53. Oepke de Roos aan Oepke Noordmans
Amsterdam, 15 oktober 1888
Neef Oepke,
Het werd, dunkt me, ook eens tijd jou eens een brief te schrijven. Het is reeds verscheidene weken geleden, dat we elkaar gesproken hebben. Reeds bijna vier weken ben ik in Amsterdam en nog niets heb ik van je gehoord, daarom moest ik nu maar eens aan je schrijven. Veel nieuws kan ik je echter niet melden. Aan onze universiteit zijn negen nieuwe studenten aangekomen. Dit jaar dus niet heel veel. Deze heren zijn tegenwoordig in de groentijd. Gelukkig is die spoedig voorbij. In deze week toch werden ze geïnstalleerd. Ook heeft in deze week, namelijk zaterdag, de overdracht van het rectoraat plaats.1 Prof. Kuyper zal dan een redevoering houden, naar ik meen over Cats en Bilderdijk.2 Hieraan is voor de studenten verbonden op de daaropvolgende maandag een theevisite bij mijnheer Hovy.3 Dat is een grote deftigheid, dat zeg ik je. En dan kunnen we bij leven en welzijn weer tot onze rustige studiën terugkeren. Nu dat is heel goed. Zoals je weet, hoop ik het volgende jaar mijn candidaatsexamen te doen en daarom valt er nog heel wat te studeren. Ziedaar het nieuws uit Amsterdam. Van huis heb ik een brief gehad en daaruit verneem ik, dat oom, je vader, de plaats te Oosterend gekocht heeft. Ook heb ik bericht gehad uit Oosterend van Aukje.4 Ze vertelde mij dat Bauke5 ook weer er op uit was geweest en wel naar Hichtum. Hij schijnt tegenwoordig wel een vrouw te zoeken. Nu ik hoop van harte dat hij een flinke vrouw mag vinden. Wat mijzelf betreft in deze gewichtige zaken, nog sta ik alleen. Ik weet niet hoelang dit nog zo zal duren. Wij zullen eens zien. Hoe is het met jou gesteld in dit belangrijke punt? Trekt je hart nog altijd naar B.?6 In de vacantie heb ik haar met Tom7 nog eens gezien, bezig met melken. Tom en ik waren toen naar Wiewerd geweest. Nu, Oepke, straks moet ik naar college. Ontvang mijn hartelijke groeten, je neef
Oepke.
Mijn adres is: Potgieterstraat 7, Amsterdam.
(AN)