Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 9A · 2. Leiden

Weergave

83. Ouders aan Oepke

Scharnegoutum, 21 februari 1892

Lieve Oepke!

In antwoord op uw schrijven1 zal ik met het laatste maar het eerst beginnen. Ik ben het volkomen met u eens dat de zaken te veel door elkander gehaspeld worden en dat dientengevolge de één de ander niet verstaat. ‘Die wel onderscheidt, die wel leert.’2 Ook denk ik dat, zo gij Wormser over de kinderdoop gevat hebt, dat gij dan ook wel tussen de klippen door zult zeilen, maar toch wil ik er wel iets van zeggen. Vooreerst dan merk ik op dat als men spreekt van een zichtbare en een onzichtbare kerk, dat men dan niet moet denken aan tweeërlei kerken, maar aan één en dezelfde kerk. Spreekt men van de laatste, dan wordt bedoeld het verborgen lichaam van Jezus Christus of met andere woorden, dan bedoelt men alleen, en ook alleen, diegenen die door wedergeboorte inderdaad en in waarheid het eigendom van Jezus Christus geworden zijn, over de gehele aarde verspreid, hieronder bevinden zich dus geen onbekeerden. Dezen kunnen alleen onfeilbaar gekend worden door Hem die in het verborgen ziet. Spreekt men van de zichtbare kerk, dan bedoelt men dezelfde kerk, zoals zij zich in haar openbaringsvorm, zichtbaar door belijdenis en wandel, naar buiten openbaart. Hieronder bevinden zich altijd hypocrieten, dewijl de kerk onmogelijk kan oordelen over het inwendige, maar dit aan de Heere des oogstes3 moet overlaten. Tot deze kerk behoren natuurlijk allen die als het zaad der kerk in haar schoot worden geboren en dus als mede-erfgenamen (niet erfbezitters) des Nieuwen Testaments door de doop in Jezus Christus worden ingelijfd. En alzo tot leden van de zichtbare kerk worden aangenomen. En daarbenevens zij allen die door openbare belijdenis van hun geloof in Jezus Christus tot de gemeenschap der zichtbare kerk toetreden. Hieruit volgt nu vanzelf, hoe de leraar de gemeente behoort aan te spreken. In de eerste zin kan hij ze natuurlijk onmogelijk aanspreken alsof allen die hij onder zijn gehoor heeft wedergeboren zijn. Maar in de zin zoals hij hier op aarde staat, temidden van de gemeente des Heren, in zijn zichtbare openbaringsvorm, mag hij die gemeente niet aanspreken als voor een deel nog uit heidenen bestaande, maar heeft hij uit aanmerking van de grote voorrechten die aan de gemeente zijn te beurt gevallen, te waarschuwen en te vermanen en te bestraffen, allen die niet met het hart geloven wat hun mond belijdt, of hoeveel te zwaarder oordeel meent gij dat zij zullen ontvangen, die de Zoon Gods hebben vertreden en het bloed des Nieuwen Verbonds hebben onrein geacht, waardoor ze geheiligd waren. Wordt deze Christusversmading zichtbaar door verloochening of goddeloze wandel of door die beide, dan is de gemeente natuurlijk verplicht eerst door broederlijke vermaning en tucht, zo mogelijk te behouden en daarna bij halsstarrige volharding deze bozen uit hun midden weg te doen. Dat nu abnormale toestanden de zaak somtijds moeilijk maken, verandert m.i. aan de zaak zelf niets. Vindt de leraar bezwaar om zijn gehele gemeente als gemeente des Heren aan te spreken, dan moet hij zich eerst personeel overtuigen, dat hij onder zijn leden telt, die er volgens hun openbare belijdenis en wandel niet toe behoren, en zolang hij dit niet doet, heeft zijn subjectief gevoelen voor de kerk geen waarde. Wat nu de bediening des Woords betreft: deze moet natuurlijk uitgestrekt worden tot alle mensen. Gaat dan heen in de gehele wereld, predikt het evangelie aan alle creaturen, enz.4 en gaat heen in de wegen en heggen en dwing ze om in te komen, opdat Mijn huis vol worde.5 De nodiging is de grond van te mogen komen. Immers hoe zou het anders kunnen? Omdat de gemeente weet dat iemand gelooft (wat?), mag hem het evangelie gepredikt worden? Maar het geloof is uit het gehoor, enz.6 Met de sacramenten is het echter anders. Deze mogen natuurlijk eerst bediend en gebruikt worden aan en door hen die krachtens geboorte of belijdenis tot de zichtbare kerk behoren, dewijl het zijn sacramenten van het genadeverbond ter inlijving of gemeenschapsoefening met de Heer der gemeente, Jezus Christus. Maar toch ook weder zijn het geen sacramenten ter bezegeling van iemands subjectief geloof, maar van de reinigmakende kracht van het bloed der verzoening, of van de gemeenschap aan het gebroken lichaam en vergoten bloed van Jezus Christus,7 en daarom mocht bij de nodiging tot de maaltijd zo straks door mij aangehaald: niemand komen zonder bruiloftskleed, dat is het kleed van de gerechtigheid van Jezus Christus.8 Niets subjectiefs dus gaf hem recht, niets subjectiefs maakte hem bekwaam. Als een geroepen zondaar, mocht en moest hij komen, meer had hij van zichzelf niet te geloven. En zou nu de gemeente tot voorwaarde stellen de wetenschap dat iemand inderdaad in waarheid zulk een subjectief gelovige is? Al te dwaas; immers ze moest dan in de plaats van God staan. Nog schrijft gij over het lezen der wet in het midden der gemeente. Ook hier dient wel onderscheiden te worden. De wet als tuchtmeester tot Christus9 was eigenlijk de wet der ceremoniën, wel te onderscheiden van de bloedwreker. Tuchtmeester was eigenlijk heenwijzen, opvoeden, in bewaring houden totdat, enz. De wet der tien woorden is om het leven te geven krachteloos geworden, omdat de zondaar van het recht om daardoor het leven te ontvangen is vervallen, en ligt besloten vanwege deszelfs overtreding onder deszelfs vloek. Alzo aangemerkt zou kunnen gezegd worden de wet werkt toorn, en er zou tot de gemeente ter bemoediging kunnen gezegd worden, gij zijt niet meer onder de wet maar onder de genade, (hoewel ook dan niet mag vergeten dat de versmading van die genade te zwaarder oordeel zal teweeg brengen; het zal Tyrus en Sidon verdragelijker zijn in de dag des oordeels dan ulieden).10 Hieruit volgt nu echter niet dat het geen pas geeft om de wet in de gemeente des Heren voor te lezen, immers op Sinaï werd de wet aan Israël gegeven als wet van het genadeverbond, om te dienen als regel des levens, en waar nu de belofte veruld werd, ik zal Mijn wet in hun harten schrijven en zal maken dat ze in Mijn wegen zullen wandelen,11 daar kan de wet niet gemist worden als regel des levens om de wegen des Heren te kennen. En waar nu de Here die wet gaf, daar gaf Hij tevens de belofte, dat de harten zouden gevormd worden om die wet, die voortijds niets voor hem had dan vloekuitspraken, thans wederom zo te kunnen beminnen, dat de apostel kon betuigen: ik heb een vermaak in uw wet naar de inwendige mens.12 Over het doen van belijdenis heb ik u niet veel te schrijven. Hoewel de zaak voor uzelf gewichtig is, in dit mijn schrijven liggen wel lijnen getrokken, waaruit gij kunt opmaken hoe ik over de zaak denk. Uw doop is u van Godswege (gevoegd bij de bediening des Woords) een onderpand van Gods genade in Jezus Christus te u waarts. Van Gods kant is u de afwassing der zonden en de reinigmakende kracht van het bloed der verzoening betuigd en verzegeld. Leeft gij uit uw doop door geloof in Hem, dan moogt gij niet alleen, maar zijt ook verplicht uw Heer en Heiland openlijk in het midden der gemeente te belijden. Gij weet, niet wat gij van uzelf gelooft, maar wat gij van de Christus der Schriften gelooft, is hierbij hoofdzaak. De belijdenis van Petrus: tot wie zullen wij heengaan, Gij hebt de Woorden des eeuwigen levens13 en die andere: Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods,14 deze en dergelijke, in oprechtheid voor God en de gemeente uitgesproken, zij zullen het hart niet ledig, noch onvruchtbaar laten.15 Met mijn gezondheid gaat het goed. Bijna gevoel ik mij weer even goed als voor de griep. Alleen is het mij even beneden de keel nog wat schor en slijmerig. Maag en ingewanden zijn ongeveer als voorheen, dan weer wat beter en dan eens weer wat minder. De ene dag verschilt nogal veel van de andere, al naar de gesteldheid van de maag. Overigens zijn wij allen gezond. Hartelijk gegroet van uw u liefhebbende vader en moeder en broeders en nicht, uw u liefhebbende vader

D.P. Noordmans.

(AN)

Noten

  1. 1

    Antwoord op brief nr. 81 (2.1892).↩

  2. 2

    Zie brief nr. 73 (1.11.1891), n. 10.↩

  3. 3

    Matth. 9:38; Luk. 10:2.↩

  4. 4

    Mark. 16:15.↩

  5. 5

    Luk. 14:23.↩

  6. 6

    Rom. 10:17.↩

  7. 7

    Zie: het klassieke gereformeerde Avondmaalsformulier.↩

  8. 8

    Vgl. Matth. 22: 1-14.↩

  9. 9

    Gal. 3:24.↩

  10. 10

    Matth. 11:22.↩

  11. 11

    Jer. 31:33; Hebr. 10:16.↩

  12. 12

    Rom. 7:22.↩

  13. 13

    Joh. 6:68.↩

  14. 14

    Matth. 16:16.↩

  15. 15

    2 Petr. 1:8.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit het zetbestand van het boek; de noten zijn aan hun verwijzing gekoppeld. Dat bestand heeft geen paginanummers: een brief wordt aangehaald met zijn nummer. Zet onder Weergave de correcties aan om de herstelde en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 82. D. Eringa aan Oepke Noordmans2. Leiden84. Oepke aan zijn ouders →