kerk, of ook: De ruimte van het gebed. Zie p. 233. De lezing mondt uit in een aantal aantekeningen, die vanwege hun gehalte ondanks het soms ontbreken van duidelijke samenhang in de druk worden opgenomen.
- 36Deur en hengsel1933242
KO. 2 (dec. 1933) nr. 8.
- V. De kerk in de wereld
- 37Kerk en schare1933246
AWCC. 9 (1.9.1933) nr. 44; overgenomen in Hervormd Amsterdam van 4.11.1933 met een inleidende noot van de redactie (zie met betrekking tot dit blad n. 24.2): "Alle lezers wordt aanbevolen aandacht te schenken aan onderstaand artikel, dat wij overnemen uit Christendom en cultuur. Wij achten het zeer belangrijk om de inhoud zelf, maar ook omdat er het begrip 'schare' aan de orde wordt gesteld. Op dit begrip is een onderdeel van het reorganisatie-ontwerp van de Vereniging KO. gebaseerd. Dit onderwerp zal dus voorlopig ongetwijfeld de belangstelling blijven vasthouden." Het ontwerp-KO. was juist in oktober gepubliceerd. Dit pregnante opstel heeft in de Hervormde Kerk grote invloed geoefend, tot in het beraad over de geboorteleden in de hervormde synode toe. In het rapport De geboorteleden in de NHK. van april 1969, opgesteld door de Raad voor de herderlijke zorg en behandeld door de synode van juni 1970, worden (in bijlage 9) de twee meditaties genoemd, waarin N. spreekt over de 'schare', te weten Kerk en schare, VW., dl. 8, p. 69 vv. en Des chare, VW., dl. 8, p. 259 vv. Het tijdsverschil van twintig jaar blijkt o.a. uit een veel sterkere eschatologische concentratie van de latere versie. De door de synode ingestelde commissie Theologische vragen met betrekking tot de problematiek van de geboorteleden bood een rapport aan, dat door de synode van november 1973 en (in enigszins herschreven vorm) door de synode van 1974 breedvoerig behandeld werd. In dit rapport stond de notie 'schare' centraal, waarbij de belichting van N. inspirerend blijkt te hebben gewerkt. Men vond er blijkbaar een verbinding in van eschatologische begrenzing en apostolaire openheid. Het rapport liep uit op een voorstel tot kerkordewijziging van artikel 2 Kerkorde (zie bijlage 2f), waarin de categorie 'geboort leden' vervangen werd door hen, "met wie de kerk een 'bijzondere band' onderhoudt". De synode nam dit voorstel niet over, maar zond het rapport inclusief het voorstel toe aan de kerkeraden (24.2.1975). Sindsdien is er niet meer op teruggekomen.
- 38Terug tot de kerk1933249
Hervormd Amsterdam, 1 (30.12.1933) nr. 19. Over dit blad en de Amsterdamse Vereniging van Hervormden, waarvan het het orgaan was, zie n. 24.2 en 37.1, 2.
- 39De kerk in 19351935256
KO. 4 (mei 1935) nr. 1. Het is het jaar van het Akkoord, waartoe N. onder meer door zijn rede van 14.6.1935, De naaste toekomst der kerk (zie n. 48. 1) een grote bijdrage leverde. Vgl. H. Bartels, a.w., p. 109.
- 40De kerk als zendingsprobleem1936258
De zending heeft in KO. van meet af grote belangstelling genoten. Het beginselprogram van 15 punten bevatte o.a. punt 6: "Als leden onzer Nederlandse Hervormde volkskerk voelen wij het als een zeer belangrijke taak tegenover hen 'die buiten zijn', dat wij hen benaderen met het Evangelie in woord en daad in een voor hen verstaanbare vorm." Eveneens in punt 14: "De kerk zal in organisch verband moeten worden gebracht met het wereldomspannende werk der zending, zowel ter wille van de zending als van haar zelf."
- 41Kerk en orde1937271
AWCC. 13 (8.1.1937) nr. 10; opgenomen in de bundel Zoeklichten, Amsterdam 1949, p. 218-221. Het werd geschreven tijdens de periode, waarin de synodale reorganisatiecie. het ontwerpt 938 voltooide, zie n. 52. l; 52.2; 62.2; vgl. H. Bartels, a.w., p. 145. Dit is ook de tijd van de opkomst der groepsbeweging. Kennelijk vat N. nog eens samen wat 'zijn' huisgemeente bezit aan kerkhistorische relevantie en actuele mogelijkheden. In het Akkoord (vgl. bijlage 2d) was de huisgemeente naar het tweede plan geschoven (overgangsbepalingen). N. oordeelde desondanks positief. Zie nr. 521; vgl. H. Bartels, a.w., p.115 vv. Men kan zich afvragen, of -ook in het ontwerp-1938 -aan het oorspronkelijk apostolaire huisgemeente-ontwerp van KO. de tanden niet waren uitgebroken, zodat wat overbleef grotendeels als minderhedenkwestie in overgangsbepalingen kon worden afgedaan. Zie ook nr. 86 en het nóg actuele hangijzer der 'deelgemeenten'.
- VI. Confrontatie met Kerkherstel
- 42Achttienzesentachtig1933276
AWCC. 10 (8,12.1933) nr. 6.
- 43Evangelie en volkskerk1934278
Korte voor- en nageschiedenis.
- 44Hamer en nijptang1934295
KO. 3 (juni 1934) nr. 2. Reactie op een lezing van dr. P. J. Kromsigt dd. 31.5.1934 te Utrecht, vlak voor de zomersynode 1934, waar het ontwerp-KO. aan de orde zou komen.
- 45Odium schuiven1934297
KO. 3 (september 1934) nr. 5.
- 46Kerkelijke leertucht1934299
Blijkens een aantekening van N.: een lezing gehouden 'herfst 1934, 13 september' en wel voor de 'Gelders-overijsselsepredikantenvereniging'. Deze was gewoon een dag per jaar bijeen te komen, meestal te Zutfen. Gedurende een groot aantal jaren was ds. J. J. Ploos van Amstel (van Rekken) secretaris-penningmeester. Het ontwerp-KO. was voor de eerste keer behandeld in de zomersynode-1934. Deze had zich beperkt tot het instellen van een cie. van rapport, die verslag moest uitbrengen op een buitengewone synodevergadering op 8.1.1935. Maar het ontwerp had van alle kanten reeds zoveel bestrijding opgeroepen, dat niemand er zich over verbaasde dat het uiteindelijk met 14 tegen 5 stemmen verworpen werd. De afstand tot KHe. en tot de vrijzinnigen werd door het ontwerp gemarkeerd, terwijl een breuk zich ging aftekenen in de eigen gelederen van KO., juist terzake van het onderwerp van deze lezing. Een en ander verhoogde de animo van de spreker om het onderwerp te behandelen uiteraard niet.
- 47De Doleantie1936305
A WCC. 12 (7,2.1936) nr. 15. Dit art. is in feite een herdenking van het bestaan van de Doleantie gedurende een halve eeuw.
- VII. Rondom het Akkoord
- 48De naaste toekomst der kerk1935312
Toespraak gehouden op de algemene ledenvergadering van KO. te Utrecht op 14.6.1935. Het ontwerp-KO. was op 8.1.1935 verworpen. Het moderamen KO. kwam op 14 en 15.1.1935 bijeen (Woudschoten).Uit teleurstelling wilde men afzien van verder pogen in de richting van reorganisatie en zich beperken tot de andere veertien punten van het werkprogram; zie n. 1 5.2. Maar men vatte moed, continueerde de reorganisatie-cie. en zocht toenadering tot KHe. In de stuwing van deze nieuwe beweging heeft deze toespraak zijn plaats. In feite is hij een beslissende stimulans voor de totstandkoming van het Akkoord. Zie n.50. l; vgl. H. Bartels, a.w., p. 108-1 1 O. In KO. 4 (juli 1935) nr. 3, p. 30 staat een verslag van deze toespraak, waarin belangrijke toevoegingen aan het manuscript - kennelijk uit de mond van de spreker opgetekend - bewaard zijn gebleven. Zij zijn in de noten vermeld.
- 49Stellingen over kerkorde1936325
Deze zeven stellingen zijn kennelijk bestemd geweest als bijdrage van N. voor de moderamenvergadering KO., van 29.11.1936 (zie H. Bartels, a. w., p. 125). Zij vatten samen 'het positief actuele'(Evangelie en volkskerk, nr. 43), dat KO. niet altijd aantrof in KHe., maar waarvan dit 'Verbond' toch verrassend blijk gaf, zodat 'het Akkoord' in gemeen overleg tot stand kon komen en aanvaard werd (6.8.1936).
- 50Inleiding voor vergadering Kerkopbouw 29 november 19351935326
Behalve bovengenoemde titel noteerde N. er nog bij: voor KO.-vergadering. Als resultaat van de in n. 48.1 genoemde hernieuwde contactopneming tussen KO. en KHe. (en na het afstemmen van het KO.-ontwerp jan. 1935) kwamen de besturen 26.9.1935 te Amersfoort bijeen onder voorzitterschap van prof. Paul Scholten. Men verstond elkaar en richtte zich tot de synode met verzoek tot instelling van een reorganisatiecie. De synode van 4.10.1935 endosseert dit aan de algemene synodale cie. die in nov. 1935 aan de besprekingen voortgang verleent door het benoemen van een cie. van informatie (drie leden: te weten J. W. J. Addink, F. Tammens en L. S. van Zwet); samen met de leden namens KHe. (Th. L. Haitjema, R. B. Evenhuis, H. Mulderije en J. E. Uitman) en namens KO. (B. J. Aris, G. van der Leeuw, O. Noordmans en C. G. Wagenaar) en de voorzitter P. Scholten, komt men tot een akkoord, op grond waarvan door de synode van 1936 (6 aug.) een reorganisatiecie. benoemd wordt (zie n. 52.2), die 'met het bereikte akkoord ernstig rekening moet houden'. Zo vindt deze inleiding plaats in 'een nieuwe lente' van verstandhouding, als 'het Akkoord' zich begint af te tekenen. C. G. Wagenaar bericht over deze belangrijke vergadering in KO. 4 dec. 1935, nr. 8, p. 83. In de bespreking van het samengaan tussen beide verenigingen was het centrale begrip: differentiatie. B. J. Aris stelde tegenover elkaar de twee mogelijkheden van nieuw kerkelijk leven en confessionele zelfmoord, Hij zei verder: 1618 schonk ons "een belijdenis met wel theoretische maar geen praktische differentiatie-mogelijkheid"; 1816 gaf "differentiatie met wel theoretische maar geen praktische mogelijkheid tot een levende, kerkelijke belijdenis". Er moet differentiatie zijn, "maar de differenten mogen niet in het isolement komen", dat is niet alleen pedagogisch belangrijk voor hen, maar levensvoorwaarde voor de kerk. N.: rekening houden met waar we ons nu bevinden. Het nieuwe ontwerp mag niet zijn 'romantisch', maar moet zijn: 'de belijdenis-in-actie'. 'Geest en hoofdzaak' is abstractie, moet verdwijnen. Kerkorde mag niet stram zijn, moet zich kunnen aanpassen bij de eisen van de tijd. Differentiatie is niet ons ideaal. Vgl. voor vrijzinnig commentaar hierop, H. Bartels, a.w., p. 125 v.
- 51Toespraken over Kerkopbouw - Kerkherstel1936333
51 werd blijkens N.' eigen aantekening gehouden 'in 't moderamen van KO.'. Waarschijnlijk gebeurde dit niet al te lang voor zijn koffiepraatje ove'r hetzelfde onderwerp (= 51). Omdat er zoveel overeenkomst is tussen beide toespraken (die in manuscript bewaard zijn gebleven) kan de tijdsduur tussen beide niet lang zijn. Anderzijds kan de moderamen-toespraak niet op de morgen van dezelfde dag gehouden zijn, ondanks de overeenkomst. Men zou op die gedachte komen, omdat het moderamen-KO. gewoon was bijeen te komen op dezelfde dag waarop de algemene ledenvergadering werd gehouden en wel 's morgens. Maar het verschil in eerichtheid is zo markant, dat dit onmogelijk lijkt. In de moderamen-versie is N. mild tegenover de vrijzinnigen, feller tegenover de 'confessionelen'; in de koffietafel-versie accentueert hij de vrijzinnige feilen en is eerder geneigd de gemeenschap met de 'confessionelen' niet te vergeten. Voor een verklaring van deze wending bij zo grote overeenkomst, zie noot 20. - Blijkens het verslag van de algemene ledenvergadering op 13.10.1936 te Utrecht in KO. 5 (november 1936) nr. 7 is de koffietafel-versie op deze vergadering gehouden. De moderamen-versie is waarschijnlijk op 15.6.1936 gehouden. Het KO.-verslag van 51 begint met: "Op zijn bekende gemoedelijke drooghumoristische pregnante en brede wijze ontwikkelde de spreker dat KO. in die samenwerking naar twee kanten front moet maken." Gezien de vérgaande overeenkomst hebben wij besloten slechts één van beide lezingen (de versie 51) af te drukken. Wat in de andere versie (51) van belang is, wordt door uitvoerige annotatie en inlas (in cursiefdruk) behouden.
- 52Reacties op de reorganisatie-voorstellen1936346
KO. 5 (november, december 1936) nrs. 7, 8. Gezien de datering hebben wij in de genoemde voorstellen nog niet met het ontwerp- 1938 te maken, maar met 'het Akkoord', een voorlopige overeenstemming van de drie partners KHe., KO. en de synode-afgevaardigden (zie n. 48.1; 50.1). De kerkvisitator/moderator vond hierin reeds een erkende plaats. Eveneens een formulering van de zorg voor minderheden (een poging om de figuur van de huisgemeente uit het ontwerp-KO. mee op te nemen). In 1. treffen wij een toelichting aan van enkele omstreden bepalingen, zoals KO.-ontwerp AR. art. 25 bis en art. 27 toevoeging (zie bijlage 2d), betrekking hebbend op de zorg voor van de kerk vervreemden en zich ten opzichte van haar distantiërenden; in 2. een bespreking van de reactie van dr. Horreüs de Haas en een deel van de vrijzinnigen.
- 53Rondom het Akkoord1937353
KO. 5 (januari 1937) nr. 9. Voor het Akkoord zie n. 48.1; 50.1; 52.2; bijlage 2d.
- VIII. Voorgevechten voor het ontwerp-1938
- 54Geest en orde1937358
KO. 5 (maart 1937) nr. 11. Voor dit tijdstip zie n. 48.58; 50.1; 52.1, 2. Kennelijk is dit artikel gericht tegen de hardnekkige warsheid van kerkorde als 'ongeestelijk'. In zoverre is het een vervolg op nr. 52. N. verstaat zich hier ook met ds. J. K. van den Brink, die in KO. 5 (januari 1937) nr. 9 een pleidooi gevoerd had voor 'echte kerkelijke zakelijkheid met welke de kerk zelve de stijl van haar handelingen en gedragingen zal beheersen'. Van den B. reageerde daarmee op een uitlating van N. m.b.t. episcopalisme en sacramentalisme, waarin hij het gevaar zag van een 'zwelgen in mysterie en plechtig gebaar'. N. is even beducht voor vrijzinnige vormloosheid als voor 'cultische mystiek'. De gereformeerde orde 'houdt de kerk open naar het leven'. Vgl. O. Noordmans, Liturgie, Amsterdam 1939, p. 37.
- 55Kerkorde1937361
Deze lezing werd gehouden 6.4.1937 op de predikantenvergadering te Utrecht. Er bestaan twee versies, geen van beide geacheveerd. In grote lijnen komen ze overeen. Opneming van beide zou daarom bis in idem betekenen. Wel zijn er wederzijdse aanvullingen. Het bleek daarom aan te bevelen de versies e mente auctoris samen te voegen. Voor dit vlechtwerk bood 11 de schering, waarop inslag 1 te weven viel. Want II bevatte de these waarheen redebeleid en materiaalkeuze tendeerden. Zij wordt ter onderscheiding van en in afwijking van het in VW. aangehouden gebruik van cursivering, terwille van de profilering van het oorspronkelijk redebeleid cursief gedrukt. Blijkens het NRC.-verslag dd. 7.4.1937, ochtendblad A, traden o.m. W. A. Zeydner en Th. L. Haitjema in discussie. Aan Z. (die er op gewezen had, dat ook blijkens het referaat de presbyter meer in de sfeer lag van de 'raadsheer', de 'leviet', terwijl de predikant meer te zien is in verband met de 'leraar' en de 'bisschop') gaf N. toe, dat 'de kerkorde, die wij zoeken' naast presbyteriale ook episcopale elementen zal moeten bevatten; tegenover H. hield hij staande, Calvijn naar zijn mening juist geïnterpreteerd te hebben in diens ontwikkeling. H. had het gewaardeerd, dat de ambtelijke kerkorde door spreker in bescherming genomen was, meende echter dat er een tegenstelling was geforceerd tot een liturgische kerkorde. Spanning moet er wel zijn maar geen tegenstelling. Nu kwam de liturgie te veel in de 'romantisch-realistische sfeer'. N. zag de kerkorde rusten op de twee polen van Schrift en wereld, waarbij de nood van de laatste de spanning en de beweging er wel in hield. Tot zijn spijt kon N. nu niet dieper ingaan op de noties liturgisch-realistisch, instrumentaal-organisch, waarnaar gevraagd was.
- 56Kerkorde en beroep op de Schrift1937391
KO. 5 (april 1937) nr. 12. Eerste van vier artikelen over dit onderwerp. De discussie was op gang gebracht door A. M. Brouwer, die in zijn De kerkorganisatie der eerste eeuw en wij, Baarn z,j, (1937), had betoogd dat men voor argumenten met betrekking tot ordening der kerk niet op de Schrift kan teruggaan. De discussie liep verder als volgt: KO. 5 (april 1937) nr. 12, N.: Kerkorde en beroep op de Heilige Schrift l; 6 (mei 1937) nr. 1, B.: Kerkorde en beroep op de Heilige Schrift l; 6 (juni 1937) nr. 2, N.: Kerkorde en beroep op de Heilige Schrift 2; B.: Naschrift bij N. Kerkorde etc. 2; 6 (julilaug. 1937) nrs. 3/4, N.: Kerkorde etc. 3; 6 (september 1937) nr. 5, B.: Kerkorde etc. 2; B.: De kerk en de hoogleraren; B.: Diensten ambt; 6 (oktober 1937) nr. 6, N.: Gewijzigde leertucht; N.: Het vierde ambt in de Hervormde Kerk; B.: Naschrift bij N. Het vierde ambt etc.; N.: Kerkorde etc. 4; B.: Naschrift bij N. Kerkorde etc. 4; 6 (november 1937) nr. 7, N.: Ambt en dienst. Vgl. voor deze discussie A. J. Bronkhorst, Schrift en kerkorde, Den Haag 1947, diss. Utrecht, p. 151 vv. (het debat Noordmans-Brouwer). Vgl. ook J. Koopmans, De bedoeling van KO., KO. 6 (juni 1937) nr. 1 (De la Saussaye en Gunning staan beiden achter KO., maar De la S. wordt afgelost in de geschiedenis door G.).
- 57Gewijzigde leertucht1937403
KO. 6 (oktober 1937) nr. 6. Voor het tijdstip zie n. 52.1, 2. In toenemende mate bleek de leertuchtkwestie een wig te drijven in KO. Het met zoveel zorg en met vereende krachten samengestelde ontwerp-1938 werd om die reden door een groot deel van KO. (de meerderheid?) afgewezen. In dit artikel doet N. een poging om leertucht aanvaardbaar te maken voor KO. door deze te laten zien tegen de achtergrond van het opzicht.
- 58Het vierde ambt in de Hervormde Kerk1937407
KO. 6 (oktober 1937) nr. 6. Voor verband zie n. 56.1. A. M. Brouwer schreef een Naschrift, waarin hij betoogde: 1. Bij het ontwerp-Kerkorde der Duitse kerken, waarbij Barth hielp, is wel degelijk aan zo'n functie van professoren gedacht.2. Nu al worden ze veel geraadpleegd bijvoorbeeld in verband met te beroepen predikanten. In hetzelfde oktobernummer verschenen ook de artikelen getiteld Gewijzigde leertucht en Kerkorde en beroep op de Schrift.
- 59Het reorganisatie-ontwerp (de noodzakelijkheid)ca. 1937410
Plaats- en datumbepaling ontbreken op het manuscript van deze lezing. In Noordmans' handschrift staat er boven: Het Reorganisatie-Ontwerp. Maar het woord Reorganisatie is geschrapt. Als ondertitel: De noodzakelijkheid!!! Een onbekende heeft als vermoedelijke ontstaanstijd genoteerd: '± 1937'. Zie in verband hiermee n. 52.1, 2; 62.2. Vóór de Duitse kerkstrijd zie n. 26.8; 60.2.
- 60De reorganisatievoorstellen1937416
AWCC. 14 (5.11.1937) nr. 1. Kort vóór de beslissing zal vallen in de synode van januari 1938 krijgt N. nog één keer de gelegenheid in het overigens voor hem niet zeer gastvrije AWCC. de betekenis der voorstellen (zie n. 50. l; 52.2) samen te vatten. In pregnante vorm ligt de hele materie in dit artikel voor ons.
- 61Ambt en dienst1937420
KO. 6 (november 1937) nr. 7.
- 62Geest en orde1937424
N. zelf tekende bij de titel van deze toespraak aan: 'moderamen KO. - herfst 1937' Mogelijk 15.11.1937 's morgens: moderamenvergaderingen van KO. werden dikwijls op de morgen van de dag van de ledenvergadering gehouden. Dit was het geval op genoemde datum (vgl. KO. 6 (nov. 1937) nr. 7, p. 67). Op de middagvergadering sprak prof. dr. G.Wagenaar. De belangstelling was gering. De kerkorde-materie werd dor bevonden en vereiste studie, 'waarvoor velen of geen tijd of geen lust of ook geen aandacht hebben'. Ook vindt men de aantekening rn.b.t. de discussie: "Onze Duitse broeders waarschuwen ons herhaaldelijk dat wij klaar behoren te zijn als de vijandschap tegen de kerk ... zich gaat organiseren en agressieve vormen aanneemt" (zie n. 26.8; 60.2).
- IX. De eindstrijd rondom het ontwerp-1938
- 63Kerkelijk denken voorwaarde voor kerkorde1938430
Dit geschrift (titel afgekort als KDVKO.) verscheen na 28.4.1938 (een in KDVKO. zelf genoemde datum, zie noot» en vóór 25.6.1938 (datum van het NRC.-artikel, waarin A.M. Brouwer KDVKO. noemt; zie H. Bartels, a. w., p. 185, zie ook noot 4 aldaar). Het ontwerp- 1938 was in eerste lezing door de Synode aanvaard. Het was nu op zijn weg door de kerk, waar het door classicale vergaderingen en provinciale kerkbesturen beoordeeld werd, voordat het door de Synode - in tweede lezing - aangenomen of verworpen zou worden. Berichten die daarvan doordrongen kunnen onmogelijk hoopgevend zijn geweest (zie o.m. nr. 64).Vandaar dat N.dit strijdschrift in alle haast op het papier wierp om het kwaad van een definitieve verwerping, die volstrekt ontmoedigend voor het reorganisatiestreven moest werken, op het laatste ogenblik nog te helpen keren. De brochure verscheen in de bij Callenbach, Nijkerk, uitgegeven serie Onze Tijd, die onder redactie stond van de Barthianen J. P. van Bruggen, J. Eykman en K. H. Miskotte, als nr. 6.
- 64De spanning in de kerk1938485
AWCC. 14 (24.6.1938) nr. 34.
- 65De reorganisatie in een nieuwe fase1938490
OEV. 13 (okt. 1938) nr. 4, - Op 10.8.1938 is het in eerste aanleg ter synode aangenomen ontwerp-1938 verworpen. In nauw verholen bitterheid wordt de balans van de nederlaag opgemaakt. Een verkorte weergave van het OEV.-artikel gaf N. in de periodiek Reorganisatie-1938, 1 (1.10.1938) nr. 19 onder de titel Wat nu? (De periodiek Reorganisatie1938, begonnen 18.3.1938, ging uit van het zgn. Reorganisatiecomité, dat na de aanneming van het ontwerp- 1938 in-eerste-aanleg werd opgericht door leden van KO. en KHe. om de doorvoering der reorganisatie te bevorderen. Behalve het blad gaf het ook brochures uit en hield het bijeenkomsten (zie n. 63.64). Ook na de verwerping, tot in 1940, ging men door met actie (zie n. 67-1). Vgl. H. Bartels, a. w., p. 170 vv.). N.' ongenoegen keert zich hier onder meer tegen de conclusie van de synode: "De synodale commissie zal zich bezig hebben te houden met een niet nader bepaalde reorganisatie." Hij vraagt: "Wat bedoelt de synode met die woorden? Betekenen ze, dat de 1427 tegenstemmers genoegen willen nemen met iedere kerkorde, behalve die uit ontwerp1938? Op de manier van: Liever Turks dan Paaps? Zo erg kan de synode het niet gemeend hebben. Maar boe dan? Is de bedoeling, dat de 902 voorstemmers wel weten wat ze willen maar dat de 1427 tegenstemmers het zelf niet weten? En heet de reorganisatie die deze meerderheid wil dáárom in synodale taal'niet nader bepaald'? Dit zou, hoe weinig onomwonden ook, weinig deferentie verraden tegenover de 'inzichten en wensen', waarmee de synode wil te rade gaan. Daarom moet ik wel aannemen dat men ook dit niet bedoeld heeft. Blijft over dat de synode aan het votum der kerk een zin toekent, waardoor de kerk in de een of andere richting gewezen wordt, maar dat zij zelve in haar zitting die zin niet nader wenst te bepalen. Die nadere bepaling wilde zij nu juist opdragen aan de synodale commissie."
- 66Waarom ben ik hervormd?1938505
Hervormd Nederland, 24 november 1938, de tijd na de verwerping van het ontwerp1938. Zie nr. 65.
- 67Een Constituante1940506
Lezing te Amersfoort in februari 1940 voor het Reorganisatie-comité (zie n. 65.1), dus kort voor de bezetting. Voorgeschiedenis: het reorganisatievoorstel-1938 was verworpen, de algemene synodale cie. had opdracht om samen met de kerkelijke hoogleraren een voortzetting te zoeken, waardoor de consideraties der kerk het best tot hun recht zouden komen. Zij benoemden (op 16.12.1938) een cie. van rapport. Op 5.6.1939 presenteerde deze cie. (bestaande uit de kerkelijke hoogleraren plus W. J. Aalders en K.H.E. Gravemeyer) een rapport plus twee minderheidsnota's. Het werd alles verworpen door de synode van 8.8.1939 (Gravemeyers voorstel mbt. een grote synode met de traditionele 10/9 stemmenverhouding). Vgl. H. Bartels, a.w., p. 205-207.
- 68Boekbespreking van G. Ph. Scheers, 'Philippus Jacobus Hoedemaker'1940514
Nieuwe Theologische Studiën, 23(1940) nr.6,p. 211vV. Aantekening N.:"uitgegeven bij H. Veenman & Zn., Wageningen 1939. De voorraad ging helaas in mei 1940 nagenoeg verloren." G. Ph. Scheers (1908-1962), hervormd predikant o.a. te Delfshaven en Haarlem-Noord. Promotie te Utrecht juni 1939.
- X. Naoorlogse hervatting van de strijd
- A. Confrontatie met H. Kraemer en de theologie van het apostolaat
- 69Kerk of beweging1946520
OBNP. 23 (februari 1946) nr. 2. Een polemiek met (de beweging van) Gemeenteopbouw en zijn inspirator H. Kraemer. Zie nr. 67, 70, 74. De oorlogsjaren, die zijn activiteit sterk reduceerden, waren voor N. in persoonlijk opzicht bijzonder zwaar geweest.
- 70Militia Christi1946528
WNHK. 30 (15.6.1946) nr. 24, opgenomen in Zoeklichten (p. 108-115).
- 71Het uitzicht der kerk1946536
Deze studie is geschreven op de achterzijde van aan N. gerichte brieven. Uit de dateringen van deze brieven en de inhoud zelf van de studie blijkt, dat de datum van op schrift stelling moet liggen rondom de jaarwisseling 1946-1947. Voor zover bekend werd deze studie nimmer gepubliceerd; indien zij werd uitgesproken, ontbreekt ons precisering van tijd en plaats.
- 72Kerk en wereld1947540
Lezing gehouden in 1947 voor de Jonge Kerk van Wageningen in de Landbouwhogeschool; tweede spreker was ds. R. C. G. Troelstra, hervormd predikant van Wageningen. (Een en ander overdenk. schr. inform. laatstgen. aan red.) Onder de lezing N.' notitie 'onvoltooid'.
- 73Prediking en liturgie1949548
IdW. 4 (25.3.1949) nr. 26. Als rubriektitel staat boven de titel van het artikel: Rondom de nieuwe kerkorde.
- 74Legendenvorming1950552
IdW. 5 (15.9.1950) nr. 48.
- B. Kerkrecht
- 75Discussie over een kerkrechtelijke kwestie1946558
WHNK. 30 (12.10.1946) nr. 41. In een tweetal artikelen in het Weekblad van de Nederlandsch Hervormde Kerk, 30 (26.5 en 12.10.1946) nrs. 25 en 41 getiteld Het kerkrecht als domeingebied 1 en 2, houdt mr. H. Mulderije zich principieel bezig met de verhouding van kerkelijk en staatkundig recht: "Op het raakvlak van kerk en staat rijst de vraag, welk het karakter der kerk is als rechtspersoon." Hij herinnert aan de in de wet op de Kerkgenootschappen van 10 sept. 1853 aan alle kerkgenootschappen gegarandeerde volkomen vrijheid tot regeling van eigen godsdienst. Dit geschiedt tegen de achtergrond van artikel 175 van de Grondwet, dat bescherming verleent aan alle kerkgenootschappen. De vrijheid wordt beperkt door de bescherming van de maatschappij en van de burgerij tegen overtreding van de strafwet (art. 174). Volgens M. is de kerk noch van publieken noch van privaten maar van eigen rechte. Hij gaat niet als Van Ruler (vgl. Religie en politiek, Nijkerk 1945, p. 161 vv.) uit van het primaat der kerk, waarbij de strafwet ligt in het verlengde van opzicht en tucht. Hij gaat uit van het geldende recht, dat gebaseerd is op de suprematie der algemene wet over de kerk. Toch erkent M. de eigen aard van de kerk. Deze brengt mee, dat wij ons met het Reglement voor opzicht en tucht op 'kerkelijk domeingebied' bevinden, waarop de overheid niets te zeggen heeft.
- 76Regeer en beheer1948570
WNHK. 32 (24.4.1948) nr. 17, opgenomen in Zoeklichten, p. 222-231. (Voor Noordmans Ter inleiding', zie VW., dl. 2, p. 26 v.)
- 77Kerkelijke tucht1949579
IdW. 5 (11.11.1949) nr. 6.
- C. Op de bres voor emeriti en 'ongeschikten'
- 78Het emeritaat1948583
OBNP. 25 (okt. 1948) nr. 10.
- 79Terug naar het canonieke recht1950586
WNHK. 5 (28.1.1950) nr. 48.
- 80Zo ver gaat dit niet!1950590
OBNP. 27 (juni 1950) nr. 6. In dit artikel gaat N. door op het in nr. 79 (zie aldaar) aangesneden punt: de vrijheid van de emeritus, in feite van de dienaar des Woords, ten diepste van de prediking.
- 81De senectute1950592
OBNP. 27 (juli 1950) nr. 7.
- 82Oudendag1954596
OBNP. 31 (juli/aug. 1954) nr. 718. Nog eenmaal springt N. (hij is reeds ernstig ziek) in de bres voor zijn mede-emeriti. In wezen gaat het uiteraard niet om die irritante term loudendag', maar om de ruimte voor de prediking, het 'kerkelijk' denken. Vgl. voor de inhoud van dit art. ook nr. 79.
- 83Liquidatie1952600
OBNP. 29 (7.7.1952) nr, 7.
- D. Confrontatie met Rome
- 84Het canonieke recht1950604
Wending 5 (april 1950) nr. 2. Voordracht op een bijeenkomst van rooms-katholieken en protestanten in april1950. In Gestalte en Geest IV. Paulus komt en Petrus gaat trekt N. de hier aangezette lijn door, met name in zijn beschouwingen over Rome; zie VW., dl. 8, p. 440-444.
- 85Instituut en volk1952617
Nr. 2 van Geschriften betreffende de orde der NHK. (uitgegeven onder één red. met Kerk en Theologie bij H. Veenman & Zn., Wageningen), okt. 1952.
- E. Advies met betrekking tot de minderheden
- 86Brief inzake minderhedenvraagstuk1954631
N.' volledige opschrift van deze brief luidt: Briefaan het moderamen van de Gen. Synode van de NHK., Den Haag, dd. 24.10.1954 - bericht op uw schrijven dd. 7.10.54, inzake minderhedenvraagstuk. De voorgeschiedenis van deze brief is op te maken uit de Nota betrekking hebbend op het vraagstuk van de minderheden, welke diende tijdens de tweede zitting van de vergadering der generale Synode op 25.1.1955,Hand. Syn. 1955, p. 15 vv. Hierin wordt geschetst hoe de minderheden, te weten de 'rechtse' 'evangelisaties' en de 'linkse' 'afdelingen' (van vrijzinnig-hervormden) een zowel confessioneel als ambtelijkstructureel probleem bleven vormen voor een presbyteriaal-synodale kerk, die toch afbrokkeling wenste tegen te gaan. Het was namelijk inmiddels gebleken, dat de oplossing die de kerkorde-1951 voor het minderhedenvraagstukgevonden had, in de praktijk niet aansloeg. Welke was deze oplossing? In een aantal overgangsbepalingen (235-238 bij ordinantie 11 Opzicht en tucht) was de provinciale kerkvergadering (pkv.) aangewezen om de plaatselijke kerkeraad bij te staan in zijn verantwoordelijkheid voor een minderheid, die vroeg om een andere vorm van prediking en catechese dan plaatselijk voorradig. De pkv. kon in dat geval een nevenvoorziening treffen in de vorm van het beroepen van een predikant speciaal voor deze groep. Kerkordelijke uitbreiding werd aan deze figuur verder nauwelijks gegeven, maar toch stuitten deze bepalingen op onverbiddelijke weerstand bij de kerkeraden. Om de impasse te doorbreken belegde het moderamen der synode een conferentie op 23 en 24 februari 1954, waarop de minderheden vertegenwoordigd waren. Het moderamen presenteerde een nota, waarin kerkordelijke mogelijkheden naar voren gebracht werden voor een andere oplossing. Daarin werd reeds heel ver gegaan in de richting van de paraparochie, ook met een expliciet maken van het principe van de notie 'verscheidenheid' in de kerkorde. Maar deze gedachte werd afgewezen, waarna een nieuw beraad werd aangekondigd tegen 27.10.1954, waarbij geen minderheden aanwezig waren maar wel de complete commissie-kerkorde. Ook hiervoor werd een nota opgesteld, waarin als praktische verwerkelijking op de voorgrond stond: een figuur, waarin het breed-moderamen van de pkv. zou optreden als centrale kerkeraad, terwijl de minderheidsgroep als 'bijzondere wijkmeente' een kerkeraad zou krijgen met evenveel leden uit de pkv. als uit de eigen groep. - Nu was van Noordmans behalve zijn grondige bemoeienis met de kerkorde uiteraard zijn'vondst' van de huisgemeente bekend. Begrijpelijk, dat men hem op dit punt van de opinievorming raadpleegde, hem de nota toestuurde, waarop zijn antwoord boven voor ons ligt. De nota werd afgewezen. Men was bang voor consolidatie. Zo kwam het tot de figuur van de noodvoorziening, die naast de nevenvoorziening uit de kerkorde van 1951 kwam te staan; de pkv. kreeg het recht, in geval van weigering door de kerkeraad (onder bepaalde voorwaarden) licht forcerend op te treden: beroeping van een predikant ten behoeve van de minderheid en instelling van een noodkerkeraad. De plaatselijke kerkeraad zou de namen van de tot de noodgemeente behorenden moeten inschrijven. Duidelijk klonkin de discussie ter synode door het verwijt van mensen als A. A. Koolhaas, die de loslating van de geografische binding zag als verlies aan presbyteriaal-confessioneel, meer nog aan profetisch-priesterlijk gehalte, terugkeer tot de door Kraemer bestreden hotelkerk. Zie ook voor de zeer uitvoerige discussies ter synode Hand. Syn. 1955, p. 15-39; 124-126; 421-439; 485-487. De kerkordewijziging van mei 1956 (noodvoorziening naast de nevenvoorziening) omvatte overgangsbepalingen 235, 238, 238a-h bij ordinantie 11-1-1. Voor art. 235 zie bijlage 2f,
- Bijlagen
- Bijlage 1: Hoofdmomenten uit de reorganisatiestrijd in de Nederlandse Hervormde Kerk638
- Bijlage 2: Kerkorde-artikelen648
- Bijlage 3: Lezingen in samenvatting1938–1939666
Zie n. 63.54.