Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Jaren Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 5, p. 39–46

Weergave
Passages naar Readwise sturen

Isolement1

Het door de synode aangenomen reglement op de predikantstraktementen2 brengt weer eens bijzonder duidelijk het isolement van de predikant in de Ned. Herv. Kerk onder de aandacht. Ook vroeger was er reden genoeg om zich daarvan rekenschap te geven. Thans echter meer dan ooit, nu de gevestigde predikanten3 in bovengenoemd reglement buiten de wet gezet worden. De wetgever ging er van uit, dat ze zo ver in het wak drijven, dat ze met de langste stok niet te bereiken zijn. Pas de vacature geeft genoegzame grond onder de voet om een reddingspoging te wagen.

Een kerkelijk reglement, waarbij alle gevestigde predikanten, uit wier nood het geboren werd, uitgeschakeld worden, is wel een merkwaardig ding. En niets kon helderder het isolement van de hervormde predikant belichten dan deze proeve van wetgeving. Immers ook al voert men aan, dat de kerkelijke wet niet zuiver juridisch moet beschouwd worden en dat ze in dit geval rekent op de morele gezindheid der gemeente, zodat het merendeel der gevestigden toch kan worden ingeschakeld, dan blijft toch ongetwijfeld een zeker procent over, waarmee dit niet het geval zal zijn. Ideëel ezien zullen het de voortrekkers zijn, waarmee dit het geval is. De pioniers die hun tenten in een zekere geestelijke eenzaamheid hebben opgeslagen, waardoor ze de aansluiting missen, die vereist wordt voor de morele gezindheid, waarop in het reglement wordt gerekend. Een gebrek aan aansluiting4 dat zich, als in het Evangelie, gemakkelijk verscherpt tot conflict.

Het zijn deze voorposten der kerk, die zeer zeker buiten de wet gesteld zijn, en aan wie het rapport van de commissie voor de consideraties de goed bedoelde raad gaf, zo spoedig mogelijk hun gemeente te verlaten. Zij zullen het gevoel hebben tot een terugtrekkend en verslagen leger te behoren, dat hun niet langer dekking biedt, maar op hun vooruitgeschoven post voor eigen risico laat. Zij zullen de neiging gevoelen, de formatie waartoe ze behoren van lafhartigheid te beschuldigen, ja wat erger is, van aansporing tot lafhartigheid.

Slechts in één geval zal deze beschuldiging achterwege kunnen blijven. En wel wanneer de beweging enkel een tactisch karakter draagt. Wanneer dit reglement de eerste helft uitmaakt van een werk, dat in twee tempo's volbracht moet worden. Slechts dan, wanneer dit reglement op de vacatures - want dat is het toch - de erkenning inhoudt dat er ten opzichte van de gevestigde predikanten andere middelen nodig zijn, zodat men ze hier uitliet. En wanneer men van plan is die andere middelen aan te wenden.

Natuurlijk is dit laatste stuk van het werk ongelijk moeilijker. Het reglement op de vacatures, dat nu gereed is, bevat de erkenning dat het reglementair onmogelijk is. Daarmee is de zaak echter niet uit. Het reglementaire en financiële gezichtspunt kan in de kerk het laatste niet zijn. Het gaat ook niet alleen om de financiën van het predikantsgezin, maar om de morele positie van de predikant. Het is voor de kerk een morele vraag van de eerste rang of er nog genoeg solidariteitsgevoel en ten slotte courage in dat lichaam zit, om haar voorposten, die voor haar de kastanjes uit het vuur halen, met alle macht de rug te dekken. En voor de toekomst van het predikantswerk zal dit van beslissende betekenis zijn. De gevestigde werker, die merkt dat z'n isolement volkomen is en dat het lichaam waartoe hij behoort hem op kritieke momenten eenvoudig in de kou laat staan, zal voor z'n kinderen een ander geestelijk verband zoeken. Wij zoeken in laatste instantie niet een financiële maar een morele positie. Wij wensen verlost te worden uit ons isolement.

Vergeleken bij dit tweede stuk van het werk is de opstelling van het reglement op de predikantstraktementen (op de vacatures) een peulschilletje geweest. Want daartoe is nodig de oplossing van de beheerskwestie én van de bestuurskwestie. Niemand schrikke hier echter voor de lange termijn, alsof wij de twintigste eeuw er bij zouden willen nemen, waar men zich reeds een eeuw lang met deze vragen bezighield. Deze kwesties moeten worden doorgehakt. Van de synode verwachten wij dit natuurlijk niet. Zij kan het ook niet. Maar ik zie langzamerhand het psychologisch moment naderen, waarop het van een andere zijde mogelijk zal zijn. Het is een kwestie van temperament, hoe lang de oplossing op zich zal laten wachten. Het hangt af van de mentaliteit van het corps geestelijke werkers in de kerk, waaronder wij wel in de eerste plaats maar niet uitsluitend predikanten verstaan. Wanneer hier het ambtelijk isolement, met de daardoor gekweekte gezindheid, die in de beste gevallen christelijke lijdzaamheid en in de slechtste Jan-Salie-geest moet heten, met al de tussenliggende schakeringen, vervangen wordt door een arbeidsgemeenschap met de daarmee verbonden solidariteit, dan is de sfeer voor de oplossing geschapen. De bijl ligt alreeds aan de wortel der bomen.

Wij hebben daarbij allereerst het oog op de kerkvoogdij. Wij kunnen eerbied hebben voor oude rechtsinstellingen en voor historische continuïteit. Maar het kan ook van ziekelijke artisticiteit getuigen en van gebrek aan zedelijke ernst, wanneer men er niet mee kan breken als 't moet. Nu schijnt juist in de laatste tijd het onaantastbare van de vrijheid van het beheer meer dan ooit bevestigd. Ik heb hier het oog op de schitterende studies van mr. L. J. van Apeldoorn,5 wiens buitengewoon helder gestelde geschriften, ook voor leken op dit terrein, door hun massaal bewijsmateriaal en meeslepende betoogtrant, grote overtuigingskracht bezitten. Ik geloof niet, dat wij aan deze juridische logica moeten trachten te ontkomen. Wij moeten de instelling aan haar eigen historiciteit te gronde laten gaan. ⚑Aan de hand van het werk over de kerkelijke goederen in Friesland van Van Apeldoorn wil ik deze lijn hier even uitstippelen.

In de middeleeuwen stond de kerkvoogdij vrij goed ingevoegd in het canonieke en civiele recht. Bovendien waakte de overheid wegens het publiekrechtelijk karakter der kerk over haar. De kerkvoogdij had dus naar alle zijden contact. Bestuur en beheer waren niet gescheiden. De pastor was, althans in Friesland, medekerkvoogd en de deken hoorde jaarlijks de kerkerekening. Naast of in plaats van de deken hoort ook de grietman de rekening. In Drente en waarschijnlijk ook wel elders visiteerde de deken eenmaal 's jaars de kerken, kerkhoven en pastoriehuizen; werd er gebrek bevonden aan kerk of pastoriehuis, dan vervielen de kerkvoogden in een boete. Waren de inkomsten der kerk onvoldoende, dan ontstond de verplichting van een omslag. Voor vervreemding van kerkegoed was aanvankelijk de medewerking van de pastoor, later consul van 't Hof6 nodig.

De Hervorming bracht ten opzichte van de kerkegoederen als grote innovatie: de scheiding van bestuur en beheer. De middeneeuwse parochie is een instituut. Stemgerechtigd maar ook belastingplichtig waren degenen, die geacht werden de kerk geïnstitueerd te hebben. De gereformeerde gemeente is een vergadering, die naast de middeneeuwse stichting ontstaat. Zij heeft geen goederen, dan waarvan ze zelf eigenaar is. Haar diakonie staat naast een parochiale armenzorg. Haar ouderlingen en diakenen worden gekozen volgens een ander stemrecht dan de predikant. De eersten worden gekozen door de gemeenteleden, de laatsten door de kerkstichters. De predikant, de koster, de schoolmeester (zeer dikwijls één met de koster) en een bepaalde categorie armen blijven in de middeneeuwse stichting. Over deze laatste heeft de geref. gemeente generlei zeggenschap. Alleen als opvolger van de pastoor is de predikant mede-kerkvoogd.

Met deze scheiding van bestuur en beheer begint de misère. Het is, meen ik, een fout van de gereformeerden geweest, dat ze voor de nieuwe gemeente ook het beheer niet hebben opgeëist. Dit zou een juridische revolutie geweest zijn, maar ze was nodig geweest. Nu gingen, en dat was een spiritualistische fout, ziel en lichaam der kerk uiteen. Er kwam een scheiding tussen de gereformeerde gemeente en de brede gemeente. Uiterlijk blijft alles gelijk. De overheid waakt over het kerkelijk goed als soeverein. De kerkeregeling wordt door grietman en secretaris gehoord. Bij gebleken noodzakelijkheid moet een omslag geheven worden. Tot onderhoud van gebouwen kunnen kerkvoogden worden verplicht. De stand van 't traktement behoort tot de zorg van overheid en gemeente. Maar 't canonieke recht is verbroken. De geestelijke band ontbreekt. En ieder die de hoofdstukken bij mr. Van Apeldoorn naleest over deze tijd of bladert in de acta van Reitsma en Van Veen7 voelt de koude, waarin predikant en geref. gemeente staan in tegenstelling met de tijden der kerkstichting zelve. De geschiedenis van 't beheer na de Reformatie is eigenlijk doorlopend een geschiedenis van ontbinding.

Dit heeft tweeërlei groot inconveniënt meegebracht: 1. kon op deze wijze de eigenlijke gemeente haar kracht niet ontwikkelen. Zij bleef gekoppeld aan de middeneeuwse parochie die in staat van ontbinding verkeerde; en 2. bleef de predikant in de parochie achter, waartoe hij, na 't wegvallen van het canonieke recht, enkel nog in civielrechtelijke betrekking stond. Met het canonieke recht vielen de morele factoren uit die betrekking weg en bleven alleen de juridische over. Geen priesterlijke hand reikte meer in de verhoudingen in.

Dat de betrekking civielrechtelijk was, merkten de predikanten terdege. De Ged. Staten van Friesland gewaagden in een resolutie van 6 dec. 1592 van "'t moeyelicke naeloopen, maningen, jae ergerlicke executien, welcke middelen den predicanten moeten doen ende gebruycken om hun gelt ofte onderhout uyt handen van de foechden te becomen"a en de synode van Sneek in 't jaar 1593 overwoog of de predikant met 'gotloese kerckfoechden' de administratie wel mocht hebben.b Zij overwegen of men geen 'froeme kerckfoechden behoert te kesen, al ist dat sij arm sijn'.c De synode bepaalde zich tot de verzuchting: och, waren alle kerkvoogden vroom! ...

Gelukkig, uit dit oogpunt althans, was de publiekrechtelijke positie der kerk dezelfde gebleven. De overheid, Staten en grietman hielden toezicht of grepen in. Door de Staten werd een minimum-traktement vastgesteld; en de synode van Leeuwarden in 1612 vermaande de classes geen beroepingen te approberen 'dan die met's landts resolutie conform zijn'.d Dr. Hoog8 zou dit misschien 'knijpwraak'9 noemen. Immers streng genomen was het een zaak tussen parochie en Staten. De geref. gemeente stond er buiten.

Wij vervolgen deze geschiedenis verder niet in bijzonderheden. We vergelijken de laatstgetekende toestand alleen nog met die van heden. De verkiezing van de predikant is, na lange verwikkelingen, uit de handen van de oude kerkstichters in die van de hervormde gemeente overgegaan. Zelfs het beheer der kerkelijke goederen berust thans, nadat de floreenplichtigen verloren, in verreweg de meeste, hoewel lang niet alle gevallen, bij diezelfde gemeente. Men zou dus kunnen menen dat daarmee de predikant uit zijn isolement is verlost.

Dit is echter allerminst het geval. Veeleer werd z'n positie nog eenzamer. Allereerst betekent het feit, dat bestuur en beheer beide in handen van de hervormde gemeente kwamen, niet dat beide voortaan minder gescheiden zouden zijn. Wij geloven niet, dat de zeer modeste aanspraken, die de synode nu reeds lange jaren op 't beheer laat gelden, in rechten kunnen worden sterk gemaakt. Dat de gemeente het beheer heeft, verandert aan het plaatselijk karakter van de stichting niets. Dat de gemeente voogd of regent werd, verschaft dus de predikant geen lucht. Hij blijft in de stichting.

Daarbij komt dat hij langzamerhand de enige geïnterneerde in de stichting is geworden. De schoolmeester maakte zich, als een gesplitste cel, eerst van de koster los en daarna uit de voeten. De buiten-armen drosten eveneens. Beide vonden aansluiting aan 't staatsverband. De predikant bleef over met ... de koster. Dat laatste werd echter meestal een bijbetrekking. Zodat praktisch de predikant de enige geïnterneerde is.

Daarmee is echter zijn isolement nog niet voldoende aangewezen.

Er is meer. Van de drieërlei rechtsbescherming, het canonieke recht, het privaatrecht en het publieke recht waarvan de middeneeuwse pastor profiteerde, viel met de Reformatie eerst het canonieke weg. De vorige eeuw zag echter ook het publiekrechtelijk karakter der kerk verbleken, zodat thans alleen het privaatrecht overblijft. Het publieke recht, waarnaar na de Reformatie de Staten ingrepen en dat de geref. predikant redde, helpt de hervormde predikant niet meer.

Wat dit betekent is duidelijk. Wanneer thans het onderhoud van kerk of pastorie wordt verzuimd, komt niet alleen geen deken een boete opleggen, maar ook grietman of Staten kunnen niet te hulp geroepen worden. Geen deken, maar ook geen grietman met secretaris hoort de kerkerekening. De gemeente, die 't beheer heeft, hoort die zelf. Wanneer de inkomsten onvoldoende zijn kan geen kerkelijke maar evenmin een burgerlijke overheid dwingen tot een omslag. Geen Staten bemoeien zich meer met de vaststelling van een minimum-traktement. En de vervreemding van kerkegoederen valt buiten de aandacht van de overheid.

Dit alles valt nog slechts onder het privaatrecht. Want ook het nieuwe canonieke recht dat de synode in haar reglementen schept, interesseert onze rechtbanken slechts zeer matig. Nu zou men kunnen overwegen wat er privaatrechtelijk nog van te maken is. De verplichting bijv. tot onderhoud ener pastorie zou misschien voor de rechter kunnen worden sterk gemaakt.

Niemand zal echter voorlopig van zulk een actie veel verwachten. Het privaatrecht mist vooralsnog de morele overwegingen, die een plaats kunnen innemen in canoniek en publiek recht. Het loopt formeel-juridisch.

Het isolement van de hervormde predikant is hiermee volkomen. In de middeneeuwse stichting, waarin hij is opgesloten, kan hij, zonder dat er een haan naar kraait, worden uitgehongerd. Men kan trachten hem door slecht onderhoud uit z'n pastorie te drenzen als een muis, of uit te roken als een bij - De kerkelijke overheid wordt daarbij slechts zeer langzaam en dan nog zeer matig warm en kan er bovendien niets aan doen. De wereldlijke overheid laat het absoluut koud. In de stichting is men van alle moreel verband afgesloten.

Hierbij wens ik niet te generaliseren of te overdrijven. Ik weet zeer goed, dat in vele gevallen de kerkvoogd niet meer het karakter draagt van regent ener stichting maar, zoals de secretaris van de Bond het wil, van penningmeester der gemeente. Ik weet dat er te allen tijde met gebrekkige instellingen goed werk is te verrichten. En geen welwillend kerkvoogd behoeft zich hierbij als persoon getroffen te gevoelen. Maar ook dan nog blijft alles toevallig en de eigenlijke positie blijkt slechts in de minder gunstige gevallen. En niets ware gemakkelijker dan materiaal te verzamelen om deze omtrekken te kleuren. Wij laten dit echter opzettelijk na, om principieel te blijven.

Het is wel eigenaardig dat sommigen de onafhankelijkheid dezer stichting nog niet voldoende vinden. Dr. Hoog acht het 'knijpwraak'wanneer de besturen, bij te laag traktement, hun medewerking bij de beroeping weigeren. Dat ontbrak er nog slechts aan, dat ook in de vacature de ring gesloten werd en de stichting zich automatisch in het bezit van een nieuwe geïnterneerde zou kunnen stellen. Overigens zullen sommige der voor deze behandeling in aanmerking komende kerkvoogdij en, zich misschien verbaasd hebben in dr. Hoogs betoog als voorwerp van 'knijpwraak' voor te komen.

Hoe zal nu de gevestigde predikant uit z'n isolement worden verlost, zodat na de vacature de deuren der maatschappelijke gevangenis niet achter hem dichtgaan. Wij verwachten dit niet van de actie der synode ten opzichte van het beheer. Wij plaatsten ons op het standpunt van mr. Van Apeldoorn en daar schijnt het uitgesloten. Om te beginnen zou echter de privaatrechtelijke positie van de predikant kunnen worden versterkt. De vacature biedt gelegenheid om ook ten opzichte van onderhoud der pastorie bepalingen bij de beroeping te doen vastleggen. Een commissie van controle kon daarbij worden aangewezen. De kerk moet geen predikant weerloos in de stichting laten gaan.

In de tweede plaats behoren de besturen hun morele onaandoenlijkheid te laten varen. Al is het dat het kerkrecht de burgerlijke rechter niet meer tot leidraad strekt, toch komt het nog wel hier en daar in het burgerlijk recht in. Het prov. kerkbestuur van N.-Holland gaf in dit opzicht het voorbeeld. Het dreigde sommige kerkvoogden op morele gronden met afzetting. Dit zou niet in iedere gemeente mogelijk zijn, maar toch in veel wijder kring dan thans geschiedt.

Verder is door de secretaris van de Bond en anderen reeds gezegd, dat er een wet behoort te komen op de stichtingen. Ook de regering behoort haar onaandoenlijkheid te laten varen. Zoals ze reeds op zo menig terrein, waar vroeger willekeur heerste, de wet stelde, zo is het hoog tijd dat 't ook hier gebeurt.

Daarmede zijn we er echter nog niet. Het gaat ten slotte om onze morele positie. Wij verlangen uit ons isolement te komen. Onze publiekrechtelijke positie moet versterkt worden. Thans staan uit dit oogpunt de papieren der kerk nog lager dan de Russen.10 Men denke slechts aan de motie-Oud en aan het befaamde bankbiljet van 1919.11 De regering acht onze arbeid volkomen 'Privatsache'. De vroegere verhouding van kerk en staat is misschien op 't punt geheel afgewikkeld te worden.12 Het is echter waarschijnlijk dat vanaf dit nul-punt terstond de rijzing zal beginnen en een nieuwe verhouding van geestelijk en politiek terrein zal intreden. Het is merkwaardig dat de politiek 't meest geavanceerden onder ons, sommige religieuze socialisten13 hun verlangen daarnaar beginnen kenbaar te maken. Geen geestelijke beweging gedijt ten slotte buiten verband met 't geheel. Wij hebben derhalve op politiek terrein te arbeiden aan de opheffing van ons isolement.

En last not least. - Al het bovenstaande is nog al van lange adem en eist geduld. Wij hebben daarbij te rekenen met factoren, die niet in onze macht zijn. Onze eigen organisatie echter, als solidair geheel van geestelijke werkers, kunnen wij ongehinderd en in sneller tempo ontwikkelen. Hier moeten wij de morele aansluiting herwinnen, die wij in onze ambtelijke positie verloren. Daarbij zullen wij niet moeten aarzelen veel van onze prerogatieven op te offeren. Wij kunnen daarbij echter slechts winnen en hebben niets te verliezen dan een diepe eenzaamheid. Wie uit de parochie wil moet langer geen pastoor willen zijn. Het middeneeuwse ambt staat totaal geïsoleerd in de huidige samenleving en de kerk als stichting heeft alle contact verloren. Aan de moderne arbeidsorganisatie hebben wij ons aan te sluiten. Dan zal er ook weer sentiment en temperament in kerkelijke kring opleven. Thans dooft het ambtelijk isolement alle vuur omdat er geen geleiding bestaat. Het is ongelooflijk wat in de kerkelijke wereld gebeuren kan, zonder een noemenswaardige ontlading van verontwaardiging. In ieder solidair verbond zouden zulke dingen een uitbarsting verwekken. De kerk echter is vergeten wat een banbliksem is.

Het zal menig predikant moeilijk vallen de morele aansluiting aan een geestelijke arbeidsorganisatie te bewerkstelligen. Hij is in vele gevallen een representatieve, soms decoratieve figuur. In de stichting leerde hij z'n ziel in lijdzaamheid te bezitten, wanneer ieder mensenkind gereageerd zou hebben. Zal de aansluiting in voldoende mate gelukken?

We moeten het hopen. Naarmate het gebeurt zullen de sterke gevoelens weer door het geheel gaan lopen, die er nodig zijn om af te rekenen met een instelling, die in de loop der historie haar plichten verloor en enkel haar rechten behield, die daardoor tot een kweekplaats werd van willekeur. In de economische crisis die wij beleefden is deze instelling in zulk een mate in gebreke gebleven, dat ze het recht van mee te spreken Moreel verloren heeft. Hier tiert nog onbedwongen het 'sweating system'14 en met het oog op de stemming der gemeente in haar kwaliteit van beheerderes moesten nog pas emeriti en weduwen aan de honger worden prijsgegeven. Zij werden opgeofferd aan een autonomie, die in haar wezen niets bijbels heeft, maar in haar mammonistisch individualisme een der laatste overblijfselen is van het onbedwongen kapitalisme uit het midden der negentiende eeuw.

Boven deze ongerechtigheden tronen in ongelooflijke goedmoedigheid de kerkelijke besturen. In vele gevallen vergenoegen zij zich met de orde en geven de gerechtigheid prijs. Willen ze zich voor de laatste gaan interesseren dan zullen ze één van tweeën moeten doen. Of ze zullen met alle hun ten dienste staande middelen de positie van de gevestigde predikant moeten gaan dekken. Ze zullen met bestuursmiddelen een invasie moeten doen in de stichting. Of wanneer ze dit niet willen of niet kunnen15, zullen zij moreel het recht verliezen van opzicht en tucht over de gevestigde predikant. Wie vogelvrij verklaard wordt krijgt het recht als vrijbuiter op te treden.

Deze laatste opmerking klinkt zeer gewaagd, maar heeft een goede, praktische betekenis. De besturen zullen haar ook niet uit de weg kunnen gaan. Naarmate het blijkt dat de bestuursorganisatie niet tegen de situatie is opgewassen, zullen de predikanten, zoals ze aanvankelijk doen, zichzelf moeten helpen. Zij zullen een verband zoeken, waar meer sentiment en meer temperament zit dan in de kerkelijke organisatie. In dit verband zullen ze niet alleen orde maar ook gerechtigheid zoeken. En ze zullen maatregelen moeten beramen, waarvoor ee meer ruimte nodig hebben dan de reglementen hun geven. Die ruimte zullen de besturen, als ze zichzelf onmachtig verklaren, hun moeten geven. Maw. de arbeidsorganisatie zal in de reglementen moeten worden opgenomen.16

Langs deze weg zal de beheerskwestie moeten worden doorgehakt. Jonge mannen, die frank en vrij uit de maatschappij en van de academie komen, mogen niet langer worden opgesloten in een stichting, waarin ze aan de hoogste willekeur zijn overgeleverd en waarin in sommige gevallen de obscuurste individuen hun karakter zoeken in te deuken. Wij voelen ons sterk genoeg deze stichting te slechten, zodra ons isolement verbroken is.

Voetnoten

  1. a

    Van Apeldoorn, De kerkelijke goederen enz., dl. 2, p. 77.↩

  2. b

    A. w., p. 76.↩

  3. c

    Reitsma en Van Veen, Acta enz., dl. 6, p. 76.↩

  4. d

    Van Apeldoorn, a. w., p. 81.↩

  5. e

    Hier raken we de oplossing der bestuurskwestie, die we hier verder niet behandelen.⚑

Eindnoten

  1. 1

    OBNP. 3 (15.2,1921) nr. 1. Met 'isolement' is bedoeld het isolement van de predikant binnen een organisatie die niet bij machte was bestaande structuren als 'de stichting' te doorbreken en een geestelijk functioneren van haar werkers te effectueren. In feite versterkte de bestaande organisatie bedoeld isolement. Zie voor de achtergronden ook van dit art.: n. 1. l.; 4. l; vgl. dr. A. de Groot, a. w.↩

  2. 2

    N. juichte het tot stand komen van het nieuwe reglement toe. De bezwaren van tegenstanders als dr. Hoog zoals: inbreuk op rechten plaatselijke gemeente en ongeoorloofde druk in vacaturetijd etc. deelde hij niet. Maar hij doorzag dat met dit regl. het eigenlijke werk niet gedaan was. De isolerende structuur der kerk bleef gehandhaafd. Om grondige verbetering teweeg te brengen, 'moesten knopen doorgehakt'.↩

  3. 3

    Te weten: de predikanten die aan hun standplaats verbonden zijn. Voor hen kon niets gedaan worden in geval van onwilligheid tot betaling van de verschuldigde bedragen door de kerkvoogdij der plaatselijke gemeente. Alleen wanneer de standplaats vacant werd, kon er druk worden uitgeoefend tot verbetering. Zie n. 1. 1; 2.1; 4.5.↩

  4. 4

    Voor N.' aandacht voor 'onaangepasten' zie ook zijn artikel Liquidatie (nr. 83).↩

  5. 5

    Mr. L. J. van Apeldoorn, geb. 1886, van 1921-1945 hoogleraar rechtswetenschap te Amsterdam. Schreef o.a.: De kerkelijke goederen in Friesland, diss. Utrecht, Leeuwarden 1915; De synode en de kerkegoederen, Leeuwarden 1919; De synode en de predikantstraktementen, Welke houding moeten de gemeenten aannemen tegenover het Synodale reglement op de predikantstraktementen? Een advies, Arnhem 1924.↩

  6. 6

    Deken (priester uit r.-k. hiërarchie, zich bevindend tussen bisschop en pastoor); grietman (bestuurder van een der dertig grietenijen of rechtsdistricten, waarin Friesland verdeeld was); consul van 't Hof; de rekening horen (= financieel toezicht): termen uit aangehaald werk van dr. Van Apeldoorn (p. 220-225).↩

  7. 7

    J. Reitsma en S. D. van Veen, Acta der prov. en particuliere synoden, 8 dln., Groningen 1892-1899.↩

  8. 8

    Dr. 1. M. J. Hoog (1858-1928), hervormd predikant o.a. te Nijmegen (van 1900 af). N. reageerde in dit artikel dus blijkbaar niet slechts op het nieuwe reglement, maar mede op de kritiek van Hoog daarop. N,' reactie lokte een felle pennestrijd uit en wel als volgt: l.M.J. Hoog, Macht is recht, Ingezonden, NRC. 4.4.1921. O. N.' reactie hierop in nr. 4. Jaren later vlamt de discussie weer op: Hoog, Afschaffing van eigendomsrecht, ingez. NRC. 13.2.1924. N., reactie NRC. 11.3.1924. Vervolgens begeeft N. zich dieper in een uiteenzetting met prof. Van Apeldoorn: Prof. Van Apeldoorn en de synode, NRC. 17.4.1924; De bevoegdheid tot traktementsregeling, NRC. 1 1.5.1924; Een oud synodaal recht, NRC. 3.6.1924.↩

  9. 9

    Te weten: iemand zijn schrielheid betaald zetten met schrielheid. Zie verder n. 4.6.↩

  10. 10

    Hoogrentende waardepapieren, door de tsaristische regering ter financiering van de industrialisatie uitgegeven, door tallozen, ook in Nederland, aangekocht en vervolgens door de nieuwe machthebbers waardeloos verklaard.↩

  11. 11

    Bij de Tweede Kamer werd door de minister van financiën De Vries een wetsontwerp 'Wijziging en verhoging van het zevende hoofdstuk B der rijksbegroting voor het dienstjaar 1919' ingediend, waarin als duurtetoeslag op rijkstraktementen van predikanten, r.-k. geestelijken en opperrabbijnen een bedrag van fl 345.000 werd opgevoerd. Dit zou neerkomen op per persoon fl 100 (vandaar 'bankbiljet'). Zie Hand. St. Gen., Bijlagen 1918-1919, Bijlagen vel 486, 1-5. De motie-Oud luidde: "De Kamer, van oordeel dat de voorgenomen uniforme duurtetoeslag op de traktementen van bedienaren van de godsdienst moet worden vervangen door een bijslag van twintig pct. op het rijkstraktement, gaat over tot de orde van de dag." Over dit alles werd uitvoerig gedebatteerd, waarbij uiteraard de gehele verhouding kerk-staat aan de orde kwam. Het ging vooral om artikel 17 1, vgl. Hand. St. Gen. 11 1919-1920, elfde verg. 24.10.1919; zie VW., dl. 1, p. 387 en n. 32.19. De motie-Oud werd verworpen (30-25 stemmen), het wetsontwerp aangenomen (38-17 stemmen). Vgl. ook OBNP. 1 (nov. 1919) nr. 8, p. 8 v. Van de periode 1860-1880 af tot op nu is de kwestie omstreden en onopgelost. Vgl. Het geld van de kerk, Werkboek samengesteld door D. de Lange, Serie Oecumene, Baarn 1971. In de Hervormde Kerk bracht zij velen op de been. Op een landelijke vergadering op 7 juli 1919 te Utrecht sprak o.m. Hugo Visscher. Toen werd ook de stoot gegeven tot de oprichting van de Vereniging van Kerkvoogdijen (9.4.1920). Vgl. Weekblad NHK. 3 (27 juni, 4 juli 1919) nrs. 26 v.↩

  12. 12

    Een grondwetsherzieningscommissie was tussen 1918-1920 ook met artikel 171 bezig geweest om tot wijziging te komen of door afkoop of door een nieuwe regeling, waarvan ook de kerken die na 1816 ontstaan waren zouden profiteren. Er kwam veel verzet, zodat de regering het artikel liet bestaan. Er werd een nieuwe commissie ingesteld olv. prof. Anema om de rechtspositie der kerken te bezien. In 1923 kwam dr. Visscher (zie n.22.24) met een voorstel in het parlement waarbij de regering uitgenodigd werd orde op zaken te stellen in de NHK. Uitgegaan zou moeten worden van vele afzonderlijke plaatselijke kerken, die in feite en ook in rechten als de eigenlijke kerken zouden moeten worden aangemerkt. Er kwam afdoende tegenkanting van chr.-hist. (dr. Schokking) en vrijzinnige zijde (mr. Dresselhuys). Enig resultaat: de positie van de NHK. was in het midden van de aandacht van de volksvertegenwoordiging geplaatst. Een belangrijk deel van J. Th. de Visser, Kerk en Staat, di. 3, Leiden 1927, wordt gevormd door de geschiedenis van artikel 171 (voorheen 168); vgl. p. 298, 360, 430-539. Zie ook n. 63.57.↩

  13. 13

    Zie n. 1. 1 l; 2.2. Gedacht is aan figuren als G. Horreüs de Haas en H. T. de Graaf; vooral aan de Woodbrookers, die N. kende door Barchem; zeker ook aan B. de Ligt. Zie artikel Mobilisatie (nr. 5).↩

  14. 14

    Het eisen van de grootste werkprestatie tegen de laagste betaling.↩

  15. 15

    In zijn bovengenoemd stuk (Ingezonden) in de NRC. van 4.4.1921 keert dr. Hoog zich met felheid tegen deze uitspraak. Hij noemt het "eenvoudig onderstboven lopen van bestaande rechtstoestanden". Bestuur heeft over beheer niets te zeggen. Als zij blijven bij "de noodlottige tactiek van beroepen niet goed te keuren zullen zij de kerk in kort geding om hals brengen".↩

  16. 16

    In deze zin is zowel het verband tussen de strijd voor de predikantstraktementen en de strijd om de reorganisatie van de NHK. als het grondbeginsel van de reorganisatie naar N.' inzicht geformuleerd.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet onder Weergave de correcties aan om de verbeterde OCR-fouten en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Sociale mogelijkheid en algemeen sociaal ideaalDeel 54. Antwoord op 'Macht is recht' →