Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 6, p. 637–641

Weergave
Passages naar Readwise sturen

Bijlage 2

Eed en Belofte

Rapport van een commissie, ingesteld door het hoofdbestuur van het Humanistisch Verbond

Wie zijn gedachten over het eedsvraagstuk heeft laten gaan, en ten aanzien van een toekomstige wettelijke regeling daarover voorstellen wenst te doen of suggesties wil geven, zal verstandig doen met te beginnen van de geldende wettelijke regeling nauwkeurig kennis te nemen. Zijn aandacht zal dan om te beginnen worden opgevraagd door artikel 1 van de wet van 17 juli 1911 S. 215, dat bepaalt:

"Hij, die ter uitvoering van een wettelijk voorschrift mondeling een eed, belofte of bevestiging moet afleggen, zal:

a. indien hij een eed aflegt, onder het opsteken van de twee voorste vingers van zijn rechterhand, uitspreken de woorden: 'Zo waarlijk helpe mij God almachtig'.

b. indien hij een belofte aflegt, uitspreken de woorden: 'Dat beloof ik', indien hij een bevestiging aflegt, uitspreken de woorden: 'Dat verklaar ik', ⚑tenzij hij aan zijn godsdienstige gezindheid de plicht ontleent, de belofte of de bevestiging op andere wijze te doen."

Hier worden dus niet slechts de eed en de belofte naast elkaar gesteld, maar wordt nog afzonderlijk de bevestiging genoemd. De bevestiging is echter op één lijn te stellen met de belofte. Zij ziet op de gevallen, waarin strikt genomen - niets te 'beloven' valt, maar slechts iets moet worden verklaard. Aldus bijv. wanneer ambtenaren moeten bevestigen of verklaren, dat zij tot het verkrijgen van hun aanstelling aan niemand iets hebben gegeven of beloofd. Intussen heeft de wetgever zelf op menige plaats het onderscheid tussen belofte en bevestiging uit het oog verloren. Men spreekt meestal zowel voor het ene als voor het andere geval van 'belofte'.

Voor een beoordeling van het vraagstuk vanuit humanistisch gezichtspunt, als waartoe deze commissie is geroepen, is vervolgens van niet minder belang de wet van 28 april 1916 S. 174, die in haar eerste artikel bepaalt:

"In elk geval waarin een wettelijk voorschrift het afleggen hetzij van een eed, hetzij naar de wijze der godsdienstige gezindheid van een eed of van een belofte, verklaring of bevestiging vordert of daaraan rechtsgevolgen verbindt, is een ieder, ook indien hij niet tot een godsdienstige gezindheid behoort, verplicht de eed af te leggen."

In zoverre zou dus ook degene, die niet tot een godsdienstige gezindheid behoort, ook de humanist, de eed moeten afleggen.

Artikel 2 van dezelfde wet gaat echter voort: "Een belofte of bevestiging wordt echter afgelegd, indien de te beëdigen persoon verzoekt daartoe te worden toegelaten op grond dat hij behoort tot een godsdienstige gezindheid, welke hem het afleggen van eden verbiedt."

Het is bekend, dat doopsgezinden op deze bepaling een beroep plegen te doen.

Voor ongodsdienstigen en humanisten is echter van meer belang de bepaling van artikel 3 lid 1: "De te beëdigen persoon wordt mede toegelaten de eed door de belofte of bevestiging te vervangen, indien hij schriftelijk verklaart, tegen het afleggen van eden, ook wanneer enig wettelijk voorschrift dit vordert, onoverkomelijke bezwaren te hebben, ontleend aan zijn opvatting omtrent de godsdienst."

De formule is nogal ingewikkeld en niet zeer helder. Met alle bezwaren van dien.

Zó weinig helder is de formulering, dat er zelfs verschil van mening bestaat, of in het algemeen niet-godsdienstige mensen, en ook of humanisten aan artikel 3 lid 1 een aanspraak kunnen ontlenen om tot het afleggen van de belofte in plaats van de eed te worden toegelaten. Het is duidelijk, dat deze situatie reeds op zich zelf voor ongodsdienstigen en voor humanisten zeer weinig bevredigend is. Des te minder omdat het nagenoeg uitsluitend godsdienstige mensen zijn, die menen ongodsdienstige mensen en humanisten te kunnen voorhouden, dat zij toch waarlijk geen bezwaren behoeven te hebben tegen het afleggen van de eed. Door ongodsdienstigen en humanisten zelf wordt dit geheel anders aangevoeld en zij stellen er vanzelfsprekend prijs op zelf uit te maken, waartegen zij bezwaren moeten maken en waartegen niet. Voor zover ongodsdienstigen en humanisten de eed afleggen, doen zij dat omdat huns inziens de wet hen daartoe dwingt, niet omdat zij zouden menen, dat de betrekkelijke wettelijke bepalingen hun overtuigingen geen geweld zouden aandoen. Zij doen dat, zo kan hun opvatting worden samengevat, omdat het voren aangehaalde artikel 3 wel erkent 'bezwaren, ontleend aan hun opvatting omtrent de godsdienst' en niet 'bezwaren, ontleend aan hun levens- en wereldbeschouwing', zoals een wettelijke regeling, die opvattingen van ongodsdienstigen en humanisten waarlijk zou eerbiedigen, zou behoren te doen.

Ook voor ongodsdienstigen en humanisten, die menen dat wettelijke voorschriften hen, onder omstandigheden, dwingen tot eedsaflegging, ook voor ongodsdienstigen en humanisten, die menen dat hun bezwaren tenslotte niet 'onoverkomelijk' zijn, blijft het feit bestaan, dat zij in de aflegging van de eed slechts iets onwaarachtigs kunnen zien. Iets, dat onwaarachtig is in eigen ogen, maar niet minder onwaarachtig moet zijn in de ogen van de godsdienstige mens. Van christelijke zijde wordt de eed gewaardeerd als een religieuze handeling: God wordt daarbij aangeroepen, zijn hulp en bijstand afgesmeekt; uitdrukking wordt gegeven aan de vrees voor zijn straf; de mens wordt daarbij ondersteld in een persoonlijke relatie tot God te staan. De God, die aangeroepen wordt, is een persoonlijk God. Zo gezien, kan de ongodsdienstige of humanistische mens - die niet in een persoonlijk God gelooft - God niet aanspreken; zijn eedaflegging mist alle werkelijke zin en het kenmerk der waarachtigheid. Het moet niet slechts voor ongodsdienstigen en humanisten, maar ook voor godsdienstigen aanstootgevend en ergernis-wekkend zijn, wanneer de wetgeving tot zodanige zinloosheid en onwaarachtigheid dwingt, of zelfs maar dringt, aldus de suggestie wekkend dat een stukje zinloosheid of een beetje onwaarachtigheid op het gebied van godsdienst en levensbeschouwing, nota bene! - toch niet onoverkomelijk' is.

Behalve in de voren bedoelde 'onwaarachtigheid' vindt het verzet van ongodsdienstigen en in het bijzonder van meer principiële humanisten tegen de bestaande wettelijke regeling daarin zijn grond, dat zij het niet gerechtvaardigd kunnen achten, dat 'hun' belofte, die zij zouden willen uitspreken, als het ware een subsidiair en in zoverre een enigszins minderwaardig karakter wordt verleend in verhouding tot de eed.

Wel leert de ervaring, dat ook de meeste rechters het in verregaande mate aan de betrokkenen overlaten te beoordelen of zij moeten zeggen onoverkomelijke bezwaren te hebben tegen het afleggen van de eed, en zeker vat ook de praktijk in het algemeen de wettelijke bepalingen aldus op, dat een humanist of een atheïst de eed mag weigeren, maar niet iedere rechter is even vlot en gemakkelijk, en men zal zelfs moeten erkennen, dat er grond bestaat voor de opvatting, dat de wet de rechter niet toestaat al te gemakkelijk aan te nemen, dat men onoverkomelijke bezwaren heeft tegen het afleggen van de eed. De geringe geneigdheid, die de rechter soms aanvankelijk aan de dag legt om tot de belofte toe te laten, is veelal weinig meer dan een middel vòor hem om de betrokken getuige er toe te prikkelen van de ernst van zijn bezwaren te doen blijken. Intussen is het op zich zelf een weinig gelukkige omstandigheid, dat bij een zo belangrijke en principiële aangelegenheid - ook belangrijk in het voelen en denken van eenvoudige mensen, die het formuleren van eigen gedachten slechts moeilijk afgaat - zoveel aan het toevallig inzicht van de rechter is overgelaten. Als men dan bovendien nog in het oog houdt, dat de gehele materie weinig geschikt is om in een korte gedachtenwisseling tussen rechter en getuige af te doen, dan zal men na het voorgaande gemakkelijk begrijpen, niet alleen dat de wettelijke bepalingen zowel moeilijkheden voor de rechter in zich bergen als voor de belanghebbenden, maar ook dat het voor ongodsdienstigen en humanisten moeilijk te verdragen is, dat zij slechts tot de belofte worden toegelaten na een weinig verheffende en weinig zakelijke gedachtenwisseling, en in ieder geval pas nadat zij voor hun opvattingen hebben moeten opkomen op een wijze, als waarop godsdienstigen niet voor de hunne behoeven op te komen. In strijd met de ernst van de zaak, waarom het gaat, en in strijd met de menselijke waardigheid is het ook te achten, wanneer - wat niet zo zelden voorkomt - in en door de gedachtenwisseling met de rechter eenvoudige mensen, die zich moeilijk of niet kunnen uitdrukken, er toe worden bewogen in strijd met hun werkelijke gezindheid toch maar de eed af te leggen.

Met klem moet er nog op worden gewezen, dat de gehele wettelijke regeling weinig geschikt is om getuigen enz. er van te overtuigen, dat de belofte inderdaad dezelfde kracht en dezelfde waarde heeft als de eed. Juist ook de 'gedachtenwisseling' met de rechter kan bij hen vaak slechts de overtuiging achterlaten, dat de rechter in ieder geval blijkbaar de belofte minder hoog aanslaat dan de eed. Als de getuige er dan nog verder bij denkt, dat de rechter het weten kan, dan is een ernstig kwaad geschied. Het beoogde doel - de betrokkene in te scherpen, dat hij de waarheid en niets dan de waarheid heeft te spreken - wordt veel beter bereikt wanneer de getuige kortweg de keus tussen eed en belofte wordt gelaten, en wanneer dan de rechter, zo nodig, zowel wanneer de eed als wanneer de belofte wordt gekozen, de getuige wijst op het gewicht van de eed of de belofte, die is afgelegd.

Om de materie nog iets vollediger te behandelen, wijst de Commissie nog op artikel 4 van de wet van 28 april 1916, luidende:

"Indien het wettelijk voorschrift, als in artikel 1 bedoeld, betrekking heeft op de aanvaarding van enig openbaar ambt, van enige openbare betrekking, waardigheid of bediening, van enig beroep of van enige duurzame werkkring, als die van voogden of curators zal de te beëdigen persoon de keuze hebben tussen de eed en de belofte of bevestiging."

Hier heeft men dus zonder meer de keus, ongeacht zijn godsdienstige gezindheid. Ook godsdienstige mensen kunnen hier de belofte kiezen. Hier behoeft, om tot de belofte te worden toegelaten, niet een beroep te worden gedaan op onoverkomelijke bezwaren tegen het afleggen van de eed. Dienovereenkomstig zullen bijv. leden van een gemeenteraad altijd vrijheid hebben de belofte af te leggen.

Opmerking verdient tenslotte, dat ten aanzien van een stuk zgn. administratieve rechtspraak, - die in haar geheel op wat moderner leest is geschoeid - getuigen en ook deskundigen, als juist dáár veel voorkomen - steeds zonder meer de keus hebben tussen eed en belofte. De Commissie doelt hier op de rechtspraak betreffende de sociale verzekeringswetgeving en het ambtenaren-recht, die wordt uitgeoefend door de Centrale Raad van Beroep, de Raden van Beroep (Sociale Verzekering) en door de Ambtenarengerechten. Gewezen wordt ook op het feit, dat de Wet op de Rijksverzekeringsbank en de Raden van Arbeid van bestuursleden dier organen alleen het afleggen van een belofte verlangt, en zelfs toestaat, dat die schriftelijk wordt afgelegd. Uit deze feiten mag worden geconcludeerd, dat er in ieder geval een tijd is geweest, dat de wetgever de bezwaren, verbonden aan het zonder-meer-geven-van-de-keus niet zwaar heeft laten wegen.

De Commissie beveelt het Hoofdbestuur van het Humanistisch Verbond aan met kracht te bevorderen, dat het tot zodanige wetswijziging komt, dat voortaan steeds en in alle voorkomende gevallen aan betrokkenen zonder meer de keus tussen eed en belofte wordt gelaten.

3 oktober 1950. De Commissie:

Mr. A. STEMPELS.
Prof. Mr. Dr. W. G. VEGTING. Mr. Dr. J. IN 'T VELD.

E. Vermeer.

Mr. H. B. J. WASLANDER.

Aldus goedgekeurd door het Hoofdbestuur van het Humanistisch Verbond in zijn vergadering van 28 oktober 1950.

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet onder Weergave de correcties aan om de verbeterde OCR-fouten en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 1. De Epiclese (door dr. W. H. van de Pol)Deel 6Idsegahuizen-Piaam (1903-1910) →