Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 9A · 2. Leiden

Weergave

71. Ouders aan Oepke

Scharnegoutum, 18 oktober 1891

Lieve Oepke,

Uw brief bevat reeds zware kost. Mijn antwoord zal zo kort mogelijk zijn. Of het gevoelen van Dr. Kuyper als bovenvaldrijver schriftuurlijk is? Volgens de door u aangehaalde schriftplaatsen zeker - de vraag is alleen of al de gevolgtrekkingen daaruit afgeleid steekhouden, met name de doop, enz. Volgens de door u aangehaalde schrifturen is de roeping uitvloeisel van de uitverkiezing. Op andere plaatsen komt de roeping weer in een ander verband voor, b.v. velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren. In Rom. 9 leest gij: Jakob heb ik liefgehad, Ezau heb ik gehaat; in een andere plaats wordt Ezau weer voorgesteld tot een exempel om niet te zijn een onheilige, dewijl hij voor een schotel moes zijn eerstgeboorterecht weggaf en daardoor de zegen verbeurde.1 En zo gaat het de ganse Heilige Schrift door. M.i. staat het echter niet vrij om een deel der Schrift te nemen en dan daarop zo door te gaan alsof nu dat deel de dogmatiek der ganse Heilige Schrift was. En voor Calvijn en voor Luther noch voor wie ook staat het vrij een deel te nemen voor het geheel en dan op dat deel een afgerond en pasklaar systeem te gronden en dan te zeggen: ziedaar de leer der ganse Heilige Schrifture, juist hierdoor ontstaat dwaling en ketterij. Ook gaat het niet aan van twee kanten bezien. Het geloof neemt de ganse Schrift aan als een geheel en al zijn daar ook dingen in, zwaar om te verstaan, die de onvaste zielen verdraaien tot hun eigen verderf, voor hen die geloven is ze klaar in die dingen, die ter zaligheid nodig zijn. Ik zal nu niet verder spreken over de toepassing van de onderscheiden waarheden in de praktijk van het leven - zullen wij spreken over het getal dergenen die behouden worden, dan zeggen wij - zovelen als er uitverkoren zijn ten eeuwigen leven - zullen wij spreken over hen die mogen geloven, dan zeggen wij - indien Ik (namelijk Jezus) niet gekomen ware dan hadden ze geen zonde, maar nu hebben ze geen voorwendsel. Jeruzalem, Jeruzalem, hoe menigmaal heb Ik u willen bijeenvergaderen, enz.2 Tenslotte, als ik door het Evangelie geroepen word, moet ik dan eerst die nodiging geloven om te komen tot de bewustheid dat ik reeds van eeuwigheid een uitverkorene Gods was, of moet ik eerst door onmiddellijke openbaring weten dat ik van eeuwigheid uitverkoren ben voordat ik de roeping of nodiging des Evangeliums voor mijzelf mag geloven - of moet ik zeggen, als ik een benedenvaldrijver ben, dan moet ik het eerste - ben ik een bovenvaldrijver, dan moet ik het laatste. - Gevoelt gij dat het niet voldoende is als men zijn dogmatiek op een gedeelte der Heilige Schrift laat rusten? Zeer beveel ik u een nauwkeurig schriftonderzoek aan, opdat gij daardoor in staat gesteld wordt de onderscheiden dogmen en leerstelsels te toetsen. Hoe dichter bij de bijbel, hoe nader bij de waarheid. Tevens zend ik u dit kleine boekske,3 waarin m.i. nog wel iets voorkomt der lezing waard. Gegroet van vader en moeder, zuster Trijntje en Jakob, Pier en Gep en Lambers.

D.P. Noordmans.

(AN)

Noten

  1. 1

    Zie Hebr. 12:16.↩

  2. 2

    Zie Matth. 23:37 en Luk. 13:34.↩

  3. 3

    ‘Boekske’ is onduidelijk, de boekjes die DPN zelf schreef zijn van later datum.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit het zetbestand van het boek; de noten zijn aan hun verwijzing gekoppeld. Dat bestand heeft geen paginanummers: een brief wordt aangehaald met zijn nummer. Zet onder Weergave de correcties aan om de herstelde en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 70. Oepke aan zijn ouders2. Leiden72. Oepke aan zijn ouders →